Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV1872

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
15-02-2006
Zaaknummer
WAHV 05-01399
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 26a WAHV; De betrokkene heeft met de deurwaarder een afbetalingsregeling getroffen, waarmee het CJIB akkoord is gegaan. Voorgaande betekent niet dat aan de verplichting tot zekerheidstelling in hoger beroep is voldaan. De inhoud van het dossier omtrent de financiële situatie van de betrokkene en de omstandigheid dat het griffierecht drievierde deel in debet is gesteld brengt echter mee dat er aanleiding zou zijn geweest de betrokkene in de gelegenheid te stellen het bedrag aan zekerheid te voldoen op een wijze die in overeenstemming is met zijn draagkracht.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2006/171
JWR 2006/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/01399

19 januari 2006

CJIB 69605408

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te Roermond

van 20 september 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr. J.H.M. Verstraten, gevestigd te Venlo.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 13 april 2005 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen beschikkingen als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.

3.2. Bij brief van 11 oktober 2005 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) te Leeuwarden. Tevens is de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling griffierecht te betalen. Een brief van de griffier van de rechtbank van 4 november 2005 aan de griffier van het hof houdt in dat de betrokkene het verschuldigde griffierecht heeft betaald en omtrent de zekerheidstelling een betalingsregeling heeft getroffen.

3.3. Uit de stukken van het geding blijkt dat de betrokkene bij zijn verzetschrift d.d. 27 april 2005 een "Verklaring omtrent inkomen en vermogen" met bijlagen heeft gevoegd. Op grond daarvan is het griffierecht ten behoeve van de behandeling van het verzet en ten behoeve van de procedure in hoger beroep voor drie vierde deel in debet gesteld. Voorts blijkt dat de gerechtsdeurwaarder de betrokkene bij brief van 23 september 2005 heeft bericht dat zijn cliënt (zijnde het CJIB) ter zake van de vordering op de betrokkene akkoord is gegaan met het treffen van een betalingsregeling. De eerste betaling van Euro 50,- diende op 10 november 2005 in het bezit van de gerechtsdeurwaarder te zijn. Uit een brief d.d. 9 december 2005 van de gerechtsdeurwaarder aan het CJIB blijkt dat de betrokkene op die datum de gehele vordering had voldaan.

3.4. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat de betrokkene een betalingsregeling heeft getroffen met de gerechtsdeurwaarder er niet aan afdoet dat hij met betrekking tot de zekerheidstelling in verzuim was, aangezien de zekerheidstelling dient plaats te vinden bij het CJIB en niet bij de gerechtsdeurwaarder.

3.5. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de zekerheidstelling dient te geschieden door storting van het nog verschuldigde bedrag en de kosten op de rekening van het CJIB en niet bij de gerechtsdeurwaarder. De zekerheidstelling ten behoeve van het hoger beroep moet immers onderscheiden worden van de voldoening van een schuld bij de gerechtsdeurwaarder die is belast met de invordering daarvan. Aan een en ander kan niet afdoen, dat het CJIB als schuldeiser met een betalingsregeling is akkoord gegaan. Het reeds aan de deurwaarder betaalde bedrag strekt immers slechts tot vermindering van het verschuldigde bedrag en al de kosten als bedoeld in art. 26a, tweede lid, WAHV. De inhoud van het dossier omtrent de financiële situatie van de betrokkene en de omstandigheid dat het griffierecht om die reden voor drievierde deel in debet is gesteld brengt echter mee, dat er tevens aanleiding zou zijn geweest de betrokkene in de gelegenheid te stellen het bedrag aan zekerheid te voldoen op een wijze die in overeenstemming is met zijn draagkracht. Aannemelijk is dat de betrokkene - ten onrechte - heeft gemeend dat door de inmiddels getroffen betalingsregeling met de gerechtsdeurwaarder was voldaan aan de verplichting tot zekerheidsstelling en om die reden niet heeft gereageerd op de brief van de griffier van de rechtbank omtrent het verschuldigde bedrag aan zekerheidstelling met een beroep op zijn geringe draagkracht. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de betrokkene met betrekking tot de zekerheidstelling in verzuim was en is er in beginsel aanleiding om de betrokkene in hoger beroep alsnog in de gelegenheid te stellen de zekerheid te voldoen op een wijze die in overeenstemming is met zijn draagkracht. Aangezien de betrokkene de vordering van de deurwaarder inmiddels volledig heeft betaald en het CJIB daarvan in kennis is gesteld, kan dit achterwege worden gelaten en kan de betrokkene in zijn hoger beroep worden ontvangen.

3.6. Met betrekking tot de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel heeft de gemachtigde aangevoerd dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd. De Rijksdienst voor het Wegverkeer heeft op grond van registercontrole vastgesteld dat het keuringsbewijs van het voertuig, waarvan het kenteken op naam van de betrokkene stond geregistreerd, op de controledatum zijn geldigheid had verloren. De betrokkene was op het tijdstip van de gedraging echter gedetineerd in Duitsland zodat hij voor die gedraging niet aansprakelijk kan worden gehouden. De betrokkene was feitelijk niet bij machte om aan de keuringsverplichting te voldoen dan wel schorsing van het kenteken te bewerkstelligen. De detentieperiode duurde van 27 augustus 2001 tot en met 10 mei 2004.

3.7. Blijkens het commentaar van het CJIB d.d. 28 juni 2005 is de inleidende beschikking op 7 oktober 2004 verzonden naar het adres waarop de betrokkene sinds 24 juni 2004 stond ingeschreven. De betrokkene heeft hiertegen geen beroep ingesteld, zodat de beschikking onherroepelijk is geworden. Op 24 december 2004 en op 16 februari 2005 zijn aanmaningen verzonden. Geen van de poststukken is als onbestelbaar geretourneerd. Aangezien de betrokkene het bedrag van de sanctie en de verhogingen niet heeft betaald, heeft de officier van justitie het dwangbevel uitgevaardigd. Door en namens de betrokkene zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat hij de inleidende beschikkingen en de aanmaningen niet heeft ontvangen.

3.8. Op grond van het overwogene onder 3.7 is het hof van oordeel dat de officier van justitie het dwangbevel terecht heeft uitgevaardigd. Dit brengt mee dat het hof niet toekomt aan een beoordeling van de rechtmatigheid van de inleidende beschikking. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter bevestigen.

3.9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld is er geen aanleiding tot vergoeding van kosten.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beschikking van de kantonrechter;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkstra, Poelman en Weenink in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.