Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AW1876

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
WAHV 05-01387
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Schending van beginsel van hoor en wederhoor. Hoger beroep ontvankelijk. Inleidende beschikking is door de officier van justitie blijkens de daaraan ten grondslag gelegde motivering wegens schending van een beginsel van behoorlijk bestuur vernietigd. Vooropgesteld moet worden dat die beschikking strijdig is met het recht en dus de onrechtmatigheid ervan een gegeven is. De kantonrechter heeft zijn beslissing mede gebaseerd op een nader opgemaakt proces-verbaal dat zich evenwel niet bij de stukken bevindt. Genoemde proces-verbaal is niet meer te achterhalen. Het hof moet het er redelijkerwijs voor houden dat de orechtmatigheid van de inleidende beschikking aan het bestuursorgaan is te wijten. Vergoeding toegekend voor in administratief beroep gemaakte kosten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:28
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2006, 86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/01387

10 maart 2006

CJIB 59066714173

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Maastricht

van 20 oktober 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr. L.C.M. Jurgens,

advocaat te Amsterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzoek van de betrokkene om vergoeding van proceskosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Hierbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De zaak is behandeld ter zitting van 24 februari 2006. Namens de betrokkene is verschenen mr. L.C.M. Jurgens. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen W.K. Vlietstra.

Ter zitting heeft de gemachtigde van de advocaat-generaal een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Na de zitting is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Na de zitting heeft de gemachtigde van de betrokkene een brief naar het hof gezonden, die op 2 maart 2006 door het hof is ontvangen. Het hof zal op deze brief geen acht slaan.

3. Beoordeling

3.1. Uit de stukken blijkt het volgende. De betrokkene is bij inleidende beschikking d.d. 19 november 2003 een administratieve sanctie opgelegd ter zake van "een voertuig op zodanige wijze laten staan waardoor op de weg gevaar kan worden veroorzaakt/ verkeer wordt/ kan gehinderd", welke gedraging zou zijn verricht op 18 oktober 2003. De gemachtigde van de betrokkene heeft administratief beroep ingesteld bij de officier van justitie. Bij dit beroep is verzocht om vergoeding van de kosten.

3.2. Bij besluit van 20 mei 2004 heeft de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigd met de volgende motivering: "Naar aanleiding van het door hem/haar gevoerde verweer is een nader onderzoek ingesteld. Tot op heden is dit onderzoek nog niet afgerond. Gelet op de termijn die inmiddels is verstreken na de door de betrokkene/gemachtigde gepleegde gedraging is er naar het oordeel van de officier van justitie sprake van een schending van een beginsel van behoorlijk bestuur.". Bij dit besluit is geen beslissing genomen over het verzoek tot vergoeding van de kosten.

3.3. Bij brief van 27 mei 2004 heeft de gemachtigde de officier van justitie opnieuw verzocht om aan de betrokkene een kostenvergoeding toe te kennen. Hierop is niet gereageerd. Bij brief van 26 augustus 2004 heeft de gemachtigde de officier van justitie er op gewezen dat hij nog steeds geen beslissing heeft genomen op het verzoek om een kostenvergoeding. Voorts heeft de gemachtigde de officier van justitie verzocht om, indien hij geen kostenvergoeding wil toekennen, het verzoek aan de kantonrechter voor te leggen.

3.4. De officier van justitie heeft - naar het hof begrijpt - alsnog het herhaalde kostenverzoek van de betrokkene opgevat als een beroepschrift tegen zijn beslissing van 20 mei 2004. In het dossier bevindt zich immers een "commentaar van de officier van justitie op bijgaand beroepschrift" d.d. 24 december 2004. Dit commentaar houdt onder meer het volgende in: "Het is ondergetekende ambtshalve bekend dat de Stationsstraat in Maastricht is gelegen binnen een zgn. parkeerverbodzone. Betrokkene is aldus in elk geval een bord aanduidende deze parkeerverbodzone gepasseerd bij het binnenrijden van de zone. Ook is ondergetekende ambtshalve bekend dat ter plaatse een bord E4 van bijlage 1 van het RVV 1990 is geplaatst. Echter aan de betrokkene wordt verweten dat hij zijn voertuig op zodanige wijze heeft laten staan dat daardoor gevaar op de weg kan worden veroorzaakt dan wel het verkeer kan worden gehinderd. Het relaas omtrent plaatsing van borden in het beroepschrift kan dan ook als niet relevant terzijde worden geschoven.

Helaas moet ondergetekende vaststellen dat de beoordeling namens de officier van justitie van het initiële beroepschrift op een onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en op onjuiste gronden werd besloten tot het vernietigen van de beschikking. (...)

Niet kan worden gesteld dat het bestreden besluit werd herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. (art. 7:28 Awb)

Het verzoek tot vergoeding van kosten dient dan ook te worden afgewezen.".

3.5. De kantonrechter heeft bij beslissing van 20 oktober 2005 het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen. Daartoe heeft hij het volgende overwogen:

"In casu is de kantonrechter van oordeel, dat niet aan de voorwaarden is voldaan om voor een kostenvergoeding in aanmerking te komen nu naar het oordeel van de kantonrechter geenszins is komen vast te staan dat er een onrechtmatigheid van de primaire beslissing is. De vernietiging van het besluit is - naar het oordeel van de kantonrechter - immers te wijten aan een onzorgvuldige beoordeling door de officier van justitie en het tengevolge daarvan op foutieve en op onjuiste gronden vernietigen van het primaire besluit.

De betrokken beschikking is immers door de officier van justitie vernietigd op grond van het feit, dat er een nader door hem opgedragen onderzoek nog niet was afgerond en dat de termijn die inmiddels was verstreken na de door de betrokkene gepleegde gedraging zo lang was dat daardoor sprake was van schending van het beginsel van behoorlijk bestuur zulks ten onrechte omdat dat nader onderzoek reeds geruime tijd was afgerond en er zich een nader opgemaakt proces-verbaal in het dossier bevond.".

3.6. Gelet op de overeenkomst in karakter van de situatie waarin ingevolge de beslissing van de officier van justitie in administratief beroep slechts de beslissing omtrent de proceskosten in de administratiefrechtelijke procedure aan de kantonrechter wordt voorgelegd en de situatie, waarin 13b WAHV van toepassing is, moet ervan worden uitgegaan, dat ook in het eerste geval de procedure van artikel 13b, tweede tot en met vierde lid, WAHV analoog van toepassing is. Nu ten aanzien van de hoofdzaak in een dergelijk geval geen andere uitspraak kan volgen dan niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens het ontbreken van belang, vergt het belang van de betrokkene geen andere procedure dan in artikel 13b, tweede tot en met vierde lid, WAHV is voorgeschreven (vgl. Hof Leeuwarden 23 december 2003; WAHV 03/00654, LJN: AO1866).

3.7. Artikel 14 WAHV bepaalt in welke gevallen hoger beroep van de uitspraak van de kantonrechter openstaat bij het hof. In het arrest WAHV 02/00762, d.d. 13 november 2002 (LJN AF0697), heeft het hof onder meer overwogen: "De tekst van de wet, de wetsgeschiedenis en de wetssystematiek veronderstellen in ieder geval, dat bij de beslissing van de kantonrechter, als bedoeld in het eerste lid art. 14 WAHV, de sanctie die ter zake van de gedraging is opgelegd, onderwerp van geschil is geweest. Bij een beslissing op grond van art. 13b WAHV is dat niet het geval.". In die zaak is het tegen de beslissing ex art. 13b WAHV ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Ook ten aanzien van de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de kosten in de fase van het administratief beroep staat op grond van de WAHV, noch op grond van enige andere wettelijke regeling hoger beroep open. De betrokkene dient daarom in beginsel in zijn beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.8. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat hij desalniettemin in zijn hoger beroep zou moeten worden ontvangen. Daartoe voert hij aan dat de hij bij de kantonrechter geen eerlijk proces heeft gehad in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien hem noch zijn gemachtigde was medegedeeld dat de officier de zaak bij de kantonrechter aanhangig had gemaakt en aan hen evenmin de gelegenheid was geboden kennis te nemen van en te reageren op het schriftelijk commentaar van de officier van justitie

d.d. 24 december 2004.

3.9. De kantonrechter kan op grond van art. 13b, vierde lid, WAHV onder meer ambtshalve besluiten het verzoek om vergoeding van proceskosten buiten zitting af te doen. De wet bevat echter geen criteria die aangeven in welke gevallen hij daartoe kan besluiten. Het hof heeft reeds eerder op grond van de wetsgeschiedenis geoordeeld dat deze mogelijkheid is bedoeld voor "evidente gevallen" en dat daarvan sprake is indien de beoordeling van een verzoek tot vergoeding van proceskosten zowel feitelijk als juridisch van eenvoudige aard is (Hof Leeuwarden 10 december 2003, WAHV 03/00520, LJN: AO1889).

3.10. Indien wordt geklaagd dat de kantonrechter door het verzoek niet ter zitting te behandelen in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een behoorlijk proces, heeft het hof te toetsen of er sprake is van een zodanige schending van het beginsel van hoor en wederhoor dat doorbreking van het appelverbod gerechtvaardigd is. Daarvan kan in beginsel slechts sprake zijn, wanneer de kantonrechter op grond van de op het moment van zijn beslissing voorliggende stukken niet tot het oordeel heeft kunnen en mogen komen, dat er sprake was van een evident geval. Het hoger beroepschrift moet geacht worden daarover te klagen.

3.11. In aanmerking nemende, dat de officier van justitie nimmer een beslissing heeft genomen op het uitdrukkelijke verzoek om een kostenvergoeding en vervolgens, zonder de betrokkene dan wel diens gemachtigde daarvan op de hoogte te stellen, de zaak samen met zijn uitvoerig schriftelijk commentaar aan de kantonrechter heeft voorgelegd, heeft de kantonrechter ten onrechte aangenomen, dat - zonder toestemming daartoe van de partijen - de zaak buiten zitting kon worden afgedaan. Bij de beoordeling of het verzuim om de partijen uit te nodigen voor een zitting in het onderhavige geval een zodanig ernstige schending van de beginselen van een behoorlijk proces oplevert, dat de betrokkene in zijn hoger beroep moet worden ontvangen, overweegt het hof het volgende.

3.12. Uit de stukken blijkt dat de afwijzing van het verzoek om een kostenvergoeding steunt op de - kennelijk door de kantonrechter overgenomen - opvatting van de officier van justitie dat de inleidende beschikking achteraf gezien ten onrechte is vernietigd en derhalve geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De betrokkene noch diens gemachtigde hebben voorafgaand aan de beslissing van de kantonrechter kennis kunnen nemen van dit standpunt van de officier van justitie en evenmin hebben zij zich daarover kunnen uitlaten. Daarom is in het onderhavige geval sprake van zodanige schending van het beginsel van hoor en wederhoor, dat de betrokkene in het hoger beroep dient te worden ontvangen.

3.13. De betrokkene heeft in hoger beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten die zijn gemaakt in de procedure bij de officier van justitie, de kantonrechter, en het hof en daarbij te bepalen dat dit zal geschieden door het bedrag van de vergoeding te laten overmaken naar bankrekeningnummer 47.82.69.048 ten name van Advocatenkantoor Jurgens te Amsterdam onder vermelding van de kenmerken van de zaak.

3.14. Het hof heeft nu te beoordelen of de kantonrechter terecht en op goede grond het verzoek om een kostenvergoeding heeft afgewezen. Daartoe dient ingevolge art. 13a, eerste lid, WAHV in verbinding met art. 7:28, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vastgesteld of de inleidende beschikking is vernietigd wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3.15. Vooropgesteld moet worden dat, aangezien de inleidende beschikking door de officier van justitie blijkens de aan de beslissing ten grondslag gelegde motivering wegens schending van een beginsel van behoorlijk bestuur is vernietigd, de strijdigheid van die beschikking met het recht en dus de onrechtmatigheid ervan een gegeven is. De kantonrechter heeft, zoals onder 3.5. weergegeven, op grond van een nader opgemaakt proces-verbaal geoordeeld dat de inleidende beschikking ten onrechte is ingetrokken en derhalve geen sprake is geweest van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3.16. Het hof stelt vast dat het genoemde nader opgemaakt proces-verbaal zich niet in het dossier bevindt zoals het hof dat van de rechtbank heeft ontvangen. Bij brief van 14 december 2005 heeft de griffier van het hof de advocaat-generaal daarom verzocht dit proces-verbaal aan het dossier toe te voegen. Bij brief van 26 januari 2006 heeft de advocaat-generaal het hof medegedeeld dat zowel bij de rechtbank als bij de betreffende verbalisant het niet mogelijk bleek het genoemde proces-verbaal te achterhalen.

3.17. Op grond van het onder 3.15 en 3.16 overwogene is voor het hof komen vast te staan dat de inleidende beschikking is vernietigd wegens onrechtmatigheid en moet het hof het er redelijkerwijs voor houden dat die onrechtmatigheid aan het bestuursorgaan is te wijten. Aldus heeft de kantonrechter het verzoek om vergoeding van de proceskosten ten onrechte afgewezen. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen deze had behoren te doen.

3.18. Art. 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: het Besluit) bepaalt voor zover hier van belang dat een veroordeling in de kosten betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van die kosten is in het Besluit forfaitair per proceshandeling vastgesteld. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: indienen beroepschrift bij de officier van justitie, indienen beroepschrift bij de kantonrechter, indienen hoger beroepschrift bij het hof, reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal en het bijwonen van de zitting.

3.19. Blijkens de Bijlage bij het Besluit moet aan het indienen van de beroepschriften bij de officier van justitie, bij de kantonrechter en bij het hof en aan het bijwonen van de zitting bij het hof telkens één punt worden toegekend. Naar het oordeel van het hof dient de reactie op het verweerschrift te worden aangemerkt als een schriftelijke uiteenzetting (= 0,5 punt).

3.20. Blijkens de Bijlage bij het Besluit is de waarde per punt Euro 322,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof - anders dan aan het inleidende kostenverzoek ten grondslag is gelegd - de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Derhalve zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van Euro 724,50 (= 4,5 punten x Euro 322,- x 0,5).

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene ter hoogte van Euro 724,50 en bepaalt dat dit dient te geschieden door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer 47.82.69.048 ten name van Advocatenkantoor Jurgens te Amsterdam onder vermelding van de kenmerken van de zaak.

Dit arrest is gewezen door mrs. Weenink, Dijkstra en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.