Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX6469

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
01-06-2006
Zaaknummer
WAHV 05-01155
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Zichtdoorlaatbaarheid beperkende folie aangebracht op ruiten linker en rechter voorportier. Objectieve informatie omtrent de lichtdoorlaatbaarheid van de ruiten van het betreffende voertuig ontbreekt. Niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vergoeding reis- en verletkosten.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Voertuigreglement 5:3:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/01155

1 juni 2006

CJIB 19076109788

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad

van 21 juli 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De inhoud van het arrest van het hof van 15 maart 2006 wordt hier overgenomen.

2. Het procesverloop

Bij brief van 7 april 2006 heeft de advocaat-generaal desgevraagd nadere informatie in het geding gebracht.

Bij brief van 18 april 2006 heeft de gemachtigde van de betrokkene een reactie gegeven op de nadere informatie.

3. Beoordeling

3.1. Het aanvullend proces-verbaal d.d. 3 april 2006 dat door de verbalisant op verzoek van de advocaat-generaal is opgemaakt houdt onder meer het volgende in:

“Op de vraag of de stelling juist is dat auto’s standaard uit de fabriek komen met een voorruit en overige ruiten waarvan de lichtdoorlaatbaarheid 75% respectievelijk 70% is verwijs ik naar de Helpdesk Verkeer van het Politie Instituut voor Verkeer en Milieu.

Uit deze bron weet ik dat veel auto’s vanaf de fabriek zijn voorzien van ruiten met de maximale lichtreductie van 25% en 30%. Het gaat hierbij om het getint glas (zie geel geaccentueerd gedeelte op bijgevoegde bijlage).

Met betrekking tot de ruiten van de auto voorzien van het kenteken [kenteken] ben ik naar de Volkswagendealer Pouw in Hardenberg geweest. Nadat het chassisnummer van bedoelde auto werd ingevoerd in het Volkswagenonderdelensysteem kwam naar voren dat deze auto bij het verlaten van de fabriek voorzien was van grijze glasheldere ruiten met nummer PR-4GS. Opgemerkt dient te worden dat ook deze ruiten een bepaalde reductie van lichtdoorlaatbaarheid vertonen. Nadat men in een auto heeft plaatsgenomen met deze ruiten en een zijruit heeft geopend dan is er verschil in helderheid (met geopend raam is het helderder). Door mij is geen meting gedaan met een meetinstrument (niet beschikbaar).”.

3.2. Het geel geaccentueerde gedeelte op de bij het proces-verbaal gevoegde bijlage houdt het volgende in:

“Bij eerste toelating tot de weg (ofwel de typekeuring) mogen voorruit en de voor- én achterzijruiten, een maximale lichtreductie hebben van 25% en 30%. Dit is vrijwel altijd het geval bij alle auto’s die zijn voorzien van getint glas, zoals we die afkomstig van de fabrikant in de showroom aantreffen. Ook vervangende ruiten (carglass etc.) voldoen aan die zelfde normen. Met al deze relatief licht getinte ‘standaard-ruiten’ is er dus niets aan de hand.”.

3.3. De verbalisant heeft zijn waarneming, dat lichtdoorlaatbaarheid van de ruiten van het voertuig van de gemachtigde beneden de door de richtlijn minimaal vereiste waarden uitkomt, gebaseerd op de vooronderstelling dat auto’s standaard uit de fabriek komen voorzien van een voorruit en overige ruiten met de maximaal toegestane beperking van de lichtdoorlaatbaarheid.

3.4. Het hof is echter van oordeel dat de door de verbalisant in het geding gebrachte aanvullende informatie de onder 3.3. genoemde vooronderstelling niet kan dragen.

3.5. Aangezien objectieve informatie omtrent de lichtdoorlaatbaarheid van de ruiten van het betreffende voertuig ten tijde van de gedraging ontbreekt, is naar de overtuiging van het hof niet komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen.

3.6. De gemachtigde van de betrokkene heeft verzocht om vergoeding van de volgende kosten:

- Reiskosten à € 93,52 op basis een kilometervergoeding van € 0,28 in verband met het bezoeken van het politiebureau te Hardenberg, de Verkeerstechnische dienst te Zwolle, brigadier Kloek te Zwolle en twee zittingen van de kantonrechter te Zwolle.

- Verletkosten à € 960,- op basis van een uurloon van € 40,-. De gemachtigde voert aan 18 uur nodig te hebben gehad voor het opstellen van beroepschriften en 6 uur voor het bijwonen van de zittingen van de kantonrechter.

- Telefoonkosten, kopieën en porti à € 15,-

3.7. De wet voorziet in artikel 13a, eerste lid, WAHV slechts in het veroordelen van een partij in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Daaronder vallen in het algemeen niet de kosten die de gemachtigde heeft gemaakt. Het hof is echter van oordeel, dat indien een betrokkene verschijnt bij een niet-professioneel gemachtigde deze wat betreft de vergoeding van de reis- en verletkosten treedt in de plaats van de partij (vgl. CRvB 27 december 2002, AB-kort 2003/132).

3.8. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de door de gemachtigde opgevoerde kosten voor telefoongesprekken, kopieën en porti niet voor vergoeding in aanmerking.

3.9. Gezien het voormeld besluit komen de door de betrokkene opgevoerde reis- en verletkosten voor vergoeding in aanmerking, echter volgens vaste jurisprudentie van het hof (vgl. Hof Leeuwarden 1 mei 2002, WAHV 01/00612, LJN: AE3230) slechts die reis- en verletkosten die zijn gemaakt in verband met het bijwonen van een zitting en de inzage van stukken ter griffie. Het hof zal hetgeen onder deze posten meer of anders is verzocht derhalve afwijzen.

3.10. De reiskosten die de gemachtigde heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zittingen van de kantonrechter op 24 maart 2005 en op 21 juli 2005 komen voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van voormeld Besluit jo artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 worden reiskosten berekend naar het tarief per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Het hof zal daarom ter zake van reiskosten (twee maal € 9,- [plaatsen] v.v.) aan de gemachtigde een bedrag toekennen van € 18,-.

3.11. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de door de gemachtigde opgevoerde verletkosten in verband met het bijwonen van de genoemde zittingen van de kantonrechter. Het hof acht aannemelijk dat de gemachtigde voor het bijwonen van deze zittingen zes uren verlof heeft moeten opnemen. Het hof acht het door de gemachtigde opgevoerde uurloon van € 40,- gezien zijn beroep (registeraccountant) niet onredelijk. Het hof zal daarom ter zake van verletkosten aan de gemachtigde een bedrag toekennen van € 240,-.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 19076109788 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van

€ 95,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene ter hoogte van € 258,-;

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.