Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV1876

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
15-02-2006
Zaaknummer
WAHV 05-01170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Termijn bekendmaking inleidende beschikking; Wettelijke termijn is vier maanden. In casu is de inleidende beschikking ruim acht maanden na de constatering van de gedraging naar de betrokkene verzonden. De WAHV verbindt geen gevolgen aan overschrijding van de in art. 4, tweede lid, voorgeschreven termijn. Overschrijding van voormelde wettelijke termijn behoort slechts dan tot vernietiging van de inleidende beschikking te leiden indien de betrokkene door de overschrijding rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang. Het voorgaande brengt mee dat het enkele feit dat de in art. 4, tweede lid, WAHV gestelde termijn is overschreden, niet zonder meer tot een processueel gevolg dient te leiden. Voor een vermoeden van rechtswege dat de betrokkene door overschrijding van de termijn rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang, bieden de tekst van de wet, de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie geen enkel aanknopingspunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2006/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/01170

25 januari 2006

CJIB 79069924423

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Zwolle-Lelystad

van 6 september 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zwolle-Lelystad ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 125,- opgelegd ter zake van "de doorgetrokken streep overschrijden tussen rijstroken/op paden met verkeer in beide richtingen naar links", welke gedraging zou zijn verricht op 27 januari 2004 om 07:50 uur op de Gelderse weg te Zeewolde.

3.2. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat de officier van justitie en de kantonrechter ten onrechte geen gevolg hebben gegeven aan het verzoek van de gemachtigde om toezending van stukken, in het bijzonder het zaakoverzicht van het CJIB. Hij stelt dat hierdoor de artikelen 7:18, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) respectievelijk artikel 11, vierde lid WAHV zijn geschonden. Voorts stelt de gemachtigde dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden nu de bij artikel 4, tweede lid, WAHV gestelde termijn voor de bekendmaking van de beschikking is overschreden. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de bekendmakingstermijn van rechtswege het vermoeden vestigt dat de betrokkene rechtstreeks in een rechtens te beschermen belang is geschaad. Dientengevolge ligt het volgens de gemachtigde op de weg van de advocaat-generaal dit vermoeden te weerleggen.

3.3. Uit de stukken van het geding blijkt dat de gemachtigde in zijn beroepschrift van 16 november 2004 de officier van justitie heeft verzocht om een hoorzitting. Daarbij heeft hij tevens verzocht om toezending van het "proces-verbaal (zaakoverzicht)", voorafgaand aan de hoorzitting. Bij brief van 26 januari 2005 heeft de gemachtigde dit verzoek herhaald. Bij brief van 28 april 2005, gericht aan de officier van justitie, heeft de gemachtigde beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Daarbij heeft hij opnieuw verzocht om toezending van het proces-verbaal. Uit de stukken van het geding blijkt niet de officier van justitie op de verzoeken van de gemachtigde om toezending van het proces-verbaal heeft gereageerd.

3.4. De kantonrechter heeft, in reactie op de klacht van de gemachtigde dat niet is voldaan aan zijn verzoek om toezending van stukken, het volgende overwogen: "(...) de onderhavige procedure is niet bedoeld om betrokkene van allerlei informatie te voorzien die betrekking heeft op de in de inleidende beschikking vermelde snelheidsovertreding. Daarvoor had betrokkene zich direct na ontvangst van de beschikking kunnen wenden tot de Politie Flevoland die onderhavige gedraging geconstateerd heeft. Anders gezegd, er bestaat voor betrokkene geen controlerecht. Slechts indien hij in zijn beroepschrift gemotiveerd aangeeft waarom de vermeende gedraging hem ten onrechte wordt verweten, kan er voor de officier van justitie aanleiding zijn een nader onderzoek in te stellen naar de gang van zaken rond de totstandkoming van de beslissing.".

3.5. Voor zover de kantonrechter hiermee heeft willen aangeven, dat de betrokkene niet kan vergen, dat hem eerst stukken worden toegezonden, voordat hij zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking formuleert, is dit juist. De inleidende beschikking bevat zowel ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vgl. Hof Leeuwarden 26 januari 2005, LJN AS8373). De officier van justitie heeft in de onderhavige zaak niet wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid afgezien van het horen van de (gemachtigde van de) betrokkene. In een dergelijk geval geldt het volgende.

3.6. Ingevolge artikel 7:18, tweede en derde lid, Awb worden door de officier van justitie het aan hem gerichte beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende minstens een week voor belanghebbenden ter inzage gelegd en wordt bij de oproeping voor het horen vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. Voorts kunnen belanghebbenden ingevolge artikel 7:18, vierde lid, Awb van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

3.7. Het hof heeft eerder geoordeeld dat het openbaar ministerie ook buiten het bepaalde in artikel 7:18 Awb aan de betrokkene op diens verzoek stukken waarin het bewijs van de gedraging besloten ligt, - met name het zaakoverzicht en indien aanwezig de foto's van de gedraging -, tegen betaling van ten hoogste de kosten kan doen toekomen, waardoor mogelijk het horen van de betrokkene achterwege kan blijven. In ieder geval dient door de officier van justitie op een verzoek om toezending van bewijs te worden gereageerd (vgl. WAHV 02/01144, LJN: AF7658).

3.8. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:22 Awb kan de kantonrechter, niettegenstaande een verzuim om aan de hiervoor bedoelde verplichtingen te voldoen, de beslissing van de officier van justitie in stand laten - en het beroep in zoverre ongegrond verklaren - indien blijkt dat de betrokkene daardoor niet is benadeeld.

3.9. In het licht van het onder 3.6. tot en met 3.8. overwogene is de motivering die de kantonrechter ten grondslag heeft gelegd aan de verwerping van de klacht van de gemachtigde onbegrijpelijk. Reeds om deze reden kan de beslissing van de kantonrechter geen stand houden. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

3.10. Uit de stukken van het geding blijkt dat de officier van justitie naar aanleiding van het beroepschrift van de gemachtigde nader onderzoek heeft ingesteld. De verbalisant heeft in dat kader een aanvullend proces-verbaal d.d.

6 januari 2005 opgesteld. Aan de gemachtigde is op 12 januari 2005 verzocht de gronden van het beroep op te geven. Bij brief van 26 januari 2005 heeft de gemachtigde formele gronden opgegeven en gesteld dat hij geen inhoudelijke gronden kon opgeven omdat niet aan zijn verzoek om toezending van het proces-verbaal was voldaan. De gemachtigde is bij brief van 8 februari 2005 opgeroepen voor de hoorzitting van de officier van justitie op 4 maart 2005. Daarbij is hem medegedeeld dat de op de zaak betrekking hebbende stukken van 11 februari 2005 tot en met 25 februari 2005 ter inzage zouden worden gelegd. De gemachtigde is niet verschenen op de hoorzitting.

3.11. Het hof stelt vast dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de hoorzitting van de officier van justitie en dat de stukken conform artikel 7:18 Awb ter inzage zijn gelegd. De officier van justitie heeft echter ten onrechte niet gereageerd op de herhaalde verzoeken van de gemachtigde om toezending van het proces-verbaal.

3.12. Met in achtneming van het overwogene onder 3.8. hoeft voormeld verzuim niet tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie te leiden.

3.13. In aanmerking genomen dat de gemachtigde van de betrokkene behoorlijk voor de zitting van de kantonrechter is opgeroepen, dat de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaande aan de zitting ter inzage hebben gelegen, dat de betrokkene noch zijn gemachtigde ter zitting is verschenen, dat evenmin om aanhouding van de behandeling is gevraagd zodat het ervoor moet worden gehouden dat de betrokkene en zijn gemachtigde ervoor hebben gekozen om het standpunt mondeling niet nader toe te lichten, en dat de advocaat-generaal ten behoeve van de gemachtigde bij zijn verweerschrift het door de gemachtigde gevraagde zaakoverzicht van het CJIB heeft gevoegd, kan de beslissing van de officier van justitie in stand worden gelaten, nu niet gezegd kan worden dat de betrokkene daardoor wordt benadeeld.

3.14. Artikel 4, tweede lid, WAHV houdt - voor zover hier van belang - het volgende in: "Zo mogelijk wordt aanstonds een aankondiging van de beschikking uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt, of wordt deze achtergelaten op het motorrijtuig. De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister. (...)".

3.15. Blijkens de stukken van het geding is de betrokkene op 27 januari 2004 staandegehouden. Bij die gelegenheid is een aankondiging van beschikking aan hem uitgereikt. De inleidende beschikking is op 17 maart 2004 verzonden. Uit het verweerschrift van de advocaat-generaal blijkt dat bij de administratieve verwerking van de gegevens van het brondocument een fout is gemaakt waardoor de inleidende beschikking en twee aanmaningen zijn verzonden naar het adres [adres] in plaats van naar [ander adres] Na GBA-verificatie is de inleidende beschikking op 5 oktober 2004 alsnog naar het juiste adres verzonden. Derhalve is de inleidende beschikking ruim acht maanden na de constatering van de gedraging naar de betrokkene verzonden.

3.16. De wet verbindt geen rechtsgevolg aan overschrijding van de in artikel 4, tweede lid, WAHV voorgeschreven termijn. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 10 mei 1994 (nr. 275-93-V, NJ 1994/672) heeft overwogen moet worden aangenomen dat de wetgever met de opneming van een termijn in artikel 4, tweede lid, WAHV heeft beoogd onaanvaardbare vertraging bij de oplegging van de sanctie en de daartegen in de WAHV voorziene procedures tegen te gaan. Overschrijding van bedoelde termijn behoort slechts dan tot vernietiging van de inleidende beschikking te leiden indien de betrokkene door de overschrijding rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang. In het arrest van 16 december 1997 (nr. 393-97-V, VR 1998/76) heeft de Hoge Raad overwogen dat daarvan sprake zal zijn indien de sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder ter zake van een op kenteken geconstateerde gedraging en de inleidende beschikking de betrokkene eerst bereikt op een zodanig tijdstip dat hij redelijkerwijs niet meer geacht kan worden te kunnen nagaan op welke gedraging die beschikking betrekking had.

3.17. Het voorgaande brengt mee dat het enkele feit dat de in artikel 4, tweede lid, WAHV gestelde termijn is overschreden, niet zonder meer tot een processueel gevolg dient te leiden. Voor een vermoeden van rechtswege dat de betrokkene door overschrijding van de termijn rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang, zoals de gemachtigde ingang wil doen vinden, bieden de tekst van artikel 4, tweede lid, WAHV, de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie geen enkel aanknopingspunt.

3.18. De gemachtigde heeft gesteld dat de betrokkene door de vermelde termijnoverschrijding rechtstreeks is geschaad doordat hij redelijkerwijs niet meer in staat was zich tegen de inleidende beschikking te verweren. Daargelaten dat de gemachtigde zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, faalt dit betoog reeds omdat de betrokkene is staande gehouden en hem bij die gelegenheid is medegedeeld welke gedraging hem werd verweten. Blijkens de toelichting van de verbalisant op de aankondiging van beschikking heeft de betrokkene door overschrijding van de doorgetrokken streep een verkeersdrempel willen omzeilen en heeft hij daarover tegenover de verbalisant verklaard: "dat doe ik altijd".

3.19. Nu de gemachtigde de gedraging als zodanig niet heeft betwist, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de officier van justitie bevestigen met aanvulling van gronden.

3.20. Aangezien het hof het beroep tegen de beslissing van de kantonrechter gegrond heeft verklaard en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie heeft bevestigd, is er aanleiding tot vergoeding van de helft van de proceskosten in hoger beroep.

3.21. De gemachtigde heeft in hoger beroep de volgende proceshandelingen verricht: indiening van het hoger beroepschrift en indiening van een reactie op het verweerschrift. Aan het indienen van het beroepschrift moet één punt te worden toegekend. De reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal moet worden beschouwd als repliek (= 1/2 punt). Blijkens de Bijlage bij het Besluit is de waarde per punt Euro 322,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van Euro 120,75 (= 11/2 punt x Euro 322,- x 1/2 : 2).

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het ingestelde beroep gegrond;

bevestigt de beslissing van de officier van justitie;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van Euro 120,75.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.