Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV5909

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
21-03-2006
Zaaknummer
0100266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is komen vast te staan dat de bovenconstructie van de ten processe bedoelde vouw- en schuifwand ten behoeve van Garage Caspers te Groningen te licht was, waardoor de deuren gingen doorhangen en de gehele constructie als ondeugdelijk moet worden aangemerkt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 15 maart 2006

Rolnummer 0100266

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr V.M.J. Both,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr M.R. Bartels.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 10 augustus 2005 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De bij bedoeld arrest bevolen comparitie van partijen is gehouden. Daarvan is proces verbaal opgemaakt.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

Voorts met betrekking tot de grieven 1 en 2 in het incidenteel appel:

1. Kernvraag is nog immer of is komen vast te staan dat de bovenconstructie van de ten processe bedoelde vouw- en schuifwand ten behoeve van Garage Caspers te Groningen te licht was, waardoor de deuren gingen doorhangen en de gehele constructie als ondeugdelijk moet worden aangemerkt.

2. In aanvulling op hetgeen het hof in dat verband heeft overwogen in zijn tussenarrest van 29 september 2004 (rechtsoverwegingen 9 en 10) stelt het hof vast dat bij de beantwoording van die kernvraag geen doorslaggevende betekenis toekomt aan hetgeen de in eerste aanleg gehoorde getuigen, in verband met het aan [appellant] opgedragen bewijs, hebben verklaard.

3. Weliswaar zou aan hetgeen [de getuige 1] terzake heeft verklaard enige steun kunnen worden ontleend met betrekking tot het probandum, maar uit hetgeen deze getuige heeft verklaard valt niet alleen af te leiden dat zijn onderzoek beperkt is geweest, maar ook dat hij de indruk heeft dat de zaak "nu op orde lijkt" doordat de bouwconstructie inmiddels is verstevigd. De overige getuigen hebben terzake van de oorzaak van de problemen met de schuifpui geen verklaringen van betekenis afgelegd. Daarbij tekent het hof nog aan dat [de getuige 2] weliswaar waarschijnlijk acht dat de kunststofpui is gaan doorbuigen, doch dat hij deze toch al weinig stevige conclusie niet baseert op een directe eigen waarneming, maar op de klachten die hem ter ore zijn gekomen en op een foto.

4. Dat de rechtbank haar door de grieven bestreden conclusie niet baseert op hetgeen in het kader van het aan [appellant] opgedragen bewijs door de getuigen is verklaard, is dan ook terecht.

5. De in eerste aanleg door de rechtbank benoemde [deskundige] is - zo blijkt uit het proces verbaal van de comparitie van partijen d.d. 11 november 2005 - in hoger beroep een stuk minder stellig in zijn conclusies dan in het in eerste aanleg door hem uitgebrachte rapport. Letterlijk heeft de deskundige tijdens bedoelde comparitie het volgende opgemerkt:

"Je kunt nu wel vaststellen dat de deuren slecht opengaan omdat de dagmaat te krap is. Met dagmaat bedoel ik de ruimte tussen de bovengeleiding en ondergeleiding. Het klopt dat wij hoogteverschillen hebben geconstateerd tot wel 8 mm. Ik weet echter niet of dat zo zeer in de onderdorpel zit of in de ophanging of in een combinatie van beide."

6. De door [geïntimeerde] ingeschakelde [partij-deskundige] heeft tijdens bedoelde comparitie zijn eerder ingenomen standpunt herhaald. Dat de deuren moeizaam opengaan heeft volgens hem niets te maken met een slappe bovenconstructie, maar alles met het feit dat er aan de onderkant te weinig ruimte is.

7. Op grond van een en ander, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt het hof tot de conclusie dat de hiervoor bedoelde kernvraag ontkennend moet worden beantwoord. Dat betekent dat de aan de vorderingen van [appellant] ten grondslag gelegde toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [geïntimeerde] niet is komen vast te staan, zodat de (reconventionele) vorderingen van [appellant] alsnog moeten worden afgewezen.

8. De grieven treffen derhalve doel.

Voorts met betrekking tot de grieven 1 en 2 in het principaal appel:

9. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mede dat grief 1 in het principaal appel geen verdere behandeling behoeft. De desbetreffende vordering van [appellant] is immers op dezelfde grondslag gebaseerd als zijn overige vorderingen.

Een en ander brengt tevens mede dat grief 2 in het principaal appel verder elk belang ontbeert.

Slotsom:

10. Het vonnis van 29 mei 1998 dient te worden bekrachtigd. Het vonnis van 18 mei 2001 zal - ten dele op proces-economische gronden - geheel worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof de vordering van [geïntimeerde] toewijzen als na te melden, derhalve zonder incassokosten en contractuele rente, maar met wettelijke rente. De vorderingen van [appellant] worden integraal afgewezen.

[appellant] zal, als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg (in conventie: salaris procureur 6 punten tarief II -oud en in reconventie salaris procureur 3 punten tarief II-oud en in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel appel, inclusief de kosten van de getuigen (nihil) en de deskundigenberichten (salaris procureur in het principaal appel 2,5 punten tarief III-nieuw en in het incidenteel appel 1,25 punten tarief III-nieuw).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 29 mei 1998, waarvan beroep;

vernietigt het vonnis van 18 mei 2001, waarvan beroep;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag groot euro 5.051,46 (hfl 11.131,95), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 1995 tot de dag der voldoening;

wijst hetgeen [geïntimeerde] meer of anders heeft gevorderd af;

wijst de vorderingen van [appellant] op [geïntimeerde] af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde]:

in eerste aanleg in conventie op euro 304,66 aan verschotten en euro 2.340,-- aan salaris voor de procureur,

in eerste aanleg in reconventie op euro 1.170,-- aan salaris voor de procureur;

in hoger beroep in het principaal appel op euro 288,15 aan verschotten en euro 2.895,-- aan salaris voor de procureur;

in hoger beroep in het incidenteel appel op euro 1.447,50 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Streppel en Keur, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 15 maart 2006.