Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV6492

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
Rolnummer 0400271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

het hof gaat er - vooralsnog veronderstellenderwijs - met Agrifirm van uit dat de branden in de armaturen zijn ontstaan door warmteontwikkeling, die een gevolg zijn van de veroudering van condensatoren en/of van overgangsweerstanden, ontstaan door het loszitten van lasklemmen en kroonstenen. Agrifirm had er zich - als uit het eerder overwogene volgt - van dienen te onthouden om in de installatie zodanig gebrekkige armaturen op te nemen dat deze binnen een jaar na installatie tot zelfontbranding konden komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 22 maart 2006

Rolnummer 0400271

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. Coöperatieve Agrifirm U.A.,

gevestigd te Meppel,

hierna te noemen: Agrifirm U.A.,

2. Agrifirm B.V.,

gevestigd te Meppel,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna zowel afzonderlijk als gezamenlijk te noemen: Agrifirm,

procureur: mr V.M.J. Both,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr A.H. Lanting.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 30 juli 2003, 17 maart 2004 en 26 mei 2004 door de rechtbank te Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 juni 2004 is door Agrifirm hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 16 juni 2004.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen de vonnissen van de Rechtbank te Assen van 30 juli 2003, 17 maart 2004 en 26 mei 2004 tussen appellante als gedaagde en geïntimeerden als eiser onder zaaknummer 42064 gewezen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van geïntimeerde, zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding, alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"de vonnissen van de Rechtbank te Assen van 30 juli 2003, 17 maart 2004 en 26 mei 2004, zonodig met verbetering van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van appellante in de kosten van de procedure in beide instanties."

Tenslotte heeft Agrifirm de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Agrifirm heeft dertien grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de ontvankelijkheid

1. Agrifirm heeft geen grieven opgeworpen tegen de vonnissen van 30 juli 2003 en 26 mei 2004, zodat zij niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, voorzover dat is gericht tegen deze vonnissen.

Met betrekking tot de feiten

2. Agrifirm heeft geen grieven aangevoerd tegen de weergave van de feiten in rechtsoverweging 1, onderdelen a., b. en c. alsmede e. tot en met o. van het vonnis van 17 maart 2004 waarvan beroep, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

Voor wat betreft hetgeen de rechtbank in onderdeel d van deze overweging heeft vastgesteld, verwijst het hof naar hetgeen hierna met betrekking tot grief I zal worden overwogen.

Met betrekking tot grief I

3. De grief klaagt over de vaststelling door de rechtbank in rechtsoverweging 1, onderdeel d van het vonnis van 17 maart 2004 dat NUON zich niet heeft bemoeid met vervuiling in de stromen op de installatie in het warenhuis zelf.

4. Ter toelichting stelt Agrifirm dat NUON "in vijf verschillende configuraties [heeft gemeten] wat de harmonische stromen waren die de installatie veroorzaakte". Volgens Agrifirm wordt op basis van die metingen, uitgevoerd onder een normale bedrijfssituatie waarbij alle armaturen waren ingeschakeld, een overbelasting van de stromen en de spanningen in de elektrotechnische installatie als gevolg van eventueel opgewekte harmonische stromen niet verwacht. Ter adstructie van haar stelling verwijst Agrifirm naar hetgeen Hettema + Disselkoen in haar als productie 6 bij de memorie van grieven overgelegde brief van 25 september 2003 "naar aanleiding van het meetrapport van NUON" opmerkt.

5. In deze aan de raadsman van Agrifirm c.s gerichte brief, waarvan de inhoud in zoverre overeenkomt met hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4, tweede volzin, als stelling van Agrifirm is vermeld, wordt verwezen naar een rapport van 16 november 2000 van NUON inzake op 9 november 2000 verrichte metingen.

6. Voormeld rapport is kennelijk het rapport dat aan de voet vermeldt "16-11-00" en dat door Agrifirm als productie 2 bij de memorie van grieven is overgelegd.

Blijkens de inleiding van het rapport hadden de metingen ten doel te onderzoeken welke invloed de assimilatieverlichting zou hebben op de harmonische netvervuiling op het overnamepunt.

7. Volgens de conclusies van het rapport voldoen de harmonische stromen niet en de harmonische spanningen wel aan de normen. Tevens wordt geconcludeerd dat de aangetroffen afwijkingen in de harmonische stromen niet van dien aard zijn dat daardoor problemen zijn te verwachten en dat, mits de situatie niet verslechtert, geen maatregelen behoeven te worden getroffen ter voorkoming van harmonische netvervuiling.

8. Anders dan Agrifirm ingang lijkt te willen doen vinden, moet bedoeld rapport naar 's hofs oordeel in die zin worden gelezen dat enerzijds in de installatie van [geïntimeerde], voor zover verbonden met het elektriciteitsnet van NUON, wel degelijk afwijkingen (vervuilingen) in de harmonische stromen werden gevonden maar anderzijds dat die afwijkingen niet zodanig waren dat deze - naar verwachting - problemen in het net van NUON zouden veroorzaken.

9. In aanmerking genomen dat het onderzoek dat heeft geleid tot het rapport van 16 november 2000 van NUON, kennelijk ten doel had te onderzoeken welke consequenties de aansluiting van de installatie van [geïntimeerde] op het net van Nuon voor dat net zou hebben en niet diende om de kwaliteit van de installatie van [geïntimeerde] op zichzelf te beoordelen, verenigt het hof zich met de vaststelling door de rechtbank dat NUON zich niet heeft bemoeid met de (gevolgen van de geconstateerde) vervuiling van de installatie van het warenhuis zelf. Anders gezegd: NUON heeft de door haar wel geconstateerde harmonische stroomvervuiling ongemoeid gelaten omdat deze vervuiling haar, NUON, kennelijk niet (substantieel) deerde. Het hof heeft in het rapport van NUON geen enkele aanwijzing gevonden dat NUON de installatie overigens op haar merites heeft onderzocht en in orde heeft bevonden.

10. De grief faalt.

11. Het hof merkt bij het hetgeen hiervoor is overwogen volledigheidshalve op dat het op basis van het rapport van 16 november 2000 van NUON, op welk rapport Agrifirm zich uitdrukkelijk beroept, aanneemt dat in de elektrische installatie van [geïntimeerde] harmonische stroomvervuilingen voorkwamen als in dat rapport nader omschreven, doch tevens dat de oorzaak van die vervuiling daarmee nog niet vaststaat.

Met betrekking tot grief II

12. De grief klaagt er over dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.7 van het vonnis van 17 maart 2004 heeft geoordeeld dat zij, op grond van de gerechtvaardigde verwachting van [geïntimeerde], diens opvatting deelt over hetgeen hem door Agrifirm geleverd moest worden. Het gaat er daarbij - zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.4 en 4.6 overweegt - in feite om dat [geïntimeerde] mocht verwachten dat Agrifirm deugdelijk en vakbekwaam werk zou leveren en dat dit tot een bedrijfszekere en in ieder geval veilige installatie zou leiden.

13. Het hof deelt dit laatste oordeel van de rechtbank. Zoals Agrifirm in onderdeel 31 van de memorie van grieven aanvoert, ligt de overeenkomst tussen partijen vast in de opdrachtbevestiging van 7 augustus 2000. Blijkens deze overeenkomst verbond Agrifirm zich tot de uitvoering van een (vergrote) belichtingsinstallatie waarbij gebruik zou worden gemaakt van door [geïntimeerde] ingekochte gebruikte armaturen die door de plaatsing van twee filterspoelen per armatuur op onderdelen door Agrifirm zouden worden aangepast.

14. Naar Agrifirm in onderdeel 32 van de memorie van grieven erkent, mocht [geïntimeerde] verwachten dat Agrifirm de installatie zodanig zou ontwerpen en uitvoeren dat deze voor wat betreft ontwerp en uitvoering door Agrifirm veilig was. Agrifirm voegt daaraan toe dat [geïntimeerde] niet van haar mocht verwachten dat geen storingen in de - niet door haar geleverde - armaturen zouden ontstaan.

15. In onderdeel 35 van de memorie van grieven stelt Agrifirm dat de installatie was ontworpen overeenkomstig NEN 1010 en dat haar eigen meting aantoonde dat het opgenomen vermogen en het spanningsverlies in orde waren, terwijl de door NUON uitgevoerde meting volgens haar aantoonde dat de harmonische stromen geen bijzondere maatregelen noodzakelijk maakten.

16. Het hof onderschrijft de stellingen van Agrifirm als verwoord in onderdeel 32 van de memorie van grieven op zichzelf. Anders dan Agrifirm c.s kennelijk ingang wil doen vinden, is het hof echter van oordeel dat wanneer bedoelde storingen een gevolg zijn van de gebrekkigheid van de in de installatie verwerkte apparatuur in een mate dat daarmee de veiligheid van de installatie als geheel in geding komt, die installatie daarmee niet beantwoordt aan de eis dat deze wat betreft ontwerp en uitvoering als veilig is aan te merken.

17. Het hof gaat voorbij aan de stelling van Agrifirm dat uit het rapport van Hettema + Disselkoen zou blijken dat de installatie voor wat betreft elektrotechnische eisen voldeed aan de NEN 1010 normen en dat er geen enkele reden zou zijn om een voorbehoud te maken in verband met de armaturen.

Immers, in het rapport (blz. 6) van Hettema + Disselkoen wordt (slechts) aangegeven dat berekening aan de hand van tabellen leert dat de kabel, uitgaande van 6 armaturen - naast het feit dat deze volgens NEN 1010 gezekerd dienen te zijn met 16 A - in de onderhavige configuratie conform de gegeven productspecificaties voldoende gezekerd is ten opzichte van de stroombelasting van de kabel en de eisen voor de aanspreekstroom van de beveiliging. Op geen enkele wijze is daarbij (gemotiveerd) uiteengezet dat en waarom de staat van de armaturen niet aan de veiligheid van de installatie als geheel in de weg stond. Een dergelijke uiteenzetting had toch van Agrifirm mogen worden verlangd nu zij - in de onderdelen 39 en 45 van de memorie van grieven - zelf stelt dat de branden niet zijn ontstaan als gevolg van een te licht uitgevoerde installatie maar als gevolg van warmteontwikkeling in de gebrekkige armaturen. Zij stelt daarbij nog dat als gevolg van veroudering van lampen en de onderdelen in de armaturen een warmteontwikkeling is ontstaan op een overgangsweerstand in de armaturen en met name op de zogenaamde WAGO-klemmen. Deze klemmen zijn, naar het hof begrijpt, de las- of insteekklemmen binnen de armaturen die in dit geding veelvuldig ter sprake komen . De stelling van Agrifirm over de oorzaak van de branden sluit aan bij de conclusie van Hettema + Disselkoen waar deze aangeeft dat de ontbranding van de armaturen primair gezocht moet worden in de filterspoelen alsmede in de overgangsweerstand in de lasklemmen en de kroonstenen.

18. Het hof gaat met Agrifirm er daarom - vooralsnog veronderstellenderwijs - van uit dat de branden in de armaturen als voormeld zijn ontstaan.

19. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] (expliciet) door Agrifirm is gewaarschuwd voor de (veiligheids)risico's van de door haar in de installatie opgenomen armaturen. Daargelaten of Agrifirm ter zake een voorbehoud had mogen maken, diende zij daarmee in beginsel in te staan voor die veiligheid. Aan dit oordeel kan niet afdoen dat het in casu ging om gebruikte materialen die door [geïntimeerde] zelf waren aangekocht. Van een bekwaam en op zijn gebied bij uitstek deskundig te achten installateur mag immers worden verwacht dat deze een verlichtingssysteem veilig uitvoert, zoals ook Agrifirm op zichzelf erkent (zie rechtsoverweging 14 hiervoor). Indien een installateur meent dat het aan te leggen systeem in ernstige mate onveilig wordt als gevolg van de verwerking daarin van door een niet deskundige opdrachtgever aangekochte en aangewezen materialen, dan dient hij zich te onthouden van de aanvaarding van een opdracht om een dergelijk systeem aan te leggen dan wel overeen te komen dat deze materialen door hem, installateur, zullen worden gecontroleerd en zonodig gereviseerd alvorens deze te verwerken. De aanvaarding van de opdracht door de installateur impliceert in beginsel de aanvaarding van verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de door hem gebruikte materialen, ook als die materialen zijn ingekocht door de opdrachtgever. Dit brengt in het onderhavige geval met zich dat het beroep van Agrifirm op de impliciete bepaling in de opdrachtbevestiging van 8 augustus 2000 dat Agrifirm geen garantie geeft op niet door haar aangeleverde materialen, faalt voor zover zij die materialen niettemin in de installatie heeft verwerkt en daarmee de elektrische veiligheid van die installatie niet ten volle kon realiseren.

20. Het vorenstaande zou wellicht anders zijn wanneer de opdracht afkomstig is van een terzake als deskundig aan te merken opdrachtgever doch het hof is van oordeel dat Agrifirm niet aannemelijk heeft gemaakt dat van der Vlugt als zodanig is aan te merken. De enkele stelling van Agrifirm dat vakbladen voor kwekers gewag hebben gemaakt van elektrotechnische problemen als thans in geding, is daarvoor onvoldoende.

21. Bij het vorenstaande verdient opmerking dat het enkele feit dat [geïntimeerde] volgens Agrifirm wist dat de gebruikte armaturen storingsgevoeliger zijn dan nieuwe armaturen en meer of eerder onderhoud behoeven, nog niet impliceert dat [geïntimeerde] wist of moest weten dat die armaturen tevens onveilig zouden zijn, wat, gelet op het vorenoverwogene, overigens ook de gevolgen van zodanige wetenschap voor de positie van partijen zouden zijn.

22. Agrifirm stelt - door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist - dat [geïntimeerde] reeds bij het aanleggen van de installatie is geadviseerd om de condensatoren te vervangen. Agrifirm heeft daarbij echter niet gesteld dat daarbij tevens is aangegeven dat die vervanging niet (alleen) werd geadviseerd om te voorkomen dat een of enkele armaturen tijdelijk zouden uitvallen maar ook omdat deze vervanging nodig was ter verzekering of verhoging van de veiligheid van de installatie als geheel. Daarmee acht het hof tevens gegeven dat [geïntimeerde] niet kan worden tegengeworpen dat hij de condensatoren niet vrijwel onmiddellijk, binnen een jaar, na het aanleggen van de installatie heeft vervangen, zulks te meer waar uit de stellingen van Agrifirm valt af te leiden dat condensatoren in beginsel vele jaren hun diensten kunnen bewijzen. In dit verband verdient bovendien opmerking dat Agrifirm niet heeft gesteld dat zij - al dan niet in verband met de elektrische veiligheid - heeft geadviseerd om de lasklemmen te vervangen, terwijl Agrifirm zelf op bladzijde 24 van de memorie van grieven stelt dat de gebrekkigheid van de Wago-klemmen, in combinatie met het ontstaan van hogere harmonische stromen, de oorzaak van de branden is.

23. De grief faalt.

Met betrekking tot grief III

24. De grief klaagt over het oordeel van de rechtbank dat Agrifirm een installatie heeft geleverd die op tal van punten en in ernstige mate tekortschoot in veiligheid en bedrijfszekerheid.

25. Ter toelichting stelt Agrifirm dat de installatie bij de oplevering voldeed aan de NEN-norm en dat de installatie bij ingebruikname is gecontroleerd op opgenomen vermogen, spanningsverlies en vervolgens op harmonische stromen en spanningen en aan de eisen voldeed, terwijl de installatie nagenoeg een jaar naar tevredenheid heeft gefunctioneerd.

26. Het hof gaat evenwel aan deze stellingen voorbij. Immers, wat daarvan op zichzelf ook zij, het hof gaat er - vooralsnog veronderstellenderwijs - met Agrifirm van uit dat de branden in de armaturen zijn ontstaan door warmteontwikkeling, die een gevolg zijn van de veroudering van condensatoren en/of van overgangsweerstanden, ontstaan door het loszitten van lasklemmen en kroonstenen. Agrifirm had er zich - als uit het eerder overwogene volgt - van dienen te onthouden om in de installatie zodanig gebrekkige armaturen op te nemen dat deze binnen een jaar na installatie tot zelfontbranding konden komen.

27. De grief faalt.

Met betrekking tot grief IV en V

28. Grief IV klaagt dat de rechtbank veelzeggend heeft geoordeeld dat de gebrekkigheid van de installatie bij eindcontrole niet is gebleken.

Grief V klaagt dat de rechtbank zou hebben overwogen dat veelzeggend is dat geen ontwerptekening voorhanden is.

29. De bestreden overwegingen dragen kennelijk niet de door de rechtbank gegeven beslissingen die door Agrifirm worden aangevallen.

30. Agrifirm heeft derhalve geen belang bij deze grieven, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

31. De grieven treffen geen doel.

Met betrekking tot grief VI

32. De grief klaagt over het oordeel van de rechtbank dat misleidend is de stelling van Agrifirm dat een inspectie door NUON is gedaan omdat die inspectie door NUON geen betrekking had op de installatie zelf maar uitsluitend op de wisselwerking tussen het net en de installatie.

33. Gelet op hetgeen het hof hiervoor, in het bijzonder met betrekking tot grief I, heeft overwogen, verenigt het zich met het oordeel van de rechtbank.

34. De grief faalt.

Met betrekking tot grief VII

35. De grief klaagt er over dat de rechtbank heeft geoordeeld dat Agrifirm nimmer bereid is geweest de gebreken te verhelpen.

36. Uit hetgeen Agrifirm ter toelichting stelt, blijkt dat Agrifirm dit oordeel op zichzelf niet bestrijdt maar dat zij bestrijdt verplicht te zijn geweest die gebreken te verhelpen.

37. Het hof passeert deze stelling van Agrifirm. Immers, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, heeft zij mede door aanwending van de door [geïntimeerde] aangeschafte armaturen een installatie vervaardigd, voor welks veilige werking zij diende in te staan. Nu er van moet worden uitgegaan dat die installatie als gevolg van de daarin verwerkte ondeugdelijke apparatuur niet veilig was, was het aan Agrifirm als deskundig installateur om maatregelen te nemen om die veiligheid alsnog te bewerkstelligen. Daaraan kan niet afdoen of de in de armaturen aanwezige gebreken al niet dan zijn veroorzaakt door Agrifirm omdat Agrifirm door de aanvaarding van de opdracht tot verwerking van die armaturen de verantwoordelijkheid voor de veilige werking daarvan in beginsel geacht moet worden te hebben aanvaard.

38. De grief faalt.

Met betrekking tot grief VIII

39. Met deze grief klaagt Agrifirm over het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van zeer ernstige tekortkoming aan de zijde van Agrifirm.

40. Volgens Agrifirm verschillen de deskundigen van mening over de oorzaak van de brand in de armaturen. Zij herhaalt dat de oorzaak naar haar mening te vinden is in het feit dat als gevolg van veroudering van lampen en de onderdelen van de armaturen na verloop van tijd warmteontwikkeling is ontstaan op overgangsweerstanden in de armaturen, met name in de daarin opgenomen Wago(las)klemmen.

41. In aanmerking genomen dat niet is gesteld of gebleken dat aan gebruikte armaturen eigen is dat deze korte tijd na herplaatsing tot zelfontbranding zullen komen en dat - als overwogen - niet is gesteld of gebleken dat Agrifirm heeft gewaarschuwd voor brandgevaar in geval [geïntimeerde] niet tot vervanging van onderdelen zou overgaan, moet met de rechtbank worden geconstateerd dat er sprake is van ernstige tekortkomingen aan de zijde van Agrifirm door blijkbaar gebrekkig materiaal in de installatie te verwerken zonder er op te wijzen dat deze als geheel onveilig zou worden als niet spoedig onderdelen van de armaturen zouden worden vervangen.

42. De grief faalt.

Met betrekking tot grief IX

43. De grief betreft het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] het recht had op algehele ontbinding van de overeenkomst.

44. Naar Agrifirm stelt, zijn de branden ontstaan in de door haar verwerkte armaturen als gevolg van de gebreken in die armaturen. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot grief VII is overwogen, blijkt dat Agrifirm heeft geweigerd die door haar ter verwerking aanvaarde armaturen in zodanige staat te brengen dat hun veilige werking was gegarandeerd.

45. Het hof is aldus van oordeel dat Agrifirm zodanig is tekortgeschoten in haar verbintenis tot het vervaardigen van de installatie voor welks veilige werking zij had in te staan, dat [geïntimeerde] bevoegd was de overeenkomst in haar geheel te ontbinden. Immers niet kan worden gezegd dat onveiligheid van de installatie, die tot vier branden heeft geleid, van een zo geringe betekenis is dat deze de ontbinding van de overeenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

46. De grief faalt.

Met betrekking tot grief X

47. De grief keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de ongedaanmakingsverplichting van [geïntimeerde] beperkt is tot vergoeding van de waarde van de prestatie verminderd met de kosten van vaststelling daarvan en van het herstel van de gebreken.

48. Het hof verenigt zich evenwel met het oordeel van de rechtbank. Hetgeen Agrifirm tegen dit oordeel heeft aangevoerd, tast dit oordeel niet in de kern aan omdat het vooral betrekking heeft op de wijze van berekenen van de kosten van herstel. Over die wijze van berekenen heeft de rechtbank zich nog niet uitgelaten. Zij heeft zij [geïntimeerde] opgedragen een specificatie daarvan te verstekken. Voor zover herstel zou leiden tot lagere kosten van elektriciteit, ziet het hof - anders dan Agrifirm wil - geen aanleiding om deze met de kosten van herstel te verrekenen. Immers, slechts voor zover herstel nodig is om een onveilige situatie op te heffen, zijn de kosten van dat herstel als oorzaak van de schade aan te merken. Als dit leidt tot verminderd verbruik van elektriciteit, moet worden vastgesteld dat dat verminderde gebruik zich al vanaf het begin zou hebben voorgedaan als Agrifirm niet zelf die onveilige situatie had doen ontstaan.

49. De grief faalt.

Met betrekking tot grief XI

50. De grief klaagt dat de rechtbank het door Agrifirm met betrekking tot de gevolgschade aangevoerde heeft verworpen.

51. Uit de toelichting op de grief blijkt dat deze vooral betreft de periode (19 maanden) waarin de door [geïntimeerde] gestelde schade wegens winstderving zou zijn ontstaan.

52. Uit onderdeel 4.15 van het vonnis van 17 maart 2004 blijkt dat de rechtbank winstderving wegens bedrijfsstilstand tot week 31 (de week waarin

1 augustus valt) van 2002 aanmerkt als gevolg van de wanprestatie aan de zijde van Agrifirm, maar dat dit volgens haar (nog) niet geldt voor de periode vanaf week 31.

53. Het hof stelt vast dat Agrifirm niet (gemotiveerd) bestrijdt dat deze stilstand tot 31 een gevolg was van haar wanprestatie, althans van het plaatsgevonden hebben van de in geding zijnde branden, zodat daarvan in rechte kan worden uitgegaan.

54. Voor wat betreft de schade in de periode vanaf week 31 heeft de rechtbank

[geïntimeerde] bij het vonnis van 17 maart 2004 in de gelegenheid gesteld om bij akte nadere inlichtingen te verstrekken.

55. De grief van Agrifirm is derhalve in zoverre tenminste voorbarig en wordt in zoverre gepasseerd.

56. In onderdeel 52 van de memorie van grieven bedoelt Agrifirm kennelijk te stellen dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de brief 15 oktober 2002 van Agrifirm een rechtvaardiging zou bieden voor het laten oplopen van de schade. Aangezien dit oordeel niet in (onderdeel 5.14 van) het vonnis van 17 maart 2004 is te lezen, berust de grief kennelijk op een onjuiste lezing daarvan. Ook in zoverre faalt de grief.

Met betrekking tot grief XII

57. De grief klaagt over het in rechtsoverweging 4.18 van het vonnis van 17 maart 2004 gegeven oordeel van de rechtbank dat zij geen reden ziet om de afdoening van de zaak te belasten en te vertragen met de vraag naar enige wellicht nog van de verzekeraar te ontvangen vergoeding.

Volgens Agrifirm heeft de rechtbank door aldus te beslissen welbewust de mogelijkheid opengehouden dat [geïntimeerde] zijn schade tweemaal vordert, eenmaal van Agrifirm en nogmaals van de verzekeraar.

58. Hoewel Agrifirm kan worden toegegeven dat dit onderdeel van het vonnis van 17 maart 2004 nauwkeuriger had kunnen worden geformuleerd, moet tevens worden vastgesteld dat uit de rest van genoemde rechtsoverweging 4.18 blijkt dat de rechtbank oordeelt dat met een eventuele dergelijke uitkering rekening moet worden gehouden. Zij nodigt partijen uit om suggesties te doen over de manier waarop dat zou kunnen gebeuren.

59. Nu Agrifirm niet (gemotiveerd) heeft gesteld dat de door de rechtbank geopperde doch nog nader uit te werken manier van verrekening ondeugdelijk of rechtens onjuist is en zulks ook niet aan het hof is gebleken, faalt de grief.

Met betrekking tot grief XIII

60. De grief klaagt over het oordeel van de rechtbank dat Agrifirm als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding zal worden veroordeeld. Volgens Agrifirm dient zij niet in het ongelijk te worden gesteld, zodat de beslissing van de rechtbank volgens haar onjuist is.

61. De grief heeft geen zelfstandige betekenis en kan daarom buiten beschouwing blijven.

De slotsom

62. Agrifirm is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vonnissen van 30 juli 2003 en 26 mei 2004. De grieven tegen het vonnis van 17 maart 2004 falen. Dit laatste vonnis zal worden bekrachtigd. De zaak zal ter verdere behandeling en beslissing worden verwezen naar de rechtbank te Assen. Agrifirm zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris procureur: tarief VIII, één punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart Agrifirm niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vonnissen van 30 juli 2003 en 26 mei 2004;

bekrachtigt het vonnis van 17 maart 2004 waarvan beroep;

veroordeelt Agrifirm in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] tot nu op Euro 1.088,-- wegens verschotten en op Euro 4.580,-- wegens salaris voor de procureur;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar de rechtbank te Assen.

Aldus gewezen door mrs Streppel, voorzitter, Janse en Keur, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 22 maart 2006.