Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV7562

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
BK 238/04 loonbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht een vergrijpboete van uiteindelijk 10 percent ofwel € 6.333,- heeft opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/41.1.4
FutD 2006-0606
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 238/04 24 maart 2006

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de bij de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting en de premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000, aanslagnummer 0000.00.000.A.01.050.0, behorende boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1 Aan belanghebbende werden genoemde naheffingsaanslag van

€ 63.339,- aan belasting en een boete van 25% ofwel € 15.834,-opgelegd met dagtekening 25 april 2003. De aankondiging van de boete heeft plaatsgehad in het controlerapport van 21 maart 2003.

1.2 Belanghebbende heeft tegen voormelde boetebeschikking tijdig een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak van 6 februari 2004 de boete verminderd tot een boete van 10% ofwel € 6.333,-.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak een beroepschrift (met bijlage) ingediend dat op 17 maart 2004 bij het gerechtshof is ingekomen en is aangevuld bij brief ingekomen op 8 april 2004 (met bijlagen). Van de inspecteur is op 9 juli 2004 een verweerschrift (met bijlagen) ingekomen.

1.4 De zaak is behandeld ter zitting van 2 februari 2006, gehouden te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende de heer A en namens de inspecteur mr. B.

1.5 Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.

2.1 Op 7 maart 2000 is C B.V. te L opgericht. Met ingang van 23 januari 2002 is de naam gewijzigd in X B.V..

2.2 De belanghebbende drijft een onderneming met als doel de exploitatie van een (internationaal) transportbedrijf. Bij de onderneming zijn een aantal werknemers in dienst.

2.3 Aan belanghebbende is een formulier "Opgaaf gegevens startende onderneming" verstuurd met als dagtekening 16 december 2000 (bijlage 10 bij het verweerschrift).

2.4 Op 15 januari 2001 werd belanghebbende nogmaals verzocht om het ingevulde formulier "Opgaaf gegevens startende onderneming" per omgaande te retourneren (zie bijlage 11 bij het verweerschrift).

2.5 Op 23 januari 2001 werd het ingevulde formulier "Opgaaf gegevens startende onderneming" door de adviseur van belanghebbende aan de Belastingdienst geretourneerd (zie bijlage 12 bij het verweerschrift). Op het formulier is aangegeven dat de onderneming met ingang van 1 januari 2000 van start is gegaan en dat eveneens met ingang van 1 januari 2000 de eerste werknemer in dienst is gekomen.

2.6 Na ontvangst van het formulier "Opgaaf gegevens startende onderneming" heeft de inspecteur belanghebbende op 20 februari 2001 een brief gestuurd inzake de vaststelling belastingplicht (zie bijlage 13 bij het verweerschrift). In deze brief is onder andere opgenomen dat in het geval geen aangiftebiljetten zijn bijgevoegd, belanghebbende op dit moment niets hoeft te doen. De aangiftebiljetten zullen dan automatisch door de inspecteur worden toegestuurd.

2.7 Belanghebbende heeft voor het jaar 2000 de verzamelloonstaat naar de Belastingdienst gestuurd. Het is niet meer te achterhalen wanneer deze verzamelloonstaat bij de Belastingdienst is binnengekomen.

2.8 Belanghebbende heeft de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen op de balans per 31 december 2000 opgenomen. Gedurende de periode gelegen tussen februari 2001 en september 2002 heeft belanghebbende niet getracht de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen af te dragen en ook heeft zij geen contact met de Belastingdienst opgenomen met betrekking tot de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 2000.

2.9 In september 2002 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld (zie bijlage 1 bij het verweerschrift). Het onderzoek had betrekking op de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft de inspecteur met dagtekening 25 april 2003 de naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen met boete opgelegd vanwege het niet aangeven en afdragen van de voor het jaar 2000 verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen, welke wel op het loon van de werknemers is ingehouden.

2.10 In april 2003 is bij D B.V. een boekenonderzoek ingesteld (zie bijlage 14 bij het verweerschrift). Het onderzoek had betrekking op een balansschuld omzetbelasting. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. De naheffingsaanslag had betrekking op de jaren 1998, 1999 en 2000. Voor de jaren 1998 en 1999 werd een vergrijpboete opgelegd van 25%. Voor het jaar 2000 werd geen boete opgelegd. In het rapport staat niet vermeld waarom geen boete werd opgelegd. Tevens zijn er geen andere vastleggingen bij de inspecteur waaruit blijkt waarom geen boete is opgelegd.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht een vergrijpboete van uiteindelijk 10 percent ofwel € 6.333,- heeft opgelegd.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, terwijl de inspecteur de vraag bevestigend beantwoordt.

3.3 Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

3.4 Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij in de bezwaarfase geen kostenveroordeling heeft gevraagd en dat zij mede in verband daarmee zich thans beperkt tot een verzoek om proceskostenveroordeling in de beroepsfase volgens het puntenstelsel.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 De inspecteur heeft over de correctie een boete opgelegd van uiteindelijk 10% ofwel € 6.333,-.

Naar het oordeel van het hof had belanghebbende moeten beseffen dat zij ondanks het niet beschikken over aangiftebiljetten tijdig de verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen had moeten afdragen. Nu belanghebbende hiervoor geen zorg heeft gedragen en daartoe onvoldoende stappen heeft ondernomen, is het aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is betaald. Het hof acht de opgelegde boete op basis van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dan ook in beginsel passend en geboden.

4.2 Het onder 2.6 vermelde maakt dit niet anders. Het stond belanghebbende niet vrij om passief te blijven ondanks dat het haar toch na verloop van een redelijke periode (in casu te stellen op een maand) na de brief van 20 februari 2001 duidelijk moest zijn dat er bij de belastingdienst iets fout was gegaan. Zij had concrete stappen moeten ondernemen om tot betaling te geraken.

4.3 Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur in het controlerapport van 21 maart 2003 sprak van opzet, maar dit later (in zijn brief van 18 december 2003) heeft omgezet naar grove schuld. Gelet op HR 24 december 2004 (Nr. 39 081), BNB 2005/122 c*, is dit geen reden de boete te laten vervallen.

4.4 Het hof is van oordeel (anders dan belanghebbende) dat het onder 2.10 vermelde geen reden kan zijn de boete te verminderen of te laten vervallen. Het gelijkheidsbeginsel dwingt er niet toe in het onderhavige geval gelijk te oordelen als mogelijk door de belastingdienst in één ander genoemd geval betreffende de omzetbelasting zou zijn geschied. Ook overigens kan het hof niet tot de conclusie komen dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel) door uiteindelijk een boete op te leggen van 10 percent.

4.5 Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr 37 984, BNB 2005/337 c*, V-N 2005/22.6, overweegt het hof ambtshalve dat sinds de aankondiging van de boete tot de onderhavige uitspraak ongeveer 3 jaren zijn verstreken. De overschrijding van de termijn van in beginsel twee jaar tussen aankondiging en uitspraak van het hof met 1 jaar is voor ongeveer 1 maand (tijdsduur motivering beroepschrift) te wijten aan belanghebbende. De resterende overschrijding acht het hof evenwel geen reden om de boete te verminderen, omdat de onderhavige boete van 10% gelet op de aanwezigheid van grove schuld reeds aan de lage kant is. In deze relatief lage boete is naar 's hofs oordeel tevens voldoende verdisconteerd dat de belastingdienst in het onderhavige geval weinig alert heeft gehandeld.

4.6 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

6. De beslissing

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 24 maart 2006 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion, raadsheer en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 29 maart 2006 afschrift per aangetekende post

verzonden aan beide partijen.