Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU8945

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-12-2005
Datum publicatie
05-01-2006
Zaaknummer
24-001463-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat de opzet van de verdachte gericht is geweest op de dood van het slachtoffer. Immers, gelet op de toestand waarin verdachte en zijn mededader verkeerden en de wetenschap omtrent het door de mededader gehanteerde mes, heeft de verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat mede als gevolg van zijn handelen het slachtoffer zou komen te overlijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001463-05

Arrest van 30 december 2005 van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden van

7 juli 2005 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord, HvB Groningen te Groningen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank te Leeuwarden heeft de verdachte bij haar vonnis ter zake van medeplegen van doodslag veroordeeld tot een straf, beslist op de vordering van benadeelde partij, de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de vordering wijziging tenlastelegging ex artikel 314a, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, welke wijziging de rechtbank heeft toegelaten. De inhoud van de gewijzigde tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het medeplegen van moord zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft zij gevorderd dat de vordering van benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 7.984,87, de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd en de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden zal worden toegewezen.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde moord, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof vindt in het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat bij de verdachte sprake is geweest van een besluit waarover hij zich heeft beraden, dan wel de gelegenheid heeft gehad om zich daarover te beraden ten aanzien van de betekenis en de gevolgen daarvan.

Bewijsoverweging

Het hof realiseert zich dat getuigenverklaringen, die zijn afgelegd onder omstandigheden als in deze zaak, met de nodige behoedzaamheid moeten worden gebezigd.

Het gaat immers om een zeer schokkende gebeurtenis, die plaatsvindt omstreeks half 6 in de ochtend in een uitgaanscentrum. Enerzijds betreft het derhalve getuigen die nog op zijn na een doorwaakte nacht en bij wie ofwel het gebruik van alcohol en/of drugs vaststaat of vermoed - althans niet uitgesloten - kan worden. Anderzijds betreft het getuigen die van het lawaai wakker zijn geworden en plotseling worden geconfronteerd met de gebeurtenissen of een deel daarvan. Al deze factoren kunnen een negatief effect hebben op de mate waarin de inhoud van de verklaringen van getuigen overeenstemt met hetgeen zich daadwerkelijk heeft afgespeeld.

Het hof verklaart bewezen dat de mededader van verdachte het slachtoffer door messteken om het leven heeft gebracht. In zoverre is door en namens de verdachte geen verweer gevoerd. De verdachte erkent dat (mede) door zijn toedoen ruzie is ontstaan tussen hemzelf en zijn mededader enerzijds en het slachtoffer en diens vriend [vriend] anderzijds. Hij erkent tevens dat hij, na een zogenaamde rustpauze in de onenigheid, van de getuige [getuige 1/vriend] diens fietsslot heeft afgepakt en met hem de confrontatie is aangegaan. Hij ontkent echter enige betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de dood van het slachtoffer.

Verdachte ontkent een mes te hebben gezien bij zijn mededader en te hebben waargenomen dat door de mededader een mes is gehanteerd.

Het hof is op grond van de bewijsmiddelen ervan overtuigd dat het niet anders kan dan dat de verdachte heeft gezien dat de mededader een mes bij zich had en heeft gebruikt.

Het hof grondt een en ander op de verklaring van de getuige [getuige 2], de exploitant van [horecagelegenheid]. Hij heeft verklaard dat verdachte en zijn mededader samen agressief waren en in zijn zaak op zoek waren naar ruzie met een jongen en een meisje en dat op een gegeven moment, waar verdachte bij was, de mededader een mes heeft laten zien aan die jongen, die met dat mes is verwond. Ook de getuige [getuige 3], in [horecagelegenheid] aanwezig, merkt op dat verdachte betrokken is geweest bij een ruzie met een klant, van wie hem later bleek dat hij gewond was.

Voorts is blijkens de verklaring van getuige [getuige 1/vriend] reeds voorafgaand aan de steekpartij, tijdens de eerste fase van de ruzie, door verdachtes mededader een mes getoond en daarover gesproken. Voorts plaatst de getuige [getuige 4] verdachte zo dicht bij het begin van de steekpartij, dat het niet anders kan of hij moet het mes hebben opgemerkt.

Ook in het licht van hetgeen het hof eerder heeft opgemerkt ten aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen in een zaak als de onderhavige, komt het hof tot de conclusie dat de verklaring van de verdachte dat hij het mes niet heeft opgemerkt, volstrekt ongeloofwaardig is.

De verdachte heeft voorts ontkend, dat hij het slachtoffer heeft geslagen met het fietsslot, zoals door onder meer de getuige [getuige 5] wordt verklaard, dan wel dat hij het slachtoffer heeft geschopt, zoals de getuige [getuige 1/vriend] heeft verklaard. In zijn visie is hij slechts langs het slachtoffer gelopen, toen deze op de grond lag, heeft hij niet gezien dat deze gestoken was, maar heeft hij alleen bloed aan diens hoofd gezien en is in paniek weggelopen. Zijn mededader zou hem daarna hard lopend hebben ingehaald in de Oosterstraat.

Zowel echter uit de verklaring van de getuige [getuige 1/vriend] als uit de verklaring van de getuige [getuige 5] volgt dat verdachte, nadat de steken door de mededader zijn toegediend en het slachtoffer op de grond ligt, zich naar het slachtoffer heeft begeven en tegen hem geweld in enige vorm heeft gepleegd. Ook de omstandigheid, dat op de linkermouw van de door verdachte gedragen jas bloed van het slachtoffer is aangetroffen, kan daardoor worden verklaard. Het hof acht bovendien - onder meer op grond van de verklaring van de getuige [getuige 6] - bewezen dat verdachte en zijn mededader gezamenlijk zijn vertrokken van de plaats van het delict, in tegenstelling tot hetgeen verdachte ingang wil doen vinden.

Het hof hecht ook betekenis aan de verklaring van getuige [getuige 7], waarin zij verklaart dat verdachte bij thuiskomst verklaarde ruzie te hebben gehad en dacht dat hij iemand vermoord had, en aan de pogingen van verdachte zich te ontdoen van mogelijke sporen op zijn kleding en aan het zich ontdoen van zijn schoenen en van het fietsslot.

Het hof acht bewezen dat verdachte de doodslag als ten laste gelegd heeft medegepleegd, hoewel hij zelf geen steken heeft toegebracht aan het slachtoffer. Verdachte heeft onder invloed van een grote hoeveelheid drank en van cocaïne gezamenlijk met zijn mededader ruzie gezocht, zowel in een eerder stadium van de nacht als met het slachtoffer en diens vriend [vriend]. Verdachte heeft, wetende dat zijn mededader een mes bezat en hanteerde, niet ingegrepen door zijn mededader tegen te houden. Integendeel, hij heeft [vriend] verhinderd zijn vriend te hulp te komen, terwijl hij na de steekpartij geweld heeft gepleegd tegen het op dat moment reeds weerloze slachtoffer.

Het hof acht bewezen dat de opzet van de verdachte gericht is geweest op de dood van het slachtoffer. Immers, gelet op de toestand waarin verdachte en zijn mededader verkeerden en de wetenschap omtrent het door de mededader gehanteerde mes, heeft de verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat mede als gevolg van zijn handelen het slachtoffer zou komen te overlijden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 24 september 2004 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft zijn mededader met dat opzet meermalen met een mes in het hart en de borst en de longen en de linkernier en de buik en de rug en elders in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair:

medeplegen van doodslag

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het opleggen van de straf rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn mededader hebben, na een buitensporige hoeveelheid alcohol te hebben ingenomen en mede onder invloed van cocaïne, zich omstreeks vijf uur 's ochtends nog naar de binnenstad begeven om nieuwe voorraad drank te halen. Zij hebben eerst ruzie gezocht in de zaak waar zij bier hebben aangeschaft. Daarbij is door de mededader van de verdachte een mes gehanteerd waardoor iemand aan zijn hand gewond is geraakt. Het lijkt erop dat op dat moment groter onheil is voorkomen, doordat de personen met wie ruzie werd gezocht niet hebben gereageerd op de agressie van verdachte en zijn mededader.

Buiten gekomen is door verdachte blijkens zijn verklaring een bierflesje op straat kapot gegooid. Daarover zou een opmerking zijn gemaakt door het latere slachtoffer, [slachtoffer]. Dat was voldoende aanleiding voor verdachte en zijn mededader om hun agressie op [slachtoffer] en diens vriend te richten. Nadat het aanvankelijk leek dat een eind was gekomen aan de vechtpartij zonder dat iets onherstelbaars was gebeurd, is plotseling zonder enige aanleiding sprake van een escalatie, waarbij de mededader van verdachte als een dolle met een mes veertien keer insteekt op [slachtoffer], die ten gevolge daarvan is overleden.

Daarmee is aan de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht, dat ongetwijfeld door de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de dood is teweeggebracht zwaarder weegt dan alleen het verlies van een dierbare.

Maar ook de samenleving is ernstig geschokt door deze extreme vorm van door drank en drugs opgewekt uitgaansgeweld. Het lijkt erop dat iedere aanleiding voor verdachte en zijn mededader, hoe futiel ook, genoeg is geweest om hun samengebalde agressie bot te vieren op wie dan ook.

Het onvoorspelbare en de waanzin van de gebeurtenis hebben de gevoelens van onveiligheid vergroot en schokken ook nu nog, meer dan een jaar later, de Leeuwarder gemeenschap.

Het hof acht onbegrijpelijk, dat verdachte en/of zijn mededader, na wat zij hadden aangericht eerst nog de blikjes bier, die waren gevallen, hebben opgeraapt en meegenomen.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister eerder veroordeeld ter zake van onder meer mishandeling, poging tot zware mishandeling en overtreding van de opiumwet.

Uit de rapporten van de psychiater B.T. Takkenkamp, d.d. 16 november 2004, en de psycholoog J. de Hoop, d.d. 8 december 2004 vloeit voort, dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht, nu uit het onderzoek naar de persoon van de verdachte niet anders blijkt dan een afhankelijkheid van alcohol en cocaïne. Onder invloed van die middelen is het feit gepleegd door deze tot agressie geneigde man. Dat middelengebruik en de daarmee gepaard gaande agressie heeft er onder meer toe geleid, dat de moeder van zijn zoontje met het kind in januari 2004 bij verdachte is weggegaan. Het heeft er tevens toe geleid, dat zijn moeder, zoals zij tegenover de politie heeft verklaard, bang was voor haar eigen zoon.

Het spreekt vanzelf, dat slechts een vrijheidstraf van lange duur in deze zaak op zijn plaats is.

De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van veertien jaren geëist ter zake van medeplegen van moord. Een straf van die lengte acht het hof niet op zijn plaats, omdat het niet bewezen heeft geacht dat er sprake is van moord.

De rechtbank heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van acht jaren. Daarbij heeft zij de rol van de beide verdachten tegen elkaar afgewogen. Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat - hoewel verdachte volledig medeverantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] - de omstandigheid dat het de mededader is geweest die de dodelijke steken heeft toegebracht en daarmee rechtstreeks voor de dood van het slachtoffer verantwoordelijk is, meebrengt dat de verdachte aanzienlijk lager dient te worden gestraft. Het hof acht de door de rechtbank gemaakte afweging de juiste. Voor een grotere discrepantie tussen de aan de mededader opgelegde straf en die van verdachte ziet het hof geen aanknopingspunten. Daarbij heeft het hof gelet op hetgeen eerder is overwogen over de rol van de verdachte, op de door de deskundigen gesignaleerde middelenafhankelijkheid en de aanzienlijke kans op herhaling die daarmee gepaard gaat en op het geringe inzicht dat de verdachte ten toon spreidt ten opzichte van hetgeen hijzelf heeft aangericht.

Benadeelde partij

[benadeelde partij], de moeder van het slachtoffer, heeft zich in eerste aanleg gevoegd als benadeelde partij ter zake van het ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit en heeft

€ 7.984,87 schadevergoeding gevorderd.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de vordering tot schadevergoeding voort in hoger beroep.

Verdachte en zijn raadsman hebben de vordering van benadeelde partij in hoger beroep niet betwist, met uitzondering van de kosten die gemaakt zijn voor de stille tocht.

Blijkens de opgave van de benadeelde partij betreft het hier de kosten van de fakkels voor de stille tocht ten bedrage van

€ 65,45.

Het hof beschouwt, gelet op het bepaalde in artikel 6:108, tweede lid, Burgerlijk Wetboek in combinatie met artikel 51a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, de fakkels voor de stille tocht niet als een onder algemene titel verkregen vordering tot schadevergoeding, noch als kosten van lijkbezorging.

Het hof zal de vordering toewijzen tot het bedrag van € 7.919,42, met dien verstande, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Het hof wijst de vordering voor het overige af.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof acht het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel passend, aangezien verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 2 september 2003 heeft de rechtbank te Leeuwarden verdachte onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Dit vonnis is op 17 september 2003 onherroepelijk geworden. De proeftijd is ingegaan op 17 september 2003. De officier van justitie heeft op 14 december 2004 de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd. Het hiervoor bewezenverklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Derhalve zal het hof de tenuitvoerlegging gelasten van deze aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van acht jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij], [adres], [woonplaats], tot een bedrag van zevenduizend negenhonderdnegentien euro en tweeënveertig cent,

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt tot aan dit arrest begroot op nihil;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenduizend negenhonderdnegentien euro en tweeënveertig cent ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdachtenvijftig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt,

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van het de aan veroordeelde bij vonnis van de meervoudige kamer te Leeuwarden van 2 september 2003 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. A. Dijkstra, voorzitter, G.M. van der Meer en H.J. Deuring, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Lieftink als griffier.