Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AU9652

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
17-01-2006
Zaaknummer
0400457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Krachtens artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst (zie onder 2.3 van de vaststaande feiten) diende [geïntimeerde] zijn lease-auto en de brandstofpas "ingeval van arbeidsongeschiktheid langer dan twee maanden, op non-actief stelling van de werknemer en ontslag op staande voet" de lease-auto op eerste verzoek van Ventus in te leveren. [geïntimeerde] kan, krachtens datzelfde artikel, in dat geval "geen aanspraak maken op enig(e) schadeloosstelling of een vervangende auto/brandstofpas."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 4 januari 2006

Rolnummer 0400457

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Ventus Management BV,

gevestigd te Heerenveen,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Ventus,

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr P. Tuinman.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen d.d. 20 november 2003 en in de vonnissen uitgesproken op 14 april 2004 en 30 juni 2004 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 28 september 2004 is door Ventus hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen d.d. 14 april 2004 en d.d. 30 juni 2004 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 13 oktober 2004.

Bij memorie van grieven, tevens bevattende een vermeerdering van eis, zijn producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

"het is op deze gronden dat Ventus Uw Gerechtshof verzoekt te vernietigen de vonnissen tussen partijen gewezen op 14 april 2004 en 30 juni 2004 door de Rechtbank Leeuwarden, sector Civiel, afdeling Handesrecht onder zaak- en rolnummer 61503 HA ZA 03-913 en opnieuw rechtdoende bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

In conventie

- [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze te ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedures in conventie in beide instanties;

In reconventie

- te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] vanaf 2 augustus 2002 tot 1 november 2003 heeft gehandeld in strijd met artikel 4 lid 3 van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst door op het schriftelijke verzoek van Ventus d.d. 30 juli 2003 niet over te gaan tot onmiddelijke afgifte van de lease-auto;

- [geïntimeerde] vanwege deze tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen, danwel vanwege het feit dat hij jegens Ventus onrechtmatig handelde, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de door Ventus dientengevolge geleden schade over de periode vanaf 2 augustus 2002 tot 1 november 2003 ad EUR 35.263,58, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de verschillende vervaldata, althans vanaf 18 september 2003, tot aan het moment van algehele voldoening aan Ventus te betalen;

- [geïntimeerde] in de kosten van de procedures in reconventie in beide instanties te veroordelen."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"In principaal appèl:

In conventie

De vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden tussen partijen gewezen op 14-04-2004 en 30-06-2004 te bekrachtigen onder veroordeling van Ventus in de kosten van beide instanties.

In reconventie

Ventus niet ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen in hoger beroep af te wijzen onder veroordeling van Ventus in de kosten van beide instanties.

In incidenteel appèl:

In conventie en reconventie

De vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden d.d. 14-04-2004 en 30-06-2004 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de conventionele vordering tot veroordeling van Ventus tot betaling aan [geïntimeerde] van het bedrag ad euro 10.840,72 vermeerderd met de wettelijke rechte en Ventus alsnog in haar reconventionele vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen, onder veroordeling van Ventus in de kosten van beide instanties."

Door Ventus is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"het is op deze gronden dat Ventus Uw Gerechtshof verzoekt bij arrest uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel appèl, althans zijn vorderingen in incidenteel appèl af te wijzen, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Ventus heeft in het principaal appel vier grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. [geïntimeerde] heeft tegen de vermeerdering van eis op zichzelf geen bezwaar gemaakt, zodat het hof zal uitgaan van de vordering van Ventus, zoals die na vermeerdering van eis (in appel) luidt, nu de eisen van een goede procesorde zich daartegen niet verzetten.

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 2 (2.1 t/m 2.5) van het beroepen vonnis d.d. 14 april 2004 is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.

Voorts staat, als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, tussen partijen ook het volgende genoegzaam vast:

- [geïntimeerde] heeft zijn lease-auto per 1 november 2003 ingeleverd.

- Krachtens artikel 4.4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is de leaseregeling van Ventus op het ter beschikking stellen van de lease-auto aan [geïntimeerde] van toepassing. De regeling (zie productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie) bepaalt onder 6.1.2 het volgende: "Voor auto's geleasd door medewerkers geldt een normkilometrage. Dot normkilometrage wordt jaarlijks vastgesteld (thans 37.500 km per jaar), maar wijzigt tijdens de looptijd van het contract niet."

- De leaseprijs is - krachtens het bepaalde in artikel 6.1.3 van genoemde leaseregeling - onder meer gebaseerd op de normkilometrage.

- [geïntimeerde] heeft in de periode van 30 augustus 2002 tot 29 augustus 2003 ruim 44.000 (94.800 - 50.071) kilometer met zijn lease-auto gereden.

- De leasemaatschappij heeft Ventus in verband met de extra (boven de normkilometrage) door [geïntimeerde] gereden kilometers een bedrag groot euro 5.785,26 in rekening gebracht.

3. Het hof stelt voorop dat Ventus in de onderhavige procedure noch in eerste aanleg noch in hoger beroep (opnieuw) ter discussie heeft gesteld of het op 26 juli 2002 aan [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet als statutair directeur ook het einde van de tussen partijen bestaand hebbende arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft gehad. Het hof zal er derhalve - met partijen - voor de beoordeling van het onderhavige geschil van hebben uit te gaan dat de arbeidsovereenkomst welke tussen partijen heeft bestaan eerst op 1 november 2003 (krachtens de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter te Heerenveen d.d. 3 oktober 2003) is geëindigd.

Met betrekking tot grief 1 in het principaal appel en grief 1 in het incidenteel appel:

4. De grieven richten zich tegen hetgeen de rechtbank (in de beide beroepen vonnissen) heeft overwogen en beslist inzake de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW. Ventus meent dat de verhoging op nihil, althans op 10 % dient te worden vastgesteld. [geïntimeerde] daarentegen acht de volledige verhoging (50 %) op zijn plaats.

5. Gelet op de omstandigheden van het geval, waarbij zwaar weegt hetgeen hieronder met betrekking tot de lease-auto zal worden overwogen, oordeelt het hof een matiging van de wettelijke verhoging tot nihil op zijn plaats.

6. De grief van Ventus treft derhalve doel. De grief van [geïntimeerde] faalt.

Met betrekking tot grief 2 in het principaal appel:

7. De grief richt zich tegen de beslissing van de rechtbank (in het eindvonnis) dat, zolang ten behoeve van [geïntimeerde] geen extra pensioenstorting wordt betaald door Ventus, de kosten van de lease-auto aan beide partijen ieder voor de helft wordt toegerekend en wel zolang als de arbeidsovereenkomst voortduurt.

8. Voorop staat dat niet de uitgangspunten ten tijde van de onderhandelingen tussen partijen in deze beslissend zijn, doch hetgeen partijen uiteindelijk zijn overeengekomen en hebben neergelegd in de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst. Bij de vaststelling van de betekenis daarvan komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van die overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

9. Krachtens artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst (zie onder 2.3 van de vaststaande feiten) diende [geïntimeerde] zijn lease-auto en de brandstofpas "ingeval van arbeidsongeschiktheid langer dan twee maanden, op non-actief stelling van de werknemer en ontslag op staande voet" de lease-auto op eerste verzoek van Ventus in te leveren. [geïntimeerde] kan, krachtens datzelfde artikel, in dat geval "geen aanspraak maken op enig(e) schadeloosstelling of een vervangende auto/brandstofpas."

10. Uit niets blijkt dat bij partijen op enigerlei wijze de bedoeling heeft voorgezeten dat [geïntimeerde] alsdan (volledige) compensatie zou worden geboden door een andere (secundaire) arbeidsvoorziening op te hogen. Nu Ventus zich uitdrukkelijk verzet tegen de door [geïntimeerde] voorgestane uitleg van de arbeidsovereenkomst c.a. rust de bewijslast van de (impliciet door [geïntimeerde] geponeerde) stelling, dat deze bedoeling desondanks wel bij partijen heeft voorgezeten, op [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft terzake echter geen enkel bewijsaanbod gedaan, zodat het hof aan die stelling voorbij zal gaan.

11. De grief treft derhalve eveneens doel.

Met betrekking tot grief 3 in het principaal appel:

12. In het licht van de vaststaande feiten heeft [geïntimeerde] in te staan voor de schade welke Ventus lijdt tengevolge van het feit dat [geïntimeerde] zich niet heeft gehouden aan de tussen partijen overeengekomen normkilometrage.

13. Dat de extra factuur (productie 11 bij memorie van grieven in het principaal appel) van de lease-maatschappij daarmee verband houdt, ligt voor de hand. De betreffende factuur is van 7 april 2003 en kan dus niet - zoals [geïntimeerde] suggereert - verband houden met het tussentijds "afkopen" van de leaseovereenkomst, nu immers vaststaat dat [geïntimeerde] de auto eerst op 1 november 2003 heeft ingeleverd. Zulks klemt temeer nu uit productie 13 (bij memorie van grieven in het principaal appel af) valt af te leiden dat [geïntimeerde] in de periode van 28 september 2002 tot 3 april 2003 (ongeveer 6 maanden) ongeveer 22.000 km (75.658 - 53.670) met de lease-auto heeft gereden. Dat gegeven relativeert overigens ook het verweer van [geïntimeerde] dat in de periode september 2002 tot september 2003 twee zomervakanties zijn begrepen.

14. Het hof verwerpt derhalve hetgeen [geïntimeerde] op dit punt ten verwere heeft aangevoerd en oordeelt deze schadepost van Ventus toewijsbaar.

15. De grief treft doel.

Met betrekking tot de grieven 2 en 3 in het incidenteel appel:

16. De grief richt zich tegen de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan de term "arbeidsongeschiktheid" in meergenoemd artikel 4.3 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

17. Ook bij de beantwoording van de vraag wat partijen terzake in de arbeidsovereenkomst hebben willen regelen, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten.

18. De rechtbank heeft onder 8.2 van het vonnis van 14 april 2004 het begrip arbeidsongeschiktheid duidelijk en gemotiveerd uitgelegd, daarbij aansluiting zoekend bij de betekenis die aan het begrip toekomt in zowel het BW (artikel 7:629 lid 1) als in de WAO (artikel 71 a). Het hof verenigt zich met deze overwegingen en neemt die over. Weliswaar is een zuiver grammaticale uitleg in casu niet doorslaggevend, maar nu de term gebruikt is in een arbeidsovereenkomst rust op [geïntimeerde] een verzwaarde stelplicht ten aanzien van het door hem verdedigde standpunt dat partijen bij het aangaan van de onderhavige arbeidsovereenkomst een ander begrip voor ogen heeft gestaan dan hetgeen in wetgeving terzake arbeidsovereenkomsten in de regel met dat begrip wordt bedoeld. Dat partijen apart aandacht aan bedoelde bepaling en het daarin voorkomende begrip "arbeidsongeschiktheid" hebben besteed is echter gesteld noch gebleken en [geïntimeerde] heeft ook voor het overige zijn stelling dat met deze term is bedoeld "arbeidsongeschiktheid nadat er een jaar is verstreken" op geen enkele wijze van enige onderbouwing voorzien. Hetgeen [geïntimeerde] in dat kader heeft aangevoerd terzake van zijn ex-collega [ex-collega], kan niet als zodanig gelden. Allereerst is door [geïntimeerde] niet gesteld dat ook in de tussen Ventus en genoemde [ex-collega] gesloten arbeidsovereenkomst een soortgelijke bepaling is opgenomen. Ventus betwist zulks met nadruk en dat zulks wel het geval zou zijn is niet gebleken. Daarenboven komt aan een (eventuele) afwijking van een contractuele regeling in het geval [ex-collega], weinig tot geen zeggingskracht toe met betrekking tot het onderhavige geval. Juist ingeval van een individuele arbeidsovereenkomsten kan een werkgever meerdere redenen hebben om bij een bepaalde werknemer de teugels meer te laten vieren dan bij een andere.

19. Nu [geïntimeerde] terzake onvoldoende heeft gesteld, komt het hof aan bewijslevering - als door [geïntimeerde] aangeboden - niet toe.

20. De grieven falen.

Met betrekking tot grief 4 in het principaal appel:

21. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, treft ook deze grief - die zich richt tegen de kostenveroordeling in eerste aanleg - doel.

Met betrekking tot de vermeerdering van eis:

22. Ventus heeft haar vordering tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden tengevolge van het feit dat [geïntimeerde] de lease-auto niet op 2 augustus 2002 doch eerst op 1 november 2003 heeft ingeleverd inmiddels definitief begroot op euro 35.263,58.

Naar het hof uit de als productie 13 bij memorie van grieven overgelegde specificatie begrijpt gaat het daarbij om de kosten van de lease-auto, welke in eerste aanleg tot 1 juli 2003 waren begroot op euro 20.782,71 (zie productie 6 bij de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie), over de kosten van de lease-auto van 1 juli 2003 t/m 1 november 2003 en over de extra in rekening gebrachte kosten terzake van de overschrijding van de normkilometrage (zie hiervoor grief 3 in het principaal appel).

Bedoelde specificatie is voldoende inzichtelijk en komt geenszins onjuist of onredelijk voor. Het verweer terzake van [geïntimeerde] is aantoonbaar onjuist (de afrekening ziet niet op de afkoop van het lease-contract) en voor het overige niet gemotiveerd en zal derhalve door het hof worden gepasseerd.

Slotsom:

23. De grieven in het principaal appel treffen doel. De incidentele grieven falen. Het beroepen vonnis d.d. 14 april 2004 zal - onder verbetering van gronden - worden bekrachtigd. Het beroepen vonnis d.d. 30 juni 2004 zal - voorzover in conventie gewezen - worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van die procedure in eerste aanleg (salaris procureur: 2 punten, tarief 2). Het beroepen vonnis d.d. 30 juni 2004 zal - voorzover in reconventie gewezen - , behoudens de daarbij gegeven verklaring voor recht, om procestechnische redenen eveneens worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal de vordering van Ventus, als nader gespecificeerd in hoger beroep, worden toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van die procedure in eerste aanleg (salaris procureur: 2,5 punten, tarief 3). [geïntimeerde] zal - als de in het ongelijk te stellen partij - eveneens de kosten van het hoger beroep hebben te dragen (salaris procureur 1,5 punt, tarief 2).

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 14 april 2004, onder verbetering van gronden;

vernietigt het vonnis van 30 juni 2004 voorzover in conventie gewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in conventie in eerste aanleg, tot op heden begroot op nihil aan verschotten en op euro 780,-- aan salaris voor de procureur;

bekrachtigt het vonnis d.d. 30 juni 2004 voor wat betreft de daarbij in reconventie gegeven verklaring voor recht;

vernietigt bedoeld vonnis, voorzover in reconventie gewezen, voor het overige;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Ventus van een bedrag groot euro 35.263,58 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de verschillende vervaldata (als blijkend uit het door Ventus als productie 13 bij memorie van grieven geproduceerde overzicht;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in reconventie in eerste aanleg, tot op heden begroot op nihil aan verschotten en op euro 1.247,50 aan salaris voor de procureur;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in het principaal en in het incidenteel hoger beroep, tot op heden begroot op euro 455,40,-- aan verschotten en op euro 1.341,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Streppel en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 4 januari 2006.