Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV5114

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2006
Datum publicatie
15-03-2006
Zaaknummer
BK 483/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbendes werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en of het samenwerkingsverband tussen belanghebbende en haar echtgenoot ongebruikelijk is in de zin van artikel 3.6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (: de Wet).

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.6
Wet inkomstenbelasting 2001 3.76
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/35.14 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0535
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

lBELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 483/04 10 maart 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag over het jaar 2001 voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2001 een aanslag IB/PV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.134, -.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 10 mei 2004 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlagen), dat op 8 juni 2004 is ingekomen bij het hof. Bij brief (met bijlagen), ingekomen bij het hof op 21 september 2004, heeft belanghebbende haar beroepschrift aangevuld met de gronden van het beroep.

1.4. De inspecteur heeft op 21 oktober 2004 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.5. Partijen hebben vervolgens conclusies gewisseld, welke conclusies bij het hof zijn ingekomen op 24 januari 2005 en 21 februari 2005.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof, gehouden op 6 februari 2006 te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de heer drs. A als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1.7. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten:

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Belanghebbende is gehuwd met de heer B. Vanaf 1 oktober 1991 heeft de echtgenoot van belanghebbende met zijn zoon in firmaverband een transportbedrijf geëxploiteerd. Per 1 januari 1998 is de zoon uit de vennootschap onder firma getreden en is de heer B met belanghebbende een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam C v.o.f.. Belanghebbende heeft voor de vereiste diploma’s gezorgd. Het doel van het samenwerkingsverband is de uitoefening van een internationaal transportbedrijf. Het transportbedrijf werkt volledig in opdracht van D B.V.(hierna: D). D doet de planning van de ritten en maakt de facturen op voor haar cliënten.

2.2. In het jaar 2001 waren er vier chauffeurs in dienst en was er sprake van één oproepkracht. De echtgenoot van belanghebbende rijdt op Nederland, vier andere chauffeurs rijden op Duitsland.

2.3. De winstverdeling is 40% voor belanghebbende en 60% voor haar echtgenoot. Belanghebbende is ten aanzien van de inkomstenbelasting door de inspecteur aangemerkt als ondernemer.

2.4. Beide vennoten zijn beperkt (vertegenwoordigings)bevoegd. Voor handelingen die een bedrag boven ƒ 10.000, betreffen is de toestemming van beide vennoten vereist.

2.5. Belanghebbende houdt zich bezig met de administratie (onder meer loonadministratie), zij verzorgt de facturering voor de gemaakte ritten voor D, haalt en brengt chauffeurs, bereidt de jaarrekening voor, regelt het onderhoud van de vrachtwagens en verzorgt de externe contacten met financiers, leveranciers et cetera. Ook neemt zij het personeelsbeleid voor haar rekening. Verder doet zij boodschappen en wast zij vrachtauto’s. Met de planning van de ritten houdt zij zich niet bezig. De echtgenoot van belanghebbende is chauffeur. Hij rijdt 5 dagen per week, 13 uren per dag. Hij heeft meer dan een dagtaak aan deze ritten. Tijdens zijn ritten onderhoudt hij contact met de overige chauffeurs en met kantoor.

2.6. Belanghebbende en haar echtgenoot beslissen samen over de gang van zaken binnen het bedrijf en nemen gezamenlijk beslissingen over investeringen et cetera. In het onderhavige jaar is één vrachtwagen aangeschaft. Belanghebbende beschikt over diploma’s, die betrekking hebben op de onderneming. Zo beschikt zij over de Engelse versie van het vakdiploma grensoverschrijdend beroepsgoederenvervoer en de aantekening voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het jaar 2004 is de onderneming gereorganiseerd. Op deze reorganisatie heeft belanghebbende aangedrongen teneinde de onderneming overeind te houden. In samenspraak met de accountant en de regioconsulent van Transport en Logistiek Nederland heeft zij ontslagprocedures bij het CWI aanhangig gemaakt en ten uitvoer gebracht. Belanghebbende houdt zich meer met de bedrijfseconomische kant van de zaak bezig dan haar echtgenoot (zie de brief d.d. 1 november 2004 van de regioconsulent van Transport en Logistiek Nederland).

2.7. De inspecteur heeft bij het vaststellen van belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning over het jaar 2001 de door belanghebbende gevraagde zelfstandigenaftrek niet verleend.

3. Het geschil en de standpunten van partijen:

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbendes werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en of het samenwerkingsverband tussen belanghebbende en haar echtgenoot ongebruikelijk is in de zin van artikel 3.6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (: de Wet).

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend. Zij stelt onder meer dat haar werkzaamheden gelijkwaardig zijn aan die van haar echtgenoot en dat zij daardoor voldoet aan het urencriterium en recht heeft op de zelfstandigenaftrek.

3.3. Volgens de inspecteur is er sprake van ondersteunende werkzaamheden en van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. Derhalve is belanghebbende de zelfstandigenaftrek terecht onthouden.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen in de van hen afkomstige stukken alsmede mondeling ter zitting zijn aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge artikel 3.76, eerste lid, van de Wet geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt.

4.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van de Wet wordt onder urencriterium verstaan: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, indien:

a. de tijd die in totaal wordt besteed aan die ondernemingen en het verrichten van werkzaamheden in de zin van de afdelingen 3.3 en 3.4, grotendeels wordt besteed aan die ondernemingen of

b. de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onderdeel a, van genoemd artikel komen voor de toepassing van het eerste lid, aanhef, niet in aanmerking werkzaamheden ten behoeve van een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet en die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer met hem verbonden personen, indien de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in het onderhavige jaar ten minste 1225 uren besteed heeft aan werkzaamheden voor de transportonderneming.

4.4 Belanghebbende en haar echtgenoot zijn, naar – terecht - niet in geschil is, verbonden personen in de zin van artikel 3.6 van de Wet. Naar het oordeel van het hof rust op belanghebbende – naar uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3.6 van de Wet blijkt – de last te bewijzen dat de door haar verrichte werkzaamheden voor de toepassing van het eerste lid, aanhef, van artikel 3.6 van de Wet in aanmerking kunnen worden genomen. Het hof overweegt dat onderdeel a van het tweede lid uit twee cumulatieve uitsluitinggronden bestaat. De eerste is dat de werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en de tweede dat het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan.

4.5 Naar volgt uit de vaststaande feiten behelzen de (hoofd)activiteiten van het samenwerkingsverband tussen belanghebbende en haar echtgenoot de exploitatie van internationaal transportbedrijf. Gelet op de onder 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5 en 2.6 genoemde feiten, in hun onderlinge samenhang en verband bezien, is aannemelijk geworden dat belanghebbende kennis heeft van de gang van zaken in de onderneming, waaronder de hoofdwerkzaamheden, van de bedrijfsmiddelen, alsmede van de financiële positie. Verder is ook aannemelijk geworden dat belanghebbende een leidende rol heeft in de onderneming. Met hetgeen omtrent de reorganisatie is vermeld is aannemelijk dat belanghebbende op inhoudsvolle wijze mee beslist over het beleid van de maatschap en doorslaggevende stappen daarin zet. Zij staat op gelijke voet met haar echtgenoot. Dat de reorganisatie heeft plaatsgevonden in 2004 doet daaraan niet af aangezien niets erop wijst dat de positie van belanghebbende in het onderhavige jaar anders was. Uit voormelde brief blijkt eveneens dat belanghebbende in haar optreden naar buiten toe betrokken is bij beslissingen die voor reilen en zeilen van de onderneming van belang zijn. Alsdan ziet het hof niet in dat – ondanks het feit dat belanghebbende de planning niet voor haar rekening neemt - de feitelijke verdeling van soort werkzaamheden over belanghebbende en haar echtgenoot zodanig is dat die verdeling bij derden ongebruikelijk zou zijn. Met in achtneming van het vorenoverwogene is, naar het oordeel van het hof, niet voldaan aan de tweede uitsluitinggrond. Mitsdien behoeft het hof geen oordeel te geven of belanghebbende hoofdzakelijk werkzaamheden van ondersteunende aard verricht.

4.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep doel treft. De overige grieven van belanghebbende behoeven geen bespreking.

5. De proceskosten

Het hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Met in achtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt het hof de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 805, -.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.473, -;

gelast dat de Staat der Nederlanden het griffierecht van € 37,-- aan belanghebbende vergoedt;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van de belanghebbende voor een bedrag van € 805, -; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de belanghebbende moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 10 maart 2006 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer, plaatsvervangend lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde raadsheer en griffier.

Op 15 maart 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.