Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AW1942

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
WAHV 05-01400
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep vraagt de betrokkene waarom de bestuurder van het betreffende voertuig niet is staandegehouden. Naar het oordeel van het hof dient een dergelijke in algemene bewoordingen gestelde opmerking of vraag niet te gelden als een verweer dat artikel 5 WAHV ten onrechte is toegepast, zodat daarop geen uitdrukkelijke beslissing hoeft te worden genomen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2006/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/01400

23 maart 2006

CJIB 39076215029

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam

van 24 oktober 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 95,- opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht ", welke gedraging zou zijn verricht op 22 september 2004 om 15.55 uur op de Churchillweg in Schiedam met het voertuig met het kenteken [kenteken].

3.2. Niet in geschil is dat voormeld kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister op naam van de betrokkene stond geregistreerd.

3.3. De betrokkene heeft aangevoerd dat hij ten tijde en ter plaatse als voormeld niet aanwezig was en dat de gedraging derhalve niet door hem kan zijn verricht. Naar het hof begrijpt stelt de betrokkene zich op het standpunt dat de kentekenaansprakelijkheid, zoals neergelegd in artikel 5 WAHV, in strijd is met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met name in strijd is met de in dat artikel gewaarborgde onschuldpresumptie.

De betrokkene stelt in het hoger beroepschrift enkele algemene vragen omtrent de wijze van waarnemen door de verbalisant. Voorts wil de betrokkene weten waarom de verbalisant de bestuurder niet heeft staande gehouden.

3.4. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling van de schuld van de betrokkene. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Indien een en ander zich niet voordoet, bestaat geen noodzaak tot nader onderzoek.

3.5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in: "Het verkeerslicht stond ongeveer drie seconden op rood op het moment dat betrokkene dit licht negeerde.".

3.6. Nu de betrokkene slechts enkele vragen heeft opgeworpen omtrent de wijze van waarnemen door de verbalisant en geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant en evenmin uit het dossier zulke feiten zijn gebleken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht met het voertuig waarvan het kenteken ten name van de betrokkene staat geregistreerd. Het hof is bij die stand van zaken niet gehouden tot nader onderzoek.

3.7. Ingevolge artikel 5 WAHV wordt - behoudens indien zich een van de in artikel 8 genoemde uitzonderingen voordoet, - de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven, indien niet aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder is van het motorrijtuig met of door middel waarvan de gedraging heeft plaatsgevonden. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.

3.8. Toepassing van artikel 5 WAHV is niet onverenigbaar met het EVRM. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft bij uitspraak van 19 oktober 2004 (nr. 66273/01, gepubliceerd in Verkeersrecht 2005,1 met noot Si) de betekenis van artikel 5 WAHV als volgt verwoord: "Article 5 of the Act (...) obliges a registered car owner to assume the responsibility for his or her decision to allow another person to use his or her car (...)." Met betrekking tot deze aansprakelijkheid komen de kentekenhouder alle verdedigingsmogelijkheden toe, inzonderheid het beroep op het bepaalde in artikel 8 en het verweer dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 5 dat "niet aanstonds is vastgesteld wie (...) de bestuurder is". Voorts kan de kentekenhouder de feitelijke bestuurder machtigen om namens hem beroep in te stellen tegen de beschikking en zich te verdedigen met een beroep op de omstandigheden ten tijde van de gedraging.

3.9. De rechter zal, indien de gedraging met toepassing van artikel 5 WAHV is opgelegd, zoals in dezen het geval, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Ingeval dienaangaande een verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven en zal hij zonodig aan de verbalisant een nadere toelichting dienen te vragen (HR 1 februari 2000, VR 2000/104).

3.10. In administratief beroep heeft betrokkene gesteld dat hij er "absoluut zeker van is dat hij niet door de politie is aangehouden voor een overtreding zoals vermeld in de beschikking". In hoger beroep vraagt de betrokkene waarom de bestuurder niet is staandegehouden. Naar het oordeel van het hof dient een dergelijke in algemene bewoordingen gestelde opmerking of vraag niet te gelden als een verweer dat artikel 5 WAHV ten onrechte is toegepast, zodat daarop geen uitdrukkelijke beslissing genomen hoeft te worden. Het hof houdt het derhalve ervoor dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan.

3.11. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van

De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.