Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV8587

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
BK 805/04 Successierecht
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het opleggen van de aanslag terecht een bedrag wegens fictieve erfrechtelijke verkrijging van de woning tot de belaste verkrijging heeft gerekend.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 10
Successiewet 1956 10
Successiewet 1956 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/38.18 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 805/04 31 maart 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van verkrijging uit nalatenschap van mevrouw A, overleden op 16 januari 2003 (nader: erflaatster).

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende werd met dagtekening 31 maart 2004 een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een belaste verkrijging van € 68.750,-- tot een bedrag (na verrekening op grond van het bepaalde in artikel 10, lid 4, van de Successiewet, nader te noemen de Wet) van € 5.864,--. .

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 4 augustus 2004 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 9 september 2004 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 12 december 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende en namens de inspecteur mr. B.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Bij akte verleden op 28 december 1993 verkochten en leverden erflaatster en haar echtgenoot (de ouders van belanghebbende) aan belanghebbende en zijn broer elk de onverdeelde helft van de woning a-straat 6 te L (nader ook: de woning). De verkoop vond plaats onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning tot het overlijden van de langstlevende van beide echtelieden of het eerder metterwoon verlaten van de woning. De koop geschiedde tegen een koopsom van f. 16.665,-- per koper, welke koopsom werd kwijtgescholden.

2.2 De waarde van de overgedragen woning in het economische verkeer bedroeg per 28 december 1993 f. 110.000,--.

2.3 Het aangegeven saldo van de nalatenschap bedroeg € 177.798,--. Belanghebbende was hierin gerechtigd voor 1/3 deel of € 59.266,--.

2.4 Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur het door belanghebbende en diens broer verkregen en aangegeven bedrag ad € 59.266,-- verhoogd met € 9.484,-- ter zake van de fictieve erfrechtelijke verkrijging van voormelde woning en het door belanghebbende verschuldigde recht van successie, na verrekening op grond van het bepaalde in artikel 10, lid 4, van de Wet, bepaald op € 5.864,--.

2.5 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het opleggen van de aanslag terecht een bedrag wegens fictieve erfrechtelijke verkrijging van de woning tot de belaste verkrijging heeft gerekend.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; hij benadrukt dat overdracht van de woning is geschied teneinde in de toekomst de vermogenstoets bij een eventuele verpleeghuisopname te vermijden. Tevens stelt hij dat in een vergelijkbare situatie kennissen niet werden aangeslagen.

De inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend.

Het hof verwijst voor een uitgebreidere weergave van de standpunten over en weer naar de gedingstukken.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet wordt al wat iemand ten koste van erflaters vermogen heeft verkregen in verband met een rechtshandeling, waarbij de overledene partij was, voor de regeling van de rechten van successie en van overgang, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen, onder meer indien de overledene in verband met die rechtshandeling tot zijn overlijden of een daarmee verband houdend tijdstip het genot heeft gehad van een vruchtgebruik.

Ingevolge het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt voor de toepassing van de Wet onder vruchtgebruik mede verstaan het recht van gebruik en bewoning.

4.2 Naar vaststaat heeft belanghebbende bij rechtshandeling van 28 december 1993 (een onverdeeld aandeel in) de woning verkregen (mede) ten koste van het vermogen van erflaatster.

4.3 Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur bij het opleggen van de onderhavige aanslag de aan belanghebbende toe te rekenen aangegeven belaste verkrijging, waarin zijn aandeel in de woning niet was opgenomen, terecht verhoogd met de waarde van dat aandeel in de woning ten tijde van de rechtshandeling. Deze waarde is tussen partijen niet in geschil en staat daarmee ten processe vast.

4.4 Belanghebbende beroept zich erop dat kennissen, waarbij zich een

vergelijkbare situatie voordeed, niet zijn aangeslagen voor de fictieve erfrechtelijke verkrijging en voorts op een begunstigend beleid van de belastingdienst dat te zijnen aanzien niet zou zijn toegepast. Hij stelt op deze gronden dat de correctie wegens fictieve erfrechtelijke verkrijging achterwege dient te blijven.

4.5 Nu enerzijds de inspecteur gemotiveerd ontkent dat hij ten aanzien van de toepassing van artikel 10 van de Wet enig begunstigend beleid voert of heeft gevoerd en anderzijds door belanghebbende in het geheel niet concreet is gemaakt op grond van welke gevallen bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat op grond van begunstigend beleid of op grond van het vertrouwensbeginsel belastingheffing bij hem achterwege behoort te blijven, kan deze stelling hem niet baten. De aanslag behoeft niet op deze aangevoerde gronden te worden verminderd.

4.6 Het beroep van belanghebbende is derhalve ongegrond.

4.7 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 31 maart 2006 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H.Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr.

K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 5 april 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.