Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV8582

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
BK 473/04 Fosfaatheffing
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BC2868, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BC2868
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of de naheffingsaanslag fosfaatheffing tot op het juiste bedrag is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 473/04 31 maart 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van Bureau Heffingen te Assen, thans de inspecteur van de Dienst Regelingen te Den Haag (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de fosfaatheffing over het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 26 oktober 2001 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag fosfaatheffing ten bedrage van ƒ 25.540, - over het jaar 1998 opgelegd.

1.2 Op het ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 21 april 2004 zijn bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met één bijlage), hetwelk op 3 juni 2004 bij het hof is ingekomen.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 20 september 2004 heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden ter zitting van 18 maart 2005, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote en namens de inspecteur mevrouw mr. A. De inspecteur heeft een kopie van het bezwaarschrift overgelegd, alsmede een kopie van de envelop waarin het bezwaarschrift is verzonden. Tegen overlegging van voormelde stukken heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.

1.5 Op 31 maart 2005 zijn van de zijde van de inspecteur nadere stukken bij het hof ingekomen. Belanghebbende heeft op 15 april 2005 een brief d.d. 14 april 2005 (met één bijlage) aan het hof doen toekomen. Bij brief van 4 mei 2005, ingekomen op diezelfde datum, zijn opnieuw nadere stukken van de inspecteur bij het hof ingekomen.

1.6 De mondelinge behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van 9 januari 2006, gehouden te Leeuwarden. Belanghebbende, zijn echtgenote en mevrouw mr. A waren daarbij ook weer aanwezig.

1.7 Het hof heeft in deze zaak op 23 januari 2006 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 6 februari 2006, aan partijen is verzonden.

1.8 Bij brief, ingekomen op 21 maart 2006, heeft de griffier van de Hoge Raad op de voet van artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het hof medegedeeld dat tegen de voormelde mondelinge uitspraak beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad heeft op de voet van artikel 28b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak.

1.9 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1 Belanghebbende heeft in het kader van de Meststoffenwet (: de Wet) ervoor gekozen een verfijnde boekhouding te voeren.

2.2 Op 14 januari 1999 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van de verfijnde aangifte van de mineralenheffingen en de bestemmingsheffing over het jaar 1998. Op 23 augustus 1999 heeft de inspecteur het formulier “Verfijnde aangifte 1998” van belanghebbende ontvangen. In deze aangifte is aangegeven dat in het jaar 1998 4174 kg fosfaat is aangevoerd en 5332 kg fosfaat is afgevoerd. Op de aangifte heeft belanghebbende geen verschuldigd bedrag aan fosfaatheffing berekend. Hij heeft evenmin fosfaatheffing voldaan.

2.3 Na het controleren van de aangiftegegevens van belanghebbende met de bij de inspecteur bekende gegevens heeft de inspecteur vastgesteld dat belanghebbende een bedrag van ƒ 25.540, - aan fosfaatheffing is verschuldigd. Daarbij heeft de inspecteur 8396 kg en 5332 kg respectievelijk als aan- en afvoer fosfaat in aanmerking genomen.

2.4 Aangezien belanghebbende de fosfaatheffing niet heeft voldaan, heeft de inspecteur aan hem een naheffingsaanslag fosfaatheffing, gedagtekend 26 oktober 2001, opgelegd tot vorenvermeld bedrag. Er is geen boete opgelegd. Tegen de naheffingsaanslag heeft belanghebbende een bezwaarschrift met dagtekening 6 december 2001 ingediend. Op 10 december 2001 is het bezwaar bij de inspecteur binnengekomen. De envelop waarin het bezwaarschrift is verzonden bevat een poststempel met dagtekening 7 december 2001.

2.5 Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak met dagtekening 21 april 2004 het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld. De dagtekening van het beroepschrift is 31 mei 2004. De betreffende envelop heeft een poststempel met dagtekening 2 juni 2004. De ontvangst van het beroepschrift door het hof heeft plaatsgevonden op 3 juni 2004.

2.6 Na de mondelinge behandeling van 18 maart 2005 heeft de inspecteur alsnog de (getekende) verklaring inzake het feitelijk gebruik in het jaar 1998 door belanghebbende van een deel van de landbouwgrond van de heer B meegenomen bij de berekening van de onderhavige naheffingsaanslag. Dit heeft op 30 maart 2005 geleid tot een ambtshalve vermindering van de naheffingsaanslag. Na deze vermindering van de naheffingsaanslag bedraagt de fosfaatheffing ƒ 21.142, - (€ 9.593,82).

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 Tussen partijen is in geding het antwoord op de vraag of belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.

3.2 Vervolgens is in geschil of de naheffingsaanslag fosfaatheffing tot op het juiste bedrag is opgelegd.

3.3 Met betrekking tot het tweede geschilpunt stelt belanghebbende zich op het standpunt dat voor de fosfaatheffing in het totaal aangevoerde fosfaat geen rekening gehouden mag worden met zes van de door mesttransporteur C gestorte vrachten dierlijke meststoffen. Weliswaar is in totaal 8396 kg aan fosfaat aangevoerd, maar kan – naar belanghebbendes stelling - het niet zo zijn dat daarin worden meegenomen de dierlijke meststoffen die C zonder medeweten en toestemming van belanghebbende heeft gestort. Voor de onderbouwing van zijn stelling dat mest zonder zijn toestemming is gestort verwijst belanghebbende naar zes mestafleveringsbewijzen (productie 7 tot en met 12 van het verweerschrift), die niet zijn voorzien van de handtekening van hemzelf, zijn echtgenote of zijn zoon. De betreffende afleveringsbewijzen zijn volgens belanghebbende ondertekend door C zelf. Ter zitting van 18 maart 2005 heeft belanghebbende erkend dat van de zes mestafleveringsbewijzen één, te weten met nummer 00000000000000000, wel door hemzelf is ondertekend.

3.4 De inspecteur is van mening dat de naheffingsaanslag terecht en tot op het juiste bedrag is opgelegd. Naar zijn stelling is het niet relevant dat een deel van de door mesttransporteur C aangevoerde dierlijke meststoffen zonder belanghebbendes medeweten en toestemming is gestort. Dat de mest is gestort is doorslaggevend voor de fosfaatheffing. Verder is de inspecteur van mening dat belanghebbende wel een aantal van de betreffende mestafleveringsbewijzen heeft getekend.

3.5 Partijen hebben ter zitting hun standpunten gehandhaafd. Voor een uitgebreidere motivering van de standpunten zij verwezen naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep:

Ingevolge de artikelen 26 en 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) en de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: de Awb) - voor zover hier van belang – kan tegen een uitspraak van de inspecteur binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak beroep worden ingesteld bij het hof. Hierbij geldt ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop daarvan is ontvangen. De bestreden uitspraak is gedagtekend 21 april 2004. De termijn van indiening eindigde mitsdien op 2 juni 2004. Nu het beroepschrift op 31 mei 2004 is gedagtekend, op 3 juni 2004 bij het hof is ingekomen en het poststempel een dagtekening van 2 juni 2004 vermeldt, acht het hof op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb het beroepschrift tijdig ingediend.

4.2 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar:

Ingevolge de artikelen 22j en 23 van de AWR en 6:7 en 6:9 van de Awb kan tegen een belastingaanslag binnen zes weken na dagtekening daarvan een bezwaarschrift worden ingediend. De onderhavige naheffingsaanslag is gedagtekend 26 oktober 2001. De bezwaartermijn eindigde mitsdien op 7 december 2001. Het bezwaarschrift is na afloop van de termijn op 10 december 2001 ingekomen. Aangezien het bezwaarschrift een dagtekening bevat van 6 december 2001 en een poststempel van 7 december 2001 acht het hof het bezwaarschrift eveneens op grond van artikel 6:9, tweede lid, van Awb tijdig ingediend.

4.3 Omtrent het inhoudelijke geschil:

De belastbare hoeveelheid mineralen wordt ingevolge artikel 24 van de Wet (tekst 1998) bepaald door de hoeveelheid aangevoerde mineralen, verminderd met achtereenvolgens:

a. de hoeveelheid afgevoerde mineralen en

b. het toelaatbare mineralenverlies.

Als – kort gezegd - de som van de onder punt a en b beschreven posten een positief resultaat geeft dan moet de aangifteplichtige een mineralenheffing, in belanghebbendes geval een fosfaatheffing, betalen.

4.4 Tussen partijen is niet in geschil dat in het jaar 1998 een totaal aantal van 8396 kg aan fosfaat ten aanzien van belanghebbende als belastingplichtige is aangevoerd. Partijen houdt verdeeld de vraag of de dierlijke meststoffen die mesttransporteur C zonder toestemming en medeweten van belanghebbende heeft gestort in de berekening van de aangevoerde fosfaat mogen worden meegenomen. Belanghebbende vindt van niet. Naar het oordeel van het hof biedt de geldende wet en regelgeving geen plaats voor die opvatting van belanghebbende. Immers, in het door belanghebbende gekozen systeem van verfijnde aangifte dient zoveel mogelijk uitgegaan te worden van de werkelijk aangevoerde hoeveelheid fosfaat, ongeacht of de aanvoer met of zonder toestemming van belanghebbende heeft plaatsgevonden. Ingeval de toestemming van belanghebbende voor de door C gestorte dierlijke meststoffen ontbreekt – zoals zou kunnen blijken uit de niet door belanghebbende getekende mestafleveringsbewijzen -, ligt het op de weg van belanghebbende om via de civielrechtelijke weg van C compensatie te krijgen. Een bezwaar- of beroepsprocedure inzake de onderhavige naheffingsaanslag biedt belanghebbende daarvoor geen soelaas.

4.5 Naast zijn grief ter zake van de aanvoer van fosfaat werpt belanghebbende andere grieven op. Zo worden boeren “constant bedonderd” en is de diverse geldende wet- en regelgeving voor agrariërs naar zijn stelling zinloos. Voor zover deze grieven zien op de innerlijke waarde en billijkheid van de (fiscale) wet- en regelgeving kan het hof deze grieven niet in zijn oordeel betrekken, omdat de beoordeling van de innerlijke waarde en billijkheid van de wet- en regelgeving is voorbehouden aan de wet- en regelgever.

4.6 Ook overigens is er naar het oordeel van het hof geen aanleiding de onderhavige naheffingsaanslag fosfaatheffing te vernietigen of verder te verminderen. Met betrekking tot belanghebbendes verzoek om de naheffingsaanslag om te zetten in een celstraf merkt het hof op dat de naheffingsaanslag geen strafrechtelijke sanctie is en het hof ook niet bevoegd is om belanghebbendes verzoek te honoreren.

4.7 Het beroep dient op grond van het onder 2.6 vermelde gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Het hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Het hof beperkt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten tot de reiskosten voor het bijwonen van de mondelinge behandeling op 18 maart 2005 te Groningen en 9 januari 2006 te Leeuwarden, te bepalen op € 46, -.

6. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

handhaaft de naheffingsaanslag zoals die na vermindering op 30 maart 2005 is vastgesteld op ƒ 21.142, - (€ 9.593,82);

verstaat dat de Staat der Nederlanden het griffierecht van € 37 aan belanghebbende vergoedt;

veroordeelt de inspecteur de proceskosten ten bedrage van € 46, - aan belanghebbende te vergoeden; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 31 maart 2006 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer van het gerechtshof Leeuwarden en ondertekend door voormelde voorzitter en de griffier mr. K. de Jong-Braaksma.

Op 5 april 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.