Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX1349

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2006
Datum publicatie
12-05-2006
Zaaknummer
0500354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het was [geïntimeerde 1] krachtens de arbeidsovereenkomst op zich niet verboden om binnen een straal van 100 km van Drachten een onderneming te hebben of daaraan deel te nemen. De betreffende onderneming mocht [appellant] echter binnen een straal van 100 km vanaf Drachten geen concurrentie aandoen, waarbij als concurrentie uitdrukkelijk is aangemerkt activiteiten in de bedrijfstak hydrauliektoepassingen voor de industrie en de scheepvaart. Uit de door [geïntimeerde 1] overgelegde handgeschreven aantekeningen van de zitting van 26 februari 2002 (productie 7 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg) blijkt dat de beperking naderhand is teruggebracht tot hydrauliektoepassingen binnen de maritieme sector [..]

Juist tegen deze achtergrond ligt het veeleer voor de hand, dat bij de betrokken partijen de bedoeling heeft voorgezeten de geografische beperking, voor wat de nog wel verboden werkzaamheden, te koppelen aan de feitelijke uitvoering van die werkzaamheden en komt de ruime uitleg die [appellant] aan het beding geeft weinig realistisch voor.

Nu er sprake is van een voor [naam geïntimeerde 1] bezwarend beding, waarvan de tekst kennelijk uit de koker van [appellant] komt (het tegendeel is gesteld noch gebleken), kan van een extensieve uitleg ten voordele van [appellant] geen sprake zijn. Voor een werknemer moet immers duidelijk zijn, waartoe hij zich verbindt, hetwelk ook nog eens wordt benadrukt door de wettelijke eis van schriftelijke vastlegging (artikel 7:653 lid 1 BW).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 101
JAR 2006/153
JIN 2006/319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 3 mei 2006

Rolnummer 0500354

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

gevestigd te [vestigingsplaats appellant],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr S.A. Roodhof,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 2],

3. Innovatiecentrum Trydo B.V.,

gevestigd te Drachten,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk ook te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr F.M. Oldenhuis.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 24 mei 2005 door de rechtbank te Leeuwarden, sector kanton locatie Opsterland, hierna aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 7 juli 2005 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 27 juli, waarna [geïntimeerden] bij herstelexploot van 1 augustus 2005 zijn opgeroepen tegen de zitting van 24 augustus 2005.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden, sector Kanton, van 24 mei 2005 te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - de oorspronkelijke vorderingen van appellante alsnog volledig toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instantiën, de kosten van beslaglegging daaronder begrepen."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Kantonrechter d.d. 24 mei 2005 (148698 / VC EXPL 04-717) tussen partijen gewezen, bevestigt, zonodig onder verbetering en aanvulling van de gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 2 (2.1 tot en met 2.9) van het beroepen vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.

Als gesteld en erkend staat bovendien het volgende vast:

Artikel 13 van de tussen Spebu Maritiem Beheer BV en [naam geïntimeerde 1] Systeemtechniek VOF gesloten koopovereenkomst van 31 juli 1998 heeft als kopje "Non-concurrentiebeding [geïntimeerde 1]" en luidt als volgt:

"13.1 In de arbeidsovereenkomst van VdV Systeemtechniek BV en [geïntimeerde 1] zal worden opgenomen dat [geïntimeerde 1] zich onthoudt VdV Systeemtechniek BV direct of indirect concurrentie aan te doen zolang hij in dienst is van VdV Systeemtechniek BV.

13.2 Indien de arbeidsverhouding tussen VdV Systeemtechniek BV en [geïntimeerde 1] ophoudt te bestaan, is [geïntimeerde 1] gedurende vijf jaar na het beëindigen van de arbeidsverhouding verplicht zich te onthouden VdV Systeemtechniek BV en de aan VdV Systeemtechniek verbonden dan wel aan haar gelieerde ondernemingen concurrentie aan te doen op straffe van een dwangsom van f 5.000,-- per dag dat [geïntimeerde 1] in overtreding is. Als concurrentie wordt in elk geval aangemerkt het werkzaam zijn of deelnemen in of door middel van (rechts)personen in de bedrijfstak hydrauliektoepassingen voor de scheepvaart en voor de industrie.

13.3 Indien de arbeidsverhouding tussen VdV Systeemtechniek BV en [geïntimeerde 1] ophoudt te bestaan, is [geïntimeerde 1] gedurende vijf jaar na beëindiging van de arbeidsverhouding verplicht zich te onthouden relaties van VdV Systeemtechniek BV te benaderen op straffe van een dwangsom van f 5.000,-- per dag dat [geïntimeerde 1] in overtreding is."

2. Ook tegen de weergave van de standpunten van partijen onder overweging 3 (3.1 tot en met 3.5) respectievelijk 4 (4.1 tot en met 4.6) is niet gegriefd, zodat van de juistheid daarvan in hoger beroep zal worden uitgegaan.

Het hof verwijst voor een en ander naar het aan dit arrest gehechte vonnis van de kantonrechter.

Met betrekking tot de grieven:

3. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Het hof zal ze daarom gezamenlijk behandelen.

4. Uitgangspunt is dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet kan worden beantwoord enkel op grond van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Meer algemeen geformuleerd, zijn bij de uitleg alle omstandigheden van het concrete geval , gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van belang.

5. Het hof is, anders dan [appellant] in haar eerste grief betoogt, van oordeel dat de bedoeling van partijen niet zonder meer uit de overgelegde stukken (meer in het bijzonder de tussen Spebu Maritiem Beheer BV en [naam geïntimeerde 1] Systeemtechniek VOF gesloten koopovereenkomst d.d. 31 juli 1998, de tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] gesloten arbeidsovereenkomst d.d. 7 december 1998 en het - onder de vaststaande feiten vermelde - tussen [geïntimeerde 1] en [appellant] gewezen vonnis van de kantonrechter d.d. 12 maart 2002) volgt.

6. Met name is allerminst duidelijk of de geografische beperking (binnen een straal van 100 km vanaf Drachten, zoals opgenomen in de hiervoor bedoelde arbeidsovereenkomst) enkel geldt voor de feitelijk door [geïntimeerde 1] (al dan niet werkzaam in dienst van of betrokken bij een rechtspersoon) uit te voeren werkzaamheden, of ook voor de vestigingsplaats van [geïntimeerde 1] zelf of van de onderneming waarvoor [geïntimeerde 1] die werkzaamheden eventueel uitoefent of waarbij hij anderszins is betrokken.

[appellant] gaat uit van de meest ruime strekking, hetwelk zou inhouden dat het [geïntimeerde 1] ook verboden zou zijn concurrerende werkzaamheden binnen een straal van 100 km van Drachten te verrichten vanuit of betrokken bij een onderneming die buiten de straal van 100 km van Drachten is gevestigd. Concreet zou dat bijvoorbeeld betekenen dat, indien [geïntimeerde 1] in dienst zou zijn bij een in Middelburg gevestigde onderneming, waarvan een vaste klant met zijn schip in de haven van Harlingen problemen zou krijgen met het hydraulische systeem, [geïntimeerde 1] deze klant niet van dienst zou mogen zijn.

7. De primaire vraag is dan ook welke strekking van het beding partijen voor ogen heeft gestaan.

8. Met de kantonrechter (zie rechtsoverweging 7 van het beroepen vonnis) is het hof van oordeel dat [appellant] en [geïntimeerde 1] kennelijk niet de bedoeling hebben gehad om het concurrentieverbod zoals opgenomen in de koopovereenkomst van 31 juli 1998 uit te breiden in de nadien gesloten arbeidsovereenkomst.

Blijkens de hiervoor in rechtsoverweging 1 weergegeven bewoordingen van artikel 13 van de koopovereenkomst van 31 juli 1998 mocht [geïntimeerde 1] - na beëindiging van de arbeidsverhouding - gedurende een zekere tijd niet werkzaam zijn in de bedrijfstak hydrauliektoepassingen voor de scheepvaart en de industrie en mocht hij dat evenmin doen door middel van (rechts)personen die in die bedrijfstak werkzaam zijn en dat hij ook niet zou mogen deelnemen in dergelijke rechtspersonen.

9. In de op 7 december 1998 tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] gesloten arbeidsovereenkomst is dit non-concurrentiebeding geografisch ingeperkt en naderhand, bij meergenoemde rechterlijke uitspraak d.d. 12 maart 2002, geschorst onder meer voorzover het betrekking heeft op andere werkzaamheden dan betrekkelijk tot hydrauliektoepassingen binnen de maritieme sector.

10. Het was [geïntimeerde 1] krachtens de arbeidsovereenkomst op zich niet verboden om binnen een straal van 100 km van Drachten een onderneming te hebben of daaraan deel te nemen. De betreffende onderneming mocht [appellant] echter binnen een straal van 100 km vanaf Drachten geen concurrentie aandoen, waarbij als concurrentie uitdrukkelijk is aangemerkt activiteiten in de bedrijfstak hydrauliektoepassingen voor de industrie en de scheepvaart. Uit de door [geïntimeerde 1] overgelegde handgeschreven aantekeningen van de zitting van 26 februari 2002 (productie 7 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg) blijkt dat de beperking naderhand is teruggebracht tot hydrauliektoepassingen binnen de maritieme sector, op voorstel van [appellant], althans haar raadsman, welk voorstel door de kantonrechter in zijn vonnis van 12 maart 2002 is overgenomen.

11. Juist tegen deze achtergrond ligt het veeleer voor de hand, dat bij de betrokken partijen de bedoeling heeft voorgezeten de geografische beperking, voor wat de nog wel verboden werkzaamheden, te koppelen aan de feitelijke uitvoering van die werkzaamheden en komt de ruime uitleg die [appellant] aan het beding geeft (zie het hiervoor in rechtsoverweging 6 gegeven voorbeeld) weinig realistisch voor.

12. Nu er sprake is van een voor [naam geïntimeerde 1] bezwarend beding, waarvan de tekst kennelijk uit de koker van [appellant] komt (het tegendeel is gesteld noch gebleken), kan van een extensieve uitleg ten voordele van [appellant] geen sprake zijn. Voor een werknemer moet immers duidelijk zijn, waartoe hij zich verbindt, hetwelk ook nog eens wordt benadrukt door de wettelijke eis van schriftelijke vastlegging (artikel 7:653 lid 1 BW).

13. Een en ander in onderling verband en samenhang bezien, brengt mede dat het hof van oordeel is dat de uitleg die de kantonrechter aan het concurrentiebeding heeft gegeven voor juist moet worden gehouden, zodat de grieven falen.

Met betrekking tot grief III:

14. De grief deelt het lot van de grieven I en II. Nu niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] het concurrentiebeding heeft overtreden, mist ook de vordering van [appellant] jegens [geïntimeerde 2] en jegens Innovatiecentrum TRYDO B.V. elke grondslag.

Slotsom

15. Het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in hoger beroep (salaris procureur: 1 punt tarief 2).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op euro 244,-- aan verschotten en euro 894,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Zuidema en Hidma, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 3 mei 2006.