Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV0511

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
Rolnummer 0200266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding huurovereenkomst vanwege wanbetaling en niet toegestane horeca-activiteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 januari 2006

Rolnummer 0200266

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr S.A. Roodhof,

tegen

Stichting Orvelte,

gevestigd te Westerbork, gemeente Midden-Drenthe,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: de Stichting,

procureur: mr P.R. van den Elst.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 4 mei 2005 wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

Ingevolge 's hofs tussenarrest van 4 mei 2005 hebben beide partijen nog een conclusie na enquête genomen.

Ten slotte zijn de processtukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. In het tussenarrest van 7 april 2004 is aan [appellant] te bewijzen opgedragen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hem, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.5 van de huurovereenkomsten, namens de Stichting is toegezegd dat hij in het

gehuurde horeca-activiteiten mag ontwikkelen.

2. Ter voldoening aan die bewijsopdracht heeft [appellant] twee getuigen voor-gebracht, te weten de heren [getuige 1] en [getuige 2]. In contra-enquête heeft de Stichting vier getuigen laten horen, te weten de heren [getuige a],

[getuige b] en [getuige c] en mevrouw [getuige d].

3. Door de getuige [getuige 1] is - voor zover hier van belang - verklaard:

"... Tijdens de onderhandelingen die [getuige 2] en ik met [appellant] voerden over de verhuur van [adres 1] hebben wij tegen [appellant] gezegd dat hij in die ruimte, dus in de bijschuur, overdag personen kon zetten aan wie hij dan de door hem bereide slagerijproducten kon voorzetten met een broodje en een drankje, zoals een kopje koffie, thee, wijn of een pilsje. [getuige 2] en ik hebben voorts aangegeven dat [appellant] de mogelijkheid had om 's-avonds in de bijschuur groepen te ontvangen om demonstraties te geven van het maken van salades. Daarbij was het ook de bedoeling dat de aldus gemaakte producten door de bezoekers konden worden genuttigd in de bijschuur en de binnenplaats. In welke omvang die activiteiten plaats zouden mogen vinden is niet door mij aan de orde gesteld ..."

De getuige [getuige 2] heeft vervolgens verklaard:

"...Nadat de huurovereenkomst met betrekking tot [adres 2] was tot stand gekomen zijn er onderhandelingen begonnen over de verhuur aan [appellant] van de bijschuur [adres 2]. Wij, [getuige 1] en ik, hebben hem de schuur te huur aangeboden en daar mocht hij beperkte horeca-activiteiten in ontplooien, in die zin dat hij in die bijschuur slagerijproducten van eigen fabrikaat en uit zijn winkel mocht serveren..."

4. Het hof acht, gelet op de door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen, zoals hiervoor weergegeven, bezien in samenhang met de inhoud van de door de beide getuigen ondertekende brief van 15 mei 2001, gericht aan de advocaat van [appellant] (productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie), [appellant] geslaagd in het van hem verlangde bewijs.

Hetgeen door de in contra-enquête gehoorde getuigen op dit punt is verklaard, doet aan dit oordeel niet af. Geen van hen is immers aanwezig geweest bij de besprekingen welke [getuige 1] en [getuige 2] met [appellant] hebben gevoerd.

Het hof is voorts van oordeel dat de door [getuige 1] en [getuige 2] gedane toe-zeggingen omtrent het toestaan van horeca-activiteiten door [appellant] in redelijkheid opgevat konden en mochten worden als toezeggingen zijdens de verhuurder. [getuige 1] noch [getuige 2] hebben immers, zoals blijkt uit de door hen als getuigen afgelegde verklaringen, in de gesprekken met [appellant] duidelijk kenbaar gemaakt dat zij slechts onderhandelaars waren maar dat het bestuur uiteindelijk zou beslissen. Onder deze omstandigheden moet de Stichting geacht worden aan de door [getuige 1] en [getuige 2] ter zake gedane toezeggingen jegens [appellant] te zijn gebonden.

5. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat het [appellant] vanuit het gehuurde aan de [adres 2] was toegestaan horeca-activiteiten te ontplooien. Die activiteiten waren echter, zoals blijkt uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], wel toegesneden op en ook beperkt tot de door [appellant] in dat pand aan te bieden slagerijproducten van eigen fabrikaat en vanuit zijn winkel aan de [adres 2]. Toegestaan was daarbij de gasten, waaronder ook passanten, ter plaatse een drankje (koffie, thee, wijn of bier) te serveren. Dat dit laatste uitsluitend zou gelden voor cursisten of bezoekers van tentoonstellingen blijkt niet uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2].

6. Tot de aan [appellant] toegestane beperkte horeca-activiteiten behoren naar het oordeel van het hof echter uitdrukkelijk niet de activiteiten waarvan gewag wordt gemaakt in de door [appellant] geplaatste advertentie in de consumentenbrochure van de VVV Midden-Drenthe (productie 14 bij conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie). De in die advertentie genoemde activiteiten kunnen immers niet, zelfs niet zijdelings, geacht worden van doen te hebben met de door [appellant] in het pand [adres 2] te ontplooien activiteiten als hiervoor onder 5 omschreven. [appellant] heeft ook niet ontkend dat hij zijn activiteiten daartoe heeft uitgebreid, maar stelt dat zulks noodzakelijk was om een zodanige omzet te kunnen realiseren dat hij daardoor in staat was de huurprijs en de kosten van verbouwing en inrichting te kunnen betalen.

7. Nu op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] enerzijds de omvang van de aan [appellant] toegestane horeca-activiteiten is komen vast te staan en anderzijds [appellant] niet heeft ontkend dat hij zijn activiteiten heeft uitgebreid tot die welke zijn omschreven in de hiervoor bedoelde advertentie in de VVV-consumentenbrochure, is naar 's hofs oordeel genoegzaam gebleken dat

[appellant] aldus de grenzen van hetgeen hem uit hoofde van de huurovereenkomst en op basis van de toezeggingen van [getuige 1] en [getuige 2] wel was toegestaan, ruimschoots heeft overschreden. Voor nadere bewijslevering aan de zijde van de Stichting bestaat derhalve, anders dan in rechtsoverweging 6 van het tussenarrest d.d. 7 april 2004 in het vooruitzicht gesteld, dan ook geen aanleiding meer.

8. De bovenbedoelde handelwijze van [appellant] moet worden aangemerkt als een ernstige tekortkoming in zijn uit de huurovereenkomst met betrekking tot het pand [adres 2] voortvloeiende verplichtingen. Van de Stichting als verhuurster kan in redelijkheid niet verwacht worden die handelwijze van [appellant] te accepteren.

Dit geldt evenzeer voor wat betreft het betalingsgedrag van [appellant] ten aanzien van de huurprijs. Door de Stichting is onvoldoende weersproken gesteld dat

[appellant] meermalen huurachterstanden heeft doen ontstaan, welke niet dan na een incasso- of gerechtelijke procedure door [appellant] werden aangezuiverd.

Het verweer van [appellant] dat zijn betalingsgedrag is beïnvloed doordat de Stichting hem dwarsboomde bij het ontplooien van zijn horeca-activiteiten, wordt verworpen. Wat van dit laatste ook zij, de Stichting heeft immers voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] ook meerdere keren de huur van het pand [adres 2] onbetaald heeft gelaten, terwijl ten aanzien van dat pand de perikelen rond de uitoefening van horeca door [appellant] geen rol speelden.

9. Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat [appellant] zodanig tekort is geschoten in zijn uit de beide huurovereenkomsten met betrekking tot [adres 2] en [adres 2] voortvloeiende verplichtingen, dat ontbinding van die huurovereenkomsten is gerechtvaardigd. De vorderingen van de Stichting zijn derhalve toewijsbaar. Voor toewijzing van de reconven-tionele vordering van [appellant] is geen plaats.

Slotsom

10. De grieven falen. Het bestreden vonnis van de kantonrechter, zowel in conventie als in reconventie gewezen, dient te worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (3 procespunten, tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 10 juni 2002 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Stichting op Euro 193,-- aan vast recht, op Euro 56,-- aan getuigentaxe en op Euro 2.682,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Zuidema, voorzitter, Makkinga en Falkena, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 januari 2006.