Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV5253

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
WAHV 05-00735
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanbrengen van een donkere folie op de linkerzijruit van een personenauto; Overtreding van art. 5.2.42 VR?; Noch het Voertuigreglement, noch de op hoofdstuk 5 van dat reglement gebaseerde Regeling permanente eisen bevat een concrete uitwerking van hetgeen in art. 5.2.42, eerste en tweede lid, onder b, VR is verboden. Het hof acht het noodzakelijk dat naar objectieve maatstaven wordt vastgesteld of het aanbrengen van lichtdoorlaatbaarheid aanbrengende folie op de ruiten van een auto het uitzicht van de bestuurder als gevolg daarvan wordt belemmerd. Aansluiting gezocht bij richtlijn van de EG. De lichtdoorlaatbaarheid is gemeten met een Tintman. Vast is komen te staan dat de gedraging is verricht.

Wetsverwijzingen
Voertuigreglement 5.2.42
Voertuigreglement 3.2.29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/00735

15 maart 2006

CJIB 09064869865

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 14 februari 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd van Euro 86,- ter zake van "voorruit/zijruit/windscherm/indien geen recht.buit.spiegel achterruit, voorzien van belemmerende voorwerpen", welke gedraging zou zijn verricht op 10 september 2003 op de Hoofdstraat 54 te Driebergen-Rijsenburg met het voertuig met het kenteken [kenteken].

3.2. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 5.2.42 van het Voertuigreglement (VR). Dit artikel luidt als volgt:

1. De voorruit en de zijruiten van personenauto's mogen:

a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,

b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.

2. Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit:

a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,

b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.

3. Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste lid.

3.3. De betrokkene erkent dat hij een donkere folie op de linkerzijruit van voormeld voertuig heeft aangebracht. Hij ontkent echter dat hierdoor het uitzicht werd belemmerd. De folie heeft ongeveer hetzelfde effect als het dragen van een zonnebril. Het zicht door de ruit van binnen naar buiten wordt iets donkerder, maar dat heeft de betrokkene niet als een belemmering ervaren. De betrokkene is dan ook van mening dat het verkeer niet in gevaar werd gebracht. Verder voert de betrokkene aan dat de folie in de auto-accessoirehandel vrij te koop is. Voorts wijst de betrokkene erop dat in het Voertuigreglement onvoldoende normen zijn vastgesteld met betrekking tot de vraag wat onder het begrip belemmering moet worden verstaan. Tenslotte heeft de betrokkene er nog op gewezen dat voor de APK geen duidelijke richtlijnen zijn afgegeven voor wat betreft het donkerder maken van autoruiten.

3.4. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

"Op de voorste zijruit aan de linkerzijde van het voertuig was een folie aangebracht waardoor deze ruit er aanmerkelijk donkerder uitzag dan de ruiten van dit voertuig welke niet waren voorzien van een folie. In verband hiermee was een onnodig voorwerp op deze ruit aangebracht die het zicht van de bestuurder belemmerde.

Het aanbrengen van een folie op een autoruit zal de transmissie van het licht door de ruit belemmeren waardoor de waarneming van de bestuurder kan worden bemoeilijkt. Dit zal vooral het geval zijn bij contrastarme objecten en bij beperkt omgevingslicht zoals bij donkere weersomstandigheden, schemer en bij nacht.

In de richtlijn 92/22/EEG staan technische eisen t.a.v. de hoeveelheid licht welke de voorruit en de zijruiten aan de voorzijde minimaal moeten doorlaten. De lichttransmissie van een voorruit mag niet minder dan 75% zijn en voor de zijruiten aan de voorzijde mag dit niet minder dan 70% zijn.

Volgens art. 2.6.9. van de Regeling permanente eisen kan een meetmiddel worden gebruikt om de eisen van autoruiten te toetsen. De betreffende ruit is gemeten met een speciaal daarvoor ontworpen meetmiddel dat voldoet aan de wijze van meten zoals in de Europese richtlijn is voorgeschreven. Dit meetmiddel is echter niet opgenomen in de Regeling meetmiddelen politie. Het betreffende meetmiddel is afkomstig uit Engeland. De fabrikant is Turkney (het hof leest: Turnkey) Instruments Australia PTY LTD en wordt verkocht onder de naam Tintman Photopic (het hof leest: Photoptic) Vehicle Tint Tester.

Met dit meetmiddel werd deze ruit op verschillende punten gemeten. Hierbij werden geen hogere percentages lichttransmissie gemeten dan 9%. Ter vergelijking: bij de onbehandelde zijruit van dit voertuig zonder folie werd een lichtdoorlaatbaarheid van 73% gemeten en bij de voorruit was dit percentage zelfs 80%.".

3.5. Het in hoofdstuk 3 van het VR, inhoudende de eisen voor toelating tot de weg, opgenomen artikel 3.2.29, eerste lid, luidt: "Personenauto's die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van ruiten die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.".

3.6. De in dit artikel genoemde richtlijn 92/22/EEG is een richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende veiligheidsruiten en materialen voor ruiten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 129; hierna: de richtlijn).

3.7. De richtlijn bepaalt onder 9.1.4.1 van bijlage II A dat "de gewone lichtdoorlating als gemeten overeenkomstig punt 9.1.2 voor voorruiten niet minder dan 75 % en voor andere ruiten niet minder dan 70 % mag bedragen".

3.8. Art. 5.2.42 VR is opgenomen in hoofdstuk 5, dat inhoudt de permanente eisen waaraan voertuigen dienen te voldoen. De Nota van toelichting bij dit artikel houdt onder meer in: "Toegevoegd is de eis dat de ruiten niet mogen zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder beperken. Te denken valt daarbij aan stickers, lichtdoorlaatbaarheid beperkende folies of voor wat betreft de achterruit, jaloezie├źn die de achterruit dichtmaken.. Een en ander zal in lagere regelgeving nader kunnen worden ingevuld.".

3.9. Noch het Voertuigreglement, noch de op hoofdstuk 5 van dat reglement gebaseerde Regeling permanente eisen (Regeling van de minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 1998, Stcrt. 84) bevat een concrete uitwerking van hetgeen in art. 5.2.42, eerste en tweede lid, onder b, VR is verboden.

3.10. Vooropgesteld moet worden dat het aanbrengen van lichtdoorlaatbaarheid beperkende folie op de ruiten van een auto slechts een overtreding van artikel 5.2.42 VR oplevert indien als gevolg daarvan het uitzicht van de bestuurder wordt belemmerd. Het hof acht het noodzakelijk dat naar objectieve maatstaven wordt vastgesteld of daarvan sprake is. Naar het oordeel van het hof vormen de eisen die de richtlijn stelt aan de lichtdoorlaatbaarheid van de ruiten van motorvoertuigen daartoe een goed aanknopingspunt, aangezien ook deze beogen te waarborgen dat de bestuurder vanuit het voertuig voldoende zicht heeft.

3.11. Het hof is daarom van oordeel dat de op de autoruiten aangebrachte folie het zicht van de bestuurder belemmert indien als gevolg daarvan:

- de lichtdoorlaatbaarheid van de voorruit minder dan 75% bedraagt en/of

- de lichtdoorlaatbaarheid van een zijruit minder dan 70% bedraagt en/of

- de lichtdoorlaatbaarheid van de achterruit minder dan 70% bedraagt, terwijl de auto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel.

3.12. In het onderhavige geval is met behulp van een optisch meetinstrument, te weten een Tintman Photoptic Vehicle Tint Tester de lichtdoorlaatbaarheid van de van een folie voorziene voorste zijruit aan de linkerzijde van het voertuig gemeten. De wijze van meten en de meetresultaten zijn door de betrokkene niet aangevochten. Nu geen hogere lichttransmissie werd gemeten dan 9 % staat naar het oordeel van het hof vast, dat de gedraging is begaan.

3.13. Voor zover de betrokkene aanvoert, dat het aanbrengen van een folie ongeveer hetzelfde effect heeft als een zonnebril, miskent hij dat een zonnebril in het algemeen wordt gedragen in en gedurende incidentele - met bepaalde atmosferische omstandigheden samenhangende - omstandigheden, terwijl het aanbrengen van een folie een (semi-)permanent karakter heeft.

3.14. De beslissing van de kantonrechter zal derhalve worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.