Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AV0204

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
BK 851/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende tot het voormelde bedrag van ƒ50.520,- terecht een beroep kan doen op de landbouwvrijstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/31.2.4
FutD 2006-0197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Belastingkamer Gerechtshof te Leeuwarden Uitspraak

Nr. 851/03 20 januari 2006

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Noord/ kantoor Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd in de inkomstenbelasting voor het jaar 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (hierna te noemen: de Wet) door de inspecteur aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ1.507.969,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 29 september 2003 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 6 november 2003 is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 26 januari 2004.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden heeft het hof belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden, welke conclusie van repliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 30 november 2004 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de inspecteur.

De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke conclusie van dupliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 21 december 2004 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 5 september 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende mr A, bijgestaan door de heer B, zomede de inspecteur, bijgestaan door een medewerker van zijn eenheid.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde een pleitnota en de inspecteur een tweetal pleitnota's voorgedragen en overgelegd.

Van alle en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, het volgende tussen partijen vast:

Belanghebbende dreef onder meer gedurende het jaar 2000 te Z een melkveehouderij, waarvan het boekjaar loopt van 1 mei t/m 30 april daaropvolgend.

Op 7 februari 2000 heeft belanghebbende met de gemeente C een koopovereenkomst gesloten onder meer voor wat betreft het recht van erfpacht op een perceel grond ter grootte van 2.94.10 hectare tegen een koopsom van ƒ235.000,--, welk perceel grond werd geleverd bij notariële akte van 15 december 2000.

Het erfpachtsrecht van het perceel grond werd door belanghebbende om niet verkregen op 1 december 1977 van de Stichting D (hierna: D) voor de duur van 26 jaren.

De erfpachtovereenkomst wordt mede geregeerd door het Besluit uitgiftevoorwaarden Grond bank zoals gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant (hierna: het Besluit) van 26 mei 1976, nummer 101.

Ten tijde van de aankoop van het erfpachtsrecht van het perceel grond door de gemeente C heeft deze mede de bloot-eigendom van dat perceel verworven. Het perceel grond zal op termijn door de gemeente C worden aangewend in een bestemming buiten de landbouw.

Tussen partijen is overeenstemming bereikt omtrent de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van het perceel grond ten tijde van de verwerving daarvan door belanghebbende in december 1977 van ƒ19.999,-.

Bij het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld, dat de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van het erfpachtsrecht ƒ70.519,- bedroeg in verband waarmee hij aanspraak maakte op de landbouwvrijstelling tot het verschil tussen dit bedrag en voormeld bedrag van ƒ19.999,- ofwel tot een bedrag van ƒ50.520,-.

Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur naast enige thans niet in geschil zijnde correcties het aangegeven belastbare inkomen verhoogd met voormeld bedrag van ƒ50.520,- en dit bepaald op ƒ1.507.969,-, waarbij hij zich op het standpunt stelde dat de landbouwvrijstelling in zoverre niet van toepassing is.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende tot het voormelde bedrag van ƒ50.520,- terecht een beroep kan doen op de landbouwvrijstelling.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is - voorzover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in de schriftelijke stukken van zijn zijde en mondeling ter zitting:

Op grond van artikel 2, leden 2 en 3, van het Besluit kon hij in 2000 nog aanspraak maken op een erfpachtsrecht gedurende 17 jaren.

Bovendien bestond tot in het jaar 2000 bij D het beleid, dat erfpachters de bloot-eigendom van de grond konden kopen voor 60% van de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming, waaruit valt af te leiden, dat de waarde van het erfpachtsrecht is te stellen op 40% van die waarde ofwel voor het onderwerpelijke perceel 40% van ƒ60.000,-, zijnde ƒ24.000,- per hectare, hetgeen leidt tot een waarde van het erfpachtsrecht van het perceel van ƒ70.519,-.

Er zijn hem geen gevallen bekend, waarin de aankoop van de bloot-eigendom door D werd geweigerd.

Onjuist is het subsidiaire standpunt van de inspecteur, dat het recht op koop van het erfpachtsrecht vergeleken zou kunnen worden met een zogenaamd pachtersvoordeel en buiten de landbouwvrijstelling zou moeten blijven.

Het is onjuist te stellen, dat het recht om te kopen zou kunnen worden afgesplitst en dat daaraan een afzonderlijke waarde zou kunnen worden toegekend

Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van het belastbare inkomen met ƒ50.520,- , zomede tot een veroordeling van de inspecteur in de kosten van de bezwaar- en beroepsprocedure.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover - voorzover ter deze van belang, kort samengevat - aangevoerd in de schriftelijke stukken van zijn zijde en mondeling ter zitting:

Nu het erfpachtsrecht nog slechts drie jaren zou lopen is daaraan geen hogere waarde toe te kennen dan ƒ5.346,-, zodat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de landbouwvrijstelling.

De mogelijkheid tot koop of automatische verlenging geldt niet voor de koper als dit een willekeurige derde is, doch deze mogelijkheid is uitsluitend voorbehouden aan de oorspronkelijke erfpachter of een bedrijfsopvolger zoals bedoeld in het Besluit.

Bij wijze van subsidiair standpunt voert hij aan, dat mogelijkheid tot koop alleen is voorbehouden aan de erfpachter, zodat dit voordeel aan belanghebbende toekomt in de uitoefening van het bedrijf en dit voordeel analoog aan het pachtersvoordeel niet onder landbouwvrijstelling valt.

Hij concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

Naar het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder letter b, van de Wet behoren niet tot de winst voordelen uit landbouwbedrijf terzake van waardeveranderingen van gronden, behoudens voorzover de waardeverandering in de uitoefening van bedrijf is ontstaan of verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend.

Het is in overeenstemming met de strekking van voormelde wetsbepaling deze bepaling toe te passen ten aanzien van waardeverandering van in erfpacht uitgegeven grond, waarop door de erfpachter een landbouwbedrijf wordt uitgeoefend voorzover de waardeverandering haar invloed doet gelden op de waarde van dat zakelijke recht.

Tussen partijen is niet in geschil, dat de waarde in het economische verkeer, bij agrarische bestemming ten tijde van het verkrijgen door belanghebbende van het erfpachtsrecht

ƒ19.999,- bedroeg, maar zij verschillen van mening over die waarde ten tijde van de verkoop van dat erfpachtsrecht in 2000.

De inspecteur laat zich daarbij in zijn standpuntbepaling, waarbij hij uitgaat van een waarde van ƒ5.346,--, leiden door zijn stelling, dat het erfpachtsrecht toen nog een looptijd van slechts drie jaren had.

Belanghebbende voert daartegenover aan, dat hij op grond van de erfpachtsovereenkomst nog aanspraak kon maken op een looptijd van zeventien jaren, zomede op de omstandigheid, dat op grond van die overeenkomst en het beleid van de D, althans tot 2000, de mogelijkheid bestond de bloot-eigendom van de grond tegen 60% van de vrije waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming aan te kopen.

Op grond van een en ander verdedigt belanghebbende een waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van het erfpachtsrecht op 40% van die waarde van ƒ60.000,- per hectare - welke laatstbedoelde waarde door de inspecteur niet is weersproken - ofwel voor het perceel op ƒ70.519,-.

Nu de door belanghebbende gestelde mogelijkheden ten tijde van de verkoop van het erfpachtsrecht kennelijk feitelijk tot het geheel van rechten en verplichtingen van dat erfpachtsrecht behoorden, acht het hof de berekening van de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van het erfpachtsrecht van het perceel grond van ƒ70.519,- aannemelijk.

Het hiervoor overwogene vindt voor het hof zijn bevestiging in de omstandigheid, dat de gemeente C, die ten tijde van de aankoop van belanghebbende van het erfpachtsrecht - één en ander naar vaststaat - ook al de beschikking had over de bloot- eigendom van dat perceel, toch bereid bleek aan belanghebbende voor het erfpachtsrecht een bedrag van ƒ235.000,- te betalen, hetgeen een onwaarschijnlijk bedrag zou zijn als die gemeente daarbij zou zijn uitgegaan van een looptijd van dat erfpachtsrecht van nog slechts drie jaren, doch wel waarschijnlijk is bij een te verwachten looptijd van dat erfpachtsrecht zoals door belanghebbende verdedigd. Opmerking verdient in dit verband mede, dat belanghebbende onweersproken heeft gesteld, dat geen gevallen bekend zijn waarbij de D niet bereid bleek de bloot-eigendom aan de erfpachter te verkopen tegen 60% van de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming.

Door de inspecteur is subsidiair nog aangevoerd, dat de mogelijkheid tot koop voor de erfpachter is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf, zodat het voordeel daaruit niet kan delen in de landbouwvrijstelling.

Het hof volgt de inspecteur niet in dat standpunt.

De bedoelde mogelijkheid tot koop maakt onderdeel uit tot het geheel van rechten en verplichtingen, zoals dat verbonden is aan het erfpachtsrecht en geeft - zoals uit het voorgaande is af te leiden - aan dat erfpachtsrecht kennelijk een meerwaarde, welke - zoals in casu - in het economische verkeer is te realiseren.

Deze meerwaarde van dat erfpachtsrecht deelt alsdan, indien ook aan de overige voorwaarden daartoe is voldaan, in de landbouwvrijstelling.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie, dat de waardestijging van het perceel grond van ƒ19.999,- tot ƒ 70.519,--, ofwel ƒ50.520,- onder de landbouwvrijstelling valt, zodat het beroep gegrond is en het belastbare inkomen moet worden bepaald op ƒ1.457.449,-

(€ 661.362,-).

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt op € 1.610,-, welk bedrag dient te worden betaald door de Staat der Nederlanden.

Belanghebbende heeft mede verzocht om een veroordeling van de inspecteur in de kosten van de bezwaarprocedure.

In het bezwaarschrift heeft hij om een dergelijke veroordeling evenwel niet gevraagd, terwijl evenmin gebleken is, dat hij dit verzoek heeft gedaan voordat de inspecteur uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, één en ander als bedoeld in het derde lid van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht, terwijl de inspecteur bij de bestreden uitspraak evenmin een beslissing heeft gegeven met betrekking tot de kosten van de bezwaarprocedure.

Onder deze omstandigheden moet belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek tot een kostenveroordeling in de bezwaarprocedure.

7. De beslissing:

Het hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ1.457.449,-

(€ 661.362,-);

bepaalt dat het betaalde griffierecht ad € 31,- aan belanghebbende wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;

veroordeelt de inspecteur tot een vergoeding in de kosten van de procedure ad € 1.610,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot een kostenveroordeling van de bezwaarprocedure.

Aldus vastgesteld op 20 januari 2006 door prof. mr. Aardema, vice-president en voorzitter, mr Drion, raadsheer en prof. dr. Dijstelbloem, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het

openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier mr

De Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 25 januari 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.