Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX6503

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
01-06-2006
Zaaknummer
WAHV 05-01421
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid marechaussee wordt betwist; Niet enkel op grond van de verklaring van de verbalisant daaromtrent kan ervan worden uitgegaan dat zij de bevoegdheid bezitten een sanctie op te leggen. Verklaring van de verbalisanten bevat geen informatie over de feitelijke bezigheden ten tijde van de gedraging. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verbalisanten bevoegd waren om de door hen geconstateerde gedraging te sanctioneren.

Wetsverwijzingen
Politiewet 1993 6
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/01421

29 maart 2006

CJIB 09077171052

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Roermond

van 21 juli 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts, kantoor houdende te Baexum.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Roermond ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 140,- opgelegd ter zake van "als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden", welke gedraging zou zijn verricht op 9 november 2004 om

14.12 uur op de Roermondseweg te Weert.

3.2. De gemachtigde voert aan dat de verbalisanten (ambtenaren van de Koninklijke marechaussee) in de onderhavige zaak niet bevoegd waren om verbaliserend op te treden. Hij stelt zich op het standpunt dat de enkele verklaring van de verbalisanten dat zij waren "belast met de patrouillegang genoemd in artikel 6 lid 1 onder B en lid 4 Politiewet 1993" onvoldoende is om hun bevoegdheid vast te stellen. Het enkele woord "patrouillegang" geeft volgens de gemachtigde onvoldoende duidelijkheid over de feitelijke bezigheden van de verbalisanten, zodat niet vastgesteld kan worden dat zij de betreffende gedraging hebben waargenomen bij de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Politiewet 1993. De gemachtigde verwijst hierbij naar het arrest van dit hof van 27 oktober 2005 (WAHV 05/00413).

3.3. Ingevolge art. 3, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) in verbinding met art. 2, eerste lid, van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (BAHV) zijn de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in art. 141, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering, bevoegd tot het opleggen van administratieve sancties voor de gevallen waarin deze militairen belast zijn met de uitvoering van de politietaken, bedoeld in art. 6, eerste lid, aanhef en onder b, c, d, e en f, van de Politiewet 1993.

3.4. Bij de Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee (Regeling van 29 maart 1994, Stcrt 70) zijn als zodanig aangewezen: de officieren, de onderofficieren en beroepsmarechaussees der eerste klasse aangesteld voor onbepaalde tijd, op wier akte van aanstelling hun bevoegdheid door of namens de commandant der Koninklijke marechaussee is aangetekend.

3.5. Art. 6, eerste lid, aanhef en onder b Politiewet 1993 luidt:

"Aan de Koninklijke marechaussee zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:

b. de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen.".

3.6. De in art. 3 WAHV in combinatie met art. 2 BAHV toegekende bevoegdheid moet zo worden verstaan dat, wanneer de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee op de voor het openbaar verkeer openstaande weg hun controlerende, toezichthoudende en opsporingstaak uitoefenen ten opzichte van de in art. 6, eerste lid onder b vermelde personen, zij eveneens bevoegd zijn gedragingen te sanctioneren, begaan door anderen.

3.7. Nu deze bevoegdheid van de verbalisanten slechts onder voorwaarden is toegekend en in de onderhavige zaak die bevoegdheid wordt betwist, kan niet enkel op grond van de verklaring van de verbalisanten daaromtrent ervan worden uitgegaan, dat zij de bevoegdheid bezitten een sanctie op te leggen (vgl. Hof Leeuwarden 27 oktober 2005, WAHV 05/00413, LJN: AV3729).

3.8. Omtrent de bevoegdheid van de verbalisanten blijkt uit de stukken van het geding het volgende.

Het zaakoverzicht van het CJIB houdt als verklaring van de verbalisanten in, voor zover hier van belang:

"Belast met de politietaak in artikel 6 lid 1 onder b en lid 4 van de Politiewet, ter uitvoering van het gestelde in bovengenoemde politietaak".

Naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie aan de verbalisanten om aan te geven met welke politietaak zij waren belast ten tijde van de gedraging hebben de verbalisanten op 27 januari 2005 een aanvullend proces-verbaal opgemaakt inhoudende, voor zover hier van belang:

"Op dinsdag 9 november 2004 omstreeks 14.05 uur waren wij (...) belast met de patrouillegang genoemd in artikel 6 lid 1 onder B en lid 4 Politiewet 1993 en derhalve bevoegd tot optreden bij het stuiten op een strafbaar feit, op de voor het verkeer openstaande weg, de Roermondseweg, te Weert.".

3.9. Op grond van het hiervoor onder 3.7. overwogene volgt uit de verklaringen van de verbalisanten niet zonder meer dat zij de gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd hebben waargenomen bij de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Politiewet 1993. Deze verklaringen zijn naar hun aard en inhoud immers niet meer dan een conclusie van de verbalisanten omtrent hun eigen bevoegdheid en geven geen informatie over de hun feitelijke bezigheden ten tijde van de gedraging. Voor zover zij, gelet op de vermelding van het vierde lid van art. 6 van de Politiewet 1993 zouden menen, dat in dat artikellid een uitbreiding van de politietaak als bedoeld in art. 6, eerste lid onder b. valt te lezen, berust dit op een verkeerde lezing van dat artikel.

Nu de verbalisanten naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie niet de benodigde informatie hebben verschaft en de advocaat-generaal daarin geen aanleiding heeft gezien aanvullende informatie op te vragen, zal het hof afzien van nader onderzoek. Derhalve is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de verbalisanten bevoegd waren om de door hen geconstateerde gedraging te sanctioneren.

3.10. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat deze had behoren te doen.

3.11. De gemachtigde heeft in hoger beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten die zijn gemaakt in de procedure bij de officier van justitie, de kantonrechter en het hof en daarbij te bepalen dat dit zal geschieden door het bedrag van de vergoeding te laten overmaken naar bankrekeningnummer 1503.42.497 ten name van Meerts te Baexem.

3.12. Art. 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: het Besluit) bepaalt voor zover hier van belang dat een veroordeling in de kosten betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van die kosten is in het Besluit forfaitair per proceshandeling vastgesteld. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: indienen beroepschrift bij de officier van justitie, indienen beroepschrift bij de kantonrechter, indienen hoger beroepschrift bij het hof en een reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal. Anders dan de gemachtigde heeft gesteld blijkt uit de stukken niet dat hij in administratief beroep de hoorzitting heeft bijgewoond.

3.13. Blijkens de Bijlage bij het Besluit moet aan het indienen van de beroepschriften bij de officier van justitie, bij de kantonrechter en bij het hof en aan het bijwonen van de zitting bij het hof telkens één punt worden toegekend. Naar het oordeel van het hof dient de reactie op het verweerschrift, anders dan de gemachtigde heeft betoogd, te worden aangemerkt als een schriftelijke uiteenzetting (= 0,5 punt).

3.14. Blijkens de Bijlage bij het Besluit is de waarde per punt Euro 322,-. Gelet op de aard van de zaak past het de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Derhalve zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van Euro 563,50 (= 3,5 punten x Euro 322,- x 0,5).

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 21 april 2005, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 09077171052 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van

Euro 140,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene ter hoogte van Euro 563,50 en bepaalt dat dit dient te geschieden door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer 1503.42.497 ten name van Meerts te Baexem.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.