Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AW7275

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
BK 131/05 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift in hoger beroep 5 grieven tegen de uitspraak van de rechtbank naar voren gebracht.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.12, geldigheid: 2006-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/45.4

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 131/05

Uitspraakdatum: 28 april 2006

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/540 van de rechtbank Leeuwarden van 13 oktober 2005 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord kantoor Groningen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 15 september 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.870,-.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak gedagtekend 16 maart 2005 de

aanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 13 oktober 2005, verzonden op 13 oktober 2005, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift (met bijlagen) van 21 november 2005, bij het hof ingekomen op 22 november 2005.

De inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De tweede meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2006.

Aldaar is namens de inspecteur verschenen de heer A. De heer B (gemachtigde van belanghebbende) is -met telefonisch bericht van verhindering- niet verschenen. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het hof.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.4 van de uitspraak van de rechtbank.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift in hoger beroep 5 grieven tegen de uitspraak van de rechtbank naar voren gebracht.

3.2 De inspecteur heeft deze grieven bestreden.

3.3 De inspecteur is van opvatting dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ad grief 1.

Volgens belanghebbende waren ondanks de bewoordingen van de akte van 21 april 1978 de contractspartijen het er van begin af aan mondeling over eens dat verlenging/heruitgifte (ook eventueel voor derden) mogelijk zou zijn. Deze stelling is door de inspecteur gemotiveerd betwist in zijn verweerschrift in hoger beroep. Hiertegenover heeft belanghebbende zijn stelling niet aannemelijk gemaakt.

4.2 Ad grief 2.

Volgens belanghebbende heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het er voor moet worden gehouden dat de heer C f 500.000,- heeft betaald voor een erfpachtsrecht van 29 jaren, waarbij het grootste deel van dat bedrag moet worden toegerekend aan het nieuwe 26-jarige erfpachtsrecht en slechts een relatief klein deel is betaald voor het nog driejarige erfpachtsrecht.

Het hof acht dit oordeel van de rechtbank wel juist. Hoewel in de onder feit 2.3 genoemde stukken niet steeds op dezelfde wijze is verwoord hoe de door C te betalen koopsom van totaal f 500.000,- moest worden voldaan en aan wie, is toch wel duidelijk dat hij in feite uiteindelijk voor een erfpachtsrecht met een looptijd van 29 jaar f 500.000,- heeft opgeofferd. Dat hiervan slechts een klein deel betrekking heeft op de resterende looptijd van 3 jaar van het oude erfpachtsrecht, is ook een juiste conclusie.

4.3 Ad grief 3.

Volgens belanghebbende is er geen sprake van afzien van zijn voorkeursrecht, maar van een verkoop van het erfpachtsrecht.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft onderkend dat het afzien van zijn voorkeursrecht door belanghebbende een factor moet zijn geweest die geleid heeft heeft tot een aanzienlijke transactiewinst.

4.4 Ad grief 4.

Belanghebbende voert hier nogmaals aan dat gekeken moet worden naar de verkoopopbrengst van het erfpachtsrecht van f 383.550,-.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat C in feite uiteindelijk voor een erfpachtsrecht met een looptijd van 29 jaar f 500.000,- heeft opgeofferd en dat hiervan slechts een klein deel betrekking heeft op de resterende looptijd van 3 jaar van het oude erfpachtsrecht. In dit kader speelt het afzien van zijn voorkeursrecht door belanghebbende een belangrijke rol, omdat anders de door de betreffende partijen gerealiseerde uitkomst niet mogelijk zou zijn geweest. De feiten moeten derhalve in onderling verband worden geïnterpreteerd en niet -zoals belanghebbende kennelijk wil- afzonderlijk van elkaar.

Uit de feiten kan het hof niet concluderen en ook overigens zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit de conclusie kan worden getrokken dat het door belanghebbende genoten bedrag van f 383.550,- geheel of gedeeltelijk onder de landbouwvrijstelling zou vallen.

4.5 Ad grief 5.

Belanghebbende wijst erop dat hij bij de rechtbank een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan (door het noemen van een geval van de heer D), maar dat de rechtbank hierop niet heeft beslist. In hoger beroep heeft belanghebbende nog naar een geval van de heer en mevrouw E verwezen.

In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de inspecteur met het onder punt 5 vermelde aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van vergelijkbare gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt reeds hierom. Op zichzelf heeft belanghebbende wel terecht opgemerkt dat de rechtbank zich niet over zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft uitgelaten.

4.6 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van gronden, als hiervoor aangegeven onder 4.5.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 28 april 2006 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mr. G.M. van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 3 mei 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.