Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AW3785

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
BK 2065/02 Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of het beroepschrift ontvankelijk is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:24, geldigheid: 2006-04-13
Algemene wet bestuursrecht 8:27, geldigheid: 2006-04-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0803

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 2065/02 13 april 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep ingediend door A te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de coöperatieve vereniging X te Z tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1993.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan de coöperatieve vereniging X te Z (hierna: de coöperatieve vereniging) werd voor het tijdvak 1993 door de inspecteur een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd.

Op het bezwaar van de coöperatieve vereniging heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 17 oktober 2002, de aanslag gehandhaafd.

Door A is tegen deze uitspraak een beroepschrift ingediend, hetwelk op 27 november 2002 is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven van 27 mei 2003 (met bijlage).

De inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift (met bijlagen) ingediend, hetwelk op 20 februari 2004 is ingekomen.

Op diens verzoek heeft het hof A toegestaan een conclusie van repliek in te zenden, doch hij heeft een zodanige conclusie niet ingezonden.

Op 23 maart 2005 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting, gehouden te Leeuwarden, alwaar de inspecteur is verschenen. A werd voor die zitting uitgenodigd bij met handtekening voor retour verzonden schrijven van 3 februari 2005, welk schrijven door hem of namens hem in ontvangst werd genomen. Hij is evenwel ter zitting niet verschenen.

Bij schrijven, aangetekend verzonden op 6 april 2005, heeft het hof een aantal vragen gesteld aan A, zoals hierna nader te omschrijven.

Op die vragen is geen antwoord ontvangen, terwijl de schriftelijke machtiging waarom werd gevraagd niet werd ingezonden.

Vervolgens werden ter zitting van 12 september 2005, gehouden te Leeuwarden, door de raadsheer-commissaris prof. mr. Aardema gehoord A zomede de inspecteur bijgestaan door B.

Bij schrijven, aangetekend verzonden op 16 augustus 2005 aan A heeft het hof A, zomede de bestuurders van de coöperatieve vereniging op grond van art. 8:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht ter voormelde zitting te verschijnen, doch de bestuurders van de coöperatieve vereniging zijn daar toen niet verschenen.

Van alle genoemde en hierna te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of het beroepschrift ontvankelijk is, welke vraag door A bevestigend en door de inspecteur ontkennend wordt beantwoord, zomede de vraag of de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, welke vraag door A bevestigend en door de inspecteur ontkennend wordt beantwoord. Partijen gronden hun standpunten op de schriftelijke stukken van hun zijde zonder daar ter zittingen overigens nadere gronden aan toe te voegen.

3. De overwegingen omtrent het geschil

Voor eerst en vooraf:

Nu de inspecteur de ontvankelijkheid van het beroepschrift aan de orde heeft gesteld en het hof ook overigens daartoe aanleiding vindt, zal het hof voor eerst de ontvankelijkheid van het beroepschrift beoordelen.

Bij schrijven aangetekend verzonden op 6 april 2005 aan A heeft het hof de volgende vragen gesteld onder mededeling, dat bij het niet verstrekken van de gevraagde inlichtingen het hof daaraan op grond van art. 8:31 Awb de gevolgtrekkingen zal verbinden die het geraden zal voorkomen:

Naar aanleiding van de behandeling van voormelde zaken ter zitting van 23 maart jl. verzoekt het hof u binnen één maand de navolgende bescheiden over te leggen:

- Ter zake van de coöperatieve vereniging X de ledenlijst en de jaarlijkse mutaties hierop zoals ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

- De namen en adressen van de bestuursleden zoals genoemd in de notulen van de vergadering van 19 november 1997 en voorzover deze nadien zijn gewijzigd een overzicht van deze wijziging(en) en de namen en adressen van de huidige bestuursleden, alsmede een overzicht hiervan uit het handelsregister.

- Een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat u gerechtigd bent namens X op te treden.

Op dit schrijven werd geen antwoord ontvangen.

Ook de schriftelijke machtiging ten name van A werd niet ingezonden.

Vervolgens heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 12 september 2005 voor prof. mr. Aardema als raadsheer-commissaris.

Bij schrijven, aangetekend verzonden op 16 augustus 2005 aan A, heeft het hof op grond van art. 8:27 Awb, zowel A als de bestuurders van de coöperatieve vereniging verplicht op de hiervoor bedoelde zitting aanwezig te zijn.

Ter voormelde zitting zijn zowel de inspecteur als A verschenen.

Desgevraagd verklaarde A aldaar, dat hij geen contact had met het bestuur van de coöperatieve vereniging.

Ook een machtiging heeft hij als toen niet overgelegd.

Onder de hiervoor omschreven omstandigheden - beschouwd in onderling verband en samenhang en mede gelet op art. 8:24, tweede lid, Awb - acht het hof onaannemelijk, dat A toen hij het onderwerpelijke beroepschrift inzond - noch in een latere fase van het geding - daartoe gemachtigd was door de coöperatieve vereniging.

Het beroepschrift dient derhalve als niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in art. 8:75 van de Awb.

5. De beslissing:

Het hof verklaart het beroepschrift niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld op 13 april 2006 door prof. mr. E. Aardema, vice-president en voorzitter, mr. Drion, raadsheer en mr. J.W. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door raadsheer mr. Drion en voornoemde griffier.

Op 26 april 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.