Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AU9911

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
19-01-2006
Zaaknummer
BK 710/04 Loonbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur de onder 2.5 genoemde boete terecht heeft opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 710/04 13 januari 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag met boete in de loonbelasting/premie volksverzekeringen voor het tijdvak 1 januari 2000 t/m 31 december 2002 met aanslagnummer 0000.00.000.A.01.2500.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werden genoemde naheffingsaanslag van € 2.514,- aan belasting en een boete van € 384,- opgelegd met dagtekening 24 december 2003. De aankondiging van de boete heeft plaatsgehad bij brief van 10 september 2003. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 22 juli 2004 de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak (alleen wat betreft de boete) in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 4 augustus 2004 is ingekomen.

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het hof van 7 november 2005. Aldaar is verschenen en gehoord namens de inspecteur mevrouw A. Namens belanghebbende is (met schriftelijk bericht van verhindering van 3 november 2005) niemand verschenen. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Over (onder meer) het onderhavige tijdvak is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld, waarvan het rapport is gedateerd op 6 augustus 2003.

2.2 Belanghebbende vormt samen met B B.V. en C B.V. een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Het bestuur van belanghebbende wordt gevormd door twee directieleden, de heer D, tevens directeur van B B.V., en de heer E.

2.3 Belanghebbende verstrekte aan E een vaste kostenvergoeding. Deze bedroeg in 1998 f 200,- per maand, van januari 1999 tot en met april 2000 f 250,- per maand en van mei 2000 tot en met december 2002 f 400,- per maand. Er was geen cijfermatige onderbouwing voor deze vergoedingen aanwezig.

2.4 Op deze vergoedingen heeft de inspecteur een correctie toegepast voor de periode mei 2000 tot en met december 2002 van f 150,- per maand.

2.5 De inspecteur heeft tegelijk met de naheffingsaanslag een boete opgelegd van 25 percent van de nageheven belasting in verband met de correctie genoemd onder 2.4, ofwel € 384,-.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur de onder 2.5 genoemde boete terecht heeft opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Op belanghebbende rust de last om aannemelijk te maken dat de onder 2.3 genoemde vaste kostenvergoeding van f 400,- per maand wat betreft de omvang ervan reëel is.

4.2 Belanghebbende is er naar de opvatting van de inspecteur niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de omvang van deze kostenvergoeding meer dient te bedragen dan de inspecteur heeft toegestaan (f 250,- per maand). Belanghebbende heeft ter zake geen beroep aangetekend.

4.3 De inspecteur heeft een boete opgelegd van 25% (Zie 2.5).

Belanghebbende heeft hiertegen wel beroep ingesteld. Naar het oordeel van het hof had belanghebbende moeten beseffen dat voor de vaste kostenvergoeding een deugdelijke administratieve onderbouwing noodzakelijk is. Nu aangenomen moet worden dat belanghebbende hiervoor geen zorg heeft gedragen, is het aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat zij bij controle niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de door haar betaalde kostenvergoeding van f 400,- per maand reëel was. Naar het oordeel van het hof is het derhalve aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is betaald. Het hof acht de opgelegde boete (zie 2.5) dan ook in beginsel passend en geboden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr 37 984, BNB 2005/337 c*, V-N 2005/22.6, overweegt het hof ambtshalve dat sinds de aankondiging van de boete tot de onderhavige uitspraak ongeveer 2 jaren en 4 maanden zijn verstreken. De overschrijding van de termijn van in beginsel twee jaar tussen aankondiging en uitspraak van het hof met 4 maanden acht het hof echter gelet op de cijfermatige ingewikkeldheid van de zaak niet onredelijk. Er is derhalve geen reden om de boete te verminderen.

4.4 Belanghebbende heeft zich nog beroepen op eerdere boekenonderzoeken. Haar opmerkingen ter zake zijn echter te weinig concreet om daaruit te kunnen afleiden (mede gelet op hetgeen de inspecteur daartegen heeft aangevoerd op bladzijde 3 van het verweerschrift) dat zij mocht aannemen dat de onderhavige kwestie toen op zijn fiscale merites is beoordeeld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

4.5 Belanghebbende heeft in haar brief van 3 november 2005 (genoemd onder 1) nog vermeld dat de controlerend ambtenaar F in het gebouw van de belastingdienst in elk geval tijdens het boekenonderzoek op dezelfde kamer zat als de heer G, die het beroep behandelde en dat er dus geen sprake was van een onbevooroordeelde beroepsgang. Volgens de inspecteur heeft G niet het beroep behandeld, maar uitspraak gedaan op bezwaar.

Hoe dan ook, naar het oordeel van het hof is het op één kamer zitten op zichzelf geen reden om aan te nemen dat er geen sprake is van een onbevooroordeelde beroepsgang.

4.6 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 13 januari 2006 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. H.S. Pruiksma, vice-president, en mr. dr. C.L. van Lindonk, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 18 januari 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.