Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX6526

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
02-06-2006
Zaaknummer
WAHV 05-01340
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Onder omstandigheden is het in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur dat de oficier van justitie de inning van de sanctie ten laste van de betrokkene ter hand heeft genomen en heeft doorgezet op de enkele grond dat ingevolge art. 26, derde lid, WAHV, het verzet tegen het uitgevaardigde dwangbevel niet gericht kan zijn tegen de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26, geldigheid: 2006-04-04
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26, geldigheid: 2006-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 05/01340

4 april 2006

CJIB 61714338

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 22 juni 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op

6 oktober 2004 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 maart 2006. De betrokkene is verschenen. Ter zitting heeft hij verzocht om vergoeding van kosten.

Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. A. Dijkstra.

3. Beoordeling

3.1. De betrokkene heeft in hoger beroep en in het verzet bij de kantonrechter gesteld dat de inleidende beschikking ten onrechte aan hem is opgelegd en dat derhalve ook het dwangbevel van de officier van justitie ten onrechte tegen hem is uitgevaardigd. De betrokkene is op geen enkel moment eigenaar, houder of bestuurder van het voertuig met kenteken [kenteken] geweest. Het voertuig was ten tijde van de gedraging door het schadebedrijf [bedrijf]V in verband met reparatie van het voertuig met kenteken [kenteken] verhuurd aan [huurder]. De beschikking had derhalve aan [huurder] moeten worden opgelegd. De betrokkene heeft ter ondersteuning van zijn betoog stukken overgelegd.

3.2. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB vond de gedraging plaats op 26 februari 2003 met het voertuig met kenteken [kenteken]. Blijkens het commentaar van het CJIB d.d. 29 maart 2005 naar aanleiding van het verzetschrift van de betrokkene was de inleidende beschikking aanvankelijk opgelegd aan de kentekenhouder. Naar aanleiding van een gegrond verklaard beroep van de kentekenhouder heeft de officier van justitie de beschikking opgelegd aan de huurder van het voertuig. Vervolgens heeft het CJIB de beschikking op 4 juni 2003 verzonden naar het door de officier van justitie opgegeven adres van de betrokkene. Uit een verklaring d.d. 16 juni 200[schademanager]] schademanager van [bedrijf]V te Rotterdam kan worden afgeleid dat genoemde rechtspersoon ten tijde van de gedraging de kentekenhouder van het betreffende voertuig is geweest. Uit dezelfde verklaring blijkt dat het voertuig ten tijde van de gedraging bij wijze van vervangend vervoer ter beschikking was gesteld aan [huurder]. Uit het kentekenbewijs van het te repareren voertuig, met kenteken [kenteken], blijkt dat laatstgenoemd voertuig vanaf 30 september 2002 op naam gesteld was van [huurder], geboren op [persoonsgegevens]. Blijkens het Internationaal Motorrijtuigverzekeringsbewijs was de verzekeringspolis voor dat voertuig gedurende de periode 26 september 2002 tot 14 april 2003 eveneens op naam gesteld van [huurder], destijds wonende [adresgegevens]. Het CJIB heeft op 20 augustus 2003 een eerste aanmaning verzonden aan de betrokkene. Na een GBA-verificatie is de eerste aanmaning op 16 juni 2004 nogmaals verzonden naar de betrokkene op het toen van hem bekende adres te Pijnacker. Blijkens de stukken van het geding heeft de betrokkene op 17 juni 2004 een brief geschreven aan het CJIB. Hierin heeft hij gesteld dat de beschikking ten onrechte aan hem was opgelegd en dat het betreffende voertuig ten tijde van de gedraging verhuurd was aan [huurder]. De betrokkene heeft daarbij de meergenoemde verklaring van [schademanager] overgelegd, alsmede een kopie van het meergenoemde kentekenbewijs van het voertuig met kenteken [kenteken]. Uit de stukken blijkt niet dat het CJIB op de brief van de betrokkene heeft gereageerd. Op 19 oktober 2004 is het op 6 oktober 2004 gedateerde dwangbevel aan de betrokkene betekend. De betrokkene heeft bij brief d.d. 20 oktober 2004 tijdig verzet gedaan tegen het dwangbevel, onder overlegging van de meergenoemde stukken.

3.3. De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene ongegrond verklaard op grond van de overweging dat de betrokkene inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de hem opgelegde sanctie en dat ingevolge de wettelijke regeling voor een dergelijk verweer in de verzetprocedure geen gelegenheid is.

3.4. De Hoge Raad heeft onder meer bij arrest van 17 juli 1995, VR 1995, 196, beslist dat, indien in het kader van de administratieve sanctie zonder meer als vaststaand moet worden aangenomen dat als gevolg van een fout van een overheidslichaam de sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd, het in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur als de officier van justitie niettemin de inning van de sanctie ter hand neemt en doorzet op de enkele grond dat, naar volgt uit artikel 26, derde lid WAHV, een eventueel verzet tegen een uitgevaardigd dwangbevel niet gericht zal kunnen zijn tegen de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd.

3.5. Gelet op het overwogene onder 3.2. moet naar het oordeel van het hof als vaststaand worden aangenomen dat de inleidende beschikking, nadat het beroep daartegen van de kentekenhouder gegrond was verklaard, slechts opgelegd had kunnen worden aan de onder 3.2. genoemde [huurder], in haar hoedanigheid van huurder van het voertuig met kenteken [kenteken], en dat de beschikking als gevolg van een fout van de officier van justitie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd. Daaraan doet niet af dat [huurder] mogelijk gedurende enige tijd op hetzelfde adres woonachtig is geweest als het adres waar de betrokkene gedurende de periode van 10 oktober 1985 tot 12 september 2003 stond ingeschreven. De beschikking was immers na de beslissing van de officier van justitie op het beroep van de kentekenhouder op naam gesteld van de betrokkene.

3.6. Onder genoemde omstandigheden is het in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur dat de officier van justitie de inning van de sanctie ten laste van de betrokkene ter hand heeft genomen en heeft doorgezet op de enkele grond dat ingevolge artikel 26, derde lid WAHV, het verzet tegen het uitgevaardigde dwangbevel niet gericht kan zijn tegen de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd.

3.7. Het hiervoor overwogene in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat het dwangbevel ten onrechte is uitgevaardigd. Het hof zal derhalve de beschikking van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

3.8. De betrokkene heeft verzocht om vergoeding van de volgende kosten. Restitutie van het bedrag van de zekerheidstelling, te weten Euro 213, 68, dat hij blijkens een afschrift van de Postbank op 2 maart 2006 aan het deurwaarderskantoor Pruijn en v.d Bergh Groep te Delft heeft betaald, alsmede restitutie van de griffierechten ten behoeve van het verzet bij de kantonrechter, te weten Euro 25,50, en ten behoeve van het hoger beroep, te weten, Euro 103,-. Voorts verzoekt de betrokkene om vergoeding van reiskosten ten behoeve van de zitting van de kantonrechter te Delft en de zitting van het hof te Leeuwarden, alsmede vergoeding van telefoonkosten en kosten in verband met het schrijven en verzenden van (aangetekende) brieven.

3.9. Ingevolge art. 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,

d. verletkosten van een partij of een belanghebbende,

e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

3.10. Gelet op het vermelde onder 3.9. komen de door de betrokkene opgegeven telefoonkosten en kosten in verband met het schrijven en verzenden van (aangetekende) brieven niet voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge art. 2, eerste lid, aanhef en onder c, van voormeld Besluit jo art. 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken worden reiskosten berekend naar het tarief per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Het hof zal daarom ter zake van reiskosten (Pijnacker-Delft vv en Rotterdam-Leeuwarden vv) aan de betrokkene een bedrag van Euro 5,36 + Euro 39,50 + Euro 5,36 = Euro 50, 22 toekennen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het verzet gegrond;

bepaalt dat hetgeen uit hoofde van voormeld dwangbevel door de betrokkene is betaald, te weten een bedrag van

Euro 213,68, aan de betrokkene wordt gerestitueerd, alsmede dat het door deze op de voet van artikel 26 en 26a WAHV betaalde griffierecht, te weten een bedrag van Euro 128, 25, door de griffier van de rechtbank aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van Euro 50,22;

wijst voor het overige het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.