Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV3965

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
BK 815/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende bestrijdt in zijn beroepschrift een aantal correcties van de inspecteur, welke hij aanduidt met de letters a tot en met g.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/36.1.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 815/04 3 maart 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd voor het jaar 1995 met dagtekening 30 november 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 74.679,-.

Op het tijdig ingediende bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 30 juli 2004 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van

f 70.161,-.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, dat op 10 september 2004 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 14 februari 2005 (met bijlagen). De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 19 januari 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, alsmede namens de inspecteur Mr. A en de heer B. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de wederpartij hebben belanghebbende (bij zijn pleitnota) en de inspecteur nog enige stukken overgelegd.

Het hof heeft belanghebbende ter zitting in de gelegenheid gesteld de ter zake van de door hem afgetrokken pensioenpremie van f 11.268,- aannemelijk te maken. Daartoe heeft hij bij brief van 30 januari 2006 een kopie van een onderhandse akte van een oudedagslijfrente ingezonden. De inspecteur heeft daar op gereageerd bij brief, ingekomen op 10 februari 2006. Belanghebbende heeft hiervan een afschrift ontvangen. Partijen hebben er ter zitting toestemming voor gegeven dat daarna geen nieuwe mondelinge behandeling zou worden gehouden. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende, geboren op .. september 19.., gehuwd met C, is van beroep accountant-administratieconsulent en woont aan de a-straat .., 0000 YY te Z. Tot het gezin behoren in het jaar 1995 4 kinderen, in de leeftijd van 14, 19, 21 en 23 jaar.

2.2 Belanghebbende is vanaf 1 april 1990 als directeur in dienstbetrekking bij D BV. Het accountantskantoor is gevestigd te L, b-straat ... Hij genoot in 1995 een brutosalaris van f 71.732,-.

2.3 Daarnaast dreef belanghebbende tot 31 oktober 1992 een eenmanszaak genaamd "E", zijnde een kantoorboekhandel en de verhuur van een marktwagen. Deze onderneming is met geruis ingebracht in E Inc. E is eveneens gevestigd te L, b-straat ...

2.4 Vanaf het jaar 1992 vermeldt belanghebbende het resultaat van F in zijn aangiftebiljet als winst uit onderneming.

2.5 D BV is op 26 november 1980 door belanghebbende en G BV opgericht. Belanghebbende nam voor f 100,- deel in het aandelenkapitaal en G BV voor f 34.900,-. Op 30 juni 1989 heeft belanghebbende de aandelen D BV van G BV overgenomen. Op 18 november 1992 heeft belanghebbende alle aandelen van D BV verkocht aan H Inc.

2.6 H Inc. is opgericht op 12 november 1992. Het is een vennootschap met zelfstandige rechtspersoonlijkheid naar het recht van de staat Delaware in de Verenigde Staten. De onderneming is gemachtigd in totaal 1500 niet a pari uit te geven aandelen te emitteren. Bij de oprichting zijn 100 aandelen uitgegeven aan I Inc., c-straat .., 0000 YY M.

2.7 D BV heeft de pensioenverplichtingen ten behoeve van belanghebbende van G BV overgenomen in 1990. G BV is op 4 december 1990 failliet gegaan.

2.8 Zowel de echtgenote van belanghebbende als de drie oudste kinderen staan op de loonlijst van D BV.

2.9 Belanghebbende heeft vanaf het jaar 1989 jaarlijks bedragen aan zijn 4 kinderen geschonken. De bedragen zijn schuldig gebleven en staan gepassiveerd op de balansen van D BV. Jaarlijks wordt de schuld aan de kinderen verhoogd met een nieuwe schenking + rente. Belanghebbende heeft de op de lening bijgeboekte rente vastgesteld door uit te gaan van de rentevrijstelling. Vandaar dat hij voor de minderjarige kinderen andere rentebedragen in aanmerking heeft genomen dan voor zijn meerderjarige kinderen. De rente, zijnde 10 %, wordt jaarlijks ten laste van het resultaat van de BV geboekt. Het verschil tussen genoemde 10 % en de bij de kinderen bijgeboekte rente wordt ten laste van de winst van de BV geboekt onder de noemer financieringskosten.

2.10 Naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften tegen de aanslagen inkomsten- en vennootschapsbelasting over meerdere jaren is er een boekenonderzoek bij de vennootschap D BV ingesteld (voor het verslag van het boekenonderzoek -hierna het verslag- wordt verwezen naar de eveneens op 19 januari 2006 behandelde zaak vennootschapsbelasting 1990, BK 816/04).

2.11 De inspecteur heeft het belastbare inkomen, dat hij bij de uitspraak op bezwaar heeft becijferd op f 70.161,-, nader uiteengezet in zijn brief van 12 juli 2004 aan belanghebbende (bijlage 3 bij het aanvullende beroepschrift; hierna: de berekening).

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Belanghebbende bestrijdt in zijn beroepschrift een aantal correcties van de inspecteur, welke hij aanduidt met de letters a tot en met g. Deze correcties worden hierna zo aangegeven. De inspecteur is van opvatting dat het belastbare inkomen nader moet worden vastgesteld op f 68.263,-.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ten aanzien van correctie a.

Het hof heeft belanghebbende ter zitting in de gelegenheid gesteld de door hem afgetrokken pensioenpremie van f 11.268,- aannemelijk te maken. Daartoe heeft hij bij brief van 30 januari 2006 een kopie van een onderhandse akte van een oudedagslijfrente ingezonden. De inspecteur heeft daar op gereageerd bij brief, ingekomen op 10 februari 2006, die in afschrift naar belanghebbende is gegaan. Partijen hebben er ter zitting toestemming voor gegeven dat daarna geen nieuwe mondelinge behandeling zou worden gehouden. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift onder 6a en in genoemde brief, ingekomen op 10 februari 1996, gemotiveerd aangegeven dat geen bedrag aan pensioenpremie aftrekbaar is.

Uit de door belanghebbende ingezonden kopie kan niet worden opgemaakt dat het gaat om een pensioenregeling als bedoeld in artikel 11, lid 3, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1995). Er is immers onder meer geen enkele relatie gelegd met diensttijd en beloning.

Er kan ook geen aftrek als premie voor lijfrente worden verleend, omdat D BV geen verzekeraar is als genoemd in artikel 45, lid 5, van de Wet (tekst 1995).

Belanghebbende, op wie de bewijslast rust voor de aftrek, heeft geen feiten aannemelijk gemaakt die tot een ander oordeel moeten leiden.

4.2 Ten aanzien van correctie b.

De inspecteur heeft in zijn verweerschrift onder 6a gemotiveerd aangegeven dat hij in de berekening nog f 452,- te veel aan huisvestingskosten heeft meegenomen. Belanghebbendes tegenwerpingen zijn onvoldoende duidelijk en onvoldoende gemotiveerd om hier anders over te denken. Hij heeft met name niet aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan het "grotendeels-criterium" van artikel 8b, lid 1, onder a, van de Wet, zodat geen kosten in aftrek gebracht hadden mogen worden.

4.3 Ten aanzien van correctie c.

De inspecteur heeft in zijn verweerschrift onder 6c, gelezen in samenhang met pagina 19 van het verslag, gemotiveerd aangegeven dat hij in de berekening mogelijk f 400,- te veel aan rente minderjarige kinderen heeft bijgeteld. Belanghebbendes tegenwerpingen op andere punten zijn onvoldoende duidelijk en onvoldoende gemotiveerd om te oordelen dat de gemotiveerde correcties niet gehandhaafd zouden moeten worden.

4.4 Ten aanzien van correctie d.

De inspecteur heeft onder punt 6d van zijn verweerschrift aangegeven dat alsnog rekening moet worden gehouden met een aftrekpost ter zake van meer hypotheekrente van f 1.680,-.

4.5 Ten aanzien van correctie e.

Uit de door belanghebbende overgelegde urenstaat voor de jaren 1996 en 1997 (bijlage 5 bij het beroepschrift) kan niet worden geconcludeerd dat belanghebbende in het onderhavige jaar in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek.

4.6 Ten aanzien van correctie f.

De inspecteur heeft in zijn verweerschrift onder 6f gemotiveerd aangegeven dat geen bedrag aan rentevrijstelling aftrekbaar is. Het hof volgt de inspecteur hierin. Belanghebbendes tegenwerpingen zijn onvoldoende duidelijk en onvoldoende gemotiveerd om hier anders over te denken.

4.7 De inspecteur heeft rekening houdend met de correcties b, c en d geconcludeerd dat het belastbare inkomen nader moet worden vastgesteld op f 68.263,-. Het hof komt dit juist voor.

4.8 Voor zover belanghebbende nog andere correcties heeft willen betwisten heeft te gelden dat hij deze onvoldoende heeft aangeduid.

4.9 Gelet op het voorgaande moet worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het gerechtshof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het hof bepaalt deze kosten op € 19,20 aan reiskosten. Omdat sprake is van 4 samenhangende zaken (BK 812/04 tot en met 815/04) zal in onderhavige zaak 1/4 van voormeld bedrag moeten worden vergoed door de Staat der Nederlanden ofwel € 4,80.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 68.263,-;

gelast dat de Staat der Nederlanden belanghebbende betaalde griffierecht ad € 37,- aan hem vergoedt;

veroordeelt de inspecteur tot betaling aan de belanghebbende van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 4,80,- en

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 3 maart 2006 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Robben en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 8 maart 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.