Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU8233

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
WAHV 05-00027
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Art. 26 WAHV; Verzet; Noch art. 25 WAHV noch enig andere wettelijke bepaling schrijft voor dat met betrekking tot de tweede verhoging een aanmaning wordt verzonden. Het vorenstaande neemt echter niet weg dat beginselen van behoorlijk bestuur kunnen meebrengen dat de officier van justitie - alvorens verhaal te nemen door middel van een dwangbevel - de betrokkene in de gelegenheid stelt het gehele inmiddels door hem verschuldigde bedrag te voldoen teneinde de kosten van het verhaal te voorkomen. De betrokkene stelt de tweede aanmaning niet te hebben ontvangen. Officier van justitie heeft de tweede aanmaning naar het juiste adres gezonden. Dat de betrokkene de tweede aanmaning niet zou hebben ontvangen staat aan de rechtsgeldige uitvaardiging van het dwangbevel niet in de weg.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 25
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 23
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/00027

12 oktober 2005

CJIB 56100492

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 2 november 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De inhoud van de tussenbeschikking van 25 mei 2005 wordt hier overgenomen.

2. Het verdere verloop

Ingevolge de tussenbeslissing van het hof d.d. 25 mei 2005 heeft de griffier van het hof de gedingstukken met het onderhavige CJIB-nummer betreffende de procedure bij de officier van justitie opgevraagd. Afschriften daarvan zijn aan de advocaat-generaal en de betrokkene gezonden.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de gedingstukken.

De betrokkene heeft een reactie gegeven op de gedingstukken. Hierbij is verzocht om een proceskostenvergoeding en een behandeling ter zitting.

De zaak is verder behandeld ter zitting van 28 september 2005. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen

mr. K.E. van Rhijn.

3. De verdere beoordeling

3.1. Een dwangbevel als bedoeld in art. 26 WAHV kan eerst rechtsgeldig worden uitgevaardigd nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd tot verhaal waarvan het dwangbevel moet dienen, onherroepelijk is geworden.

3.2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat het dwangbevel niet rechtsgeldig is uitgevaardigd. De betrokkene voert daartoe aan dat de inleidende beschikking niet onherroepelijk is geworden aangezien hij de beslissing van de officier van justitie d.d. 29 januari 2003, de - blijkens het zaakoverzicht - door het CJIB verzonden beslissing van de officier van justitie d.d. 7 februari 2003 en een kopie van de beslissing van de officier van justitie d.d. 29 april 2003 niet heeft ontvangen. De betrokkene voert - zakelijk weergegeven - aan dat er regelmatig iets verkeerd gaat met de postbezorging.

3.3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking d.d. 16 november 2002 een administratieve sanctie van Euro 63,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1) ; > 15 en t/m 20 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 29 september 2002 op de Provinciale Weg N206 te Noordwijk aan Zee.

3.4. Uit de door de griffier van het hof bij de officier van justitie opgevraagde gedingstukken blijkt dat de betrokkene bij brief van 25 december 2002 beroep bij de officier van justitie heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking. Tevens blijkt uit voornoemde gedingstukken dat op 29 januari 2003 de beslissing van de officier van justitie naar het juiste adres van de betrokkene is verzonden, te weten: [adres] Deze beslissing is niet als onbestelbaar retour gezonden. De betrokkene stelt de beslissing niet te hebben ontvangen.

3.5. Blijkens het zaakoverzicht is ook door het CJIB op 7 februari 2003 de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene verzonden op voormeld adres. Deze beslissing is niet als onbestelbaar retour gezonden. De betrokkene stelt deze beslissing niet te hebben ontvangen.

3.6. Aangezien de betrokkene de sanctie niet heeft betaald, is deze ingevolge het bepaalde in art. 23, tweede lid, WAHV van rechtswege verhoogd met 25%. Namens de officier van justitie is daarom ingevolge art. 24 WAHV door het CJIB op 26 april 2003 aan de betrokkene een aanmaning verzonden naar het voormelde adres. De betrokkene heeft deze aanmaning (hierna te noemen: eerste aanmaning) ontvangen.

3.7. Met name uit de door de griffier van het hof bij de officier van justitie opgevraagde gedingstukken blijkt dat naar aanleiding van een op 29 april 2003 gevoerd telefoongesprek tussen de betrokkene en een administratief medewerkster van het arrondissementsparket, op diezelfde dag namens de officier van justitie een kopie van de beslissing d.d. 29 januari 2003 is verzonden naar het voormelde adres. Ook deze beslissing is niet onbestelbaar retour gezonden. De betrokkene stelt ook deze beslissing niet te hebben ontvangen.

3.8. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de betrokkene binnen een periode van drie maanden de door of namens de officier van justitie, respectievelijk CJIB, verzonden (kopieën van de) beslissing van de officier van justitie d.d. 29 januari 2003, niet heeft ontvangen. De stelling van de betrokkene dat er problemen zijn met de postbezorging op zijn adres, dan wel in zijn woonomgeving, is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en doet derhalve aan dit oordeel niet af.

3.9. Maar zelfs als de betrokkene de (kopieën van de) beslissing niet heeft ontvangen, leidt dat - op grond van het navolgende - naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval niet tot de conclusie dat de inleidende beschikking niet onherroepelijk is geworden.

3.10. Nu de betrokkene de eerste aanmaning heeft ontvangen - en derhalve daaruit heeft kunnen en moeten afleiden dat op zijn beroep bij de officier van justitie negatief is beslist - is het aan de betrokkene om zo snel mogelijk beroep bij de kantonrechter in te stellen tegen die beslissing van de officier van justitie.

De betrokkene voert aan dat hij - nadat hij de eerste aanmaning d.d. 26 april 2003 had ontvangen - bij brief van 23 mei 2003 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.

3.11. Bij de door de griffier van het hof opgevraagde stukken betreffende de procedure bij de officier van justitie, bevindt zich géén beroepschrift d.d. 23 mei 2003 van de betrokkene. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene van zijn beroepschrift d.d. 23 mei 2003 een ontvangstbevestiging heeft ontvangen, dan wel dat hij door enige andere omstandigheid er van uit mocht gaan dat zijn beroepschrift door de officier van justitie was ontvangen, bijvoorbeeld doordat de betrokkene schriftelijk is gewezen op zijn verplichting zekerheid te stellen alvorens de kantonrechter aan de behandeling van zijn verzoek zou kunnen toekomen.

3.12. Gelet op hetgeen onder 3.11 is overwogen acht het hof niet aannemelijk geworden dat de betrokkene beroep tegen de beslissing van de officier van justitie heeft ingesteld. Het hof is voorts van oordeel dat, zo al de betrokkene bij brief van 23 mei 2003 beroep heeft willen instellen tegen de beslissing van de officier van justitie, het, behoudens bijzondere omstandigheden, die niet zijn gebleken, voor rekening en risico van de betrokkene komt dat het beroepschrift niet door de officier van justitie is ontvangen aangezien de betrokkene het beroepschrift niet aangetekend heeft verzonden.

3.13. Nu de betrokkene nalatig is gebleven de sanctie en de opgelegde verhoging te voldoen, is - overeenkomstig het bepaalde in art. 25, eerste lid, WAHV - het inmiddels verschuldigde bedrag van de sanctie van rechtswege verder verhoogd met vijftig procent van het bedrag van de sanctie en de daarop inmiddels gevallen verhoging.

3.14. Het CJIB heeft op 18 juni 2003 een aanmaning met betrekking tot de - onder 3.13 weergegeven - verhoging verzonden naar voormeld adres van de betrokkene, te weten: [adres] Deze aanmaning (hierna te noemen: tweede aanmaning) is niet als onbestelbaar retour gezonden. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat, nu hij de tweede aanmaning niet heeft ontvangen, het dwangbevel niet rechtsgeldig is uitgevaardigd.

3.15. Naar het hof ambtshalve bekend is behelst de ingevolge art. 24 WAHV aan de betrokkene verzonden - en door hem ontvangen - eerste aanmaning de mededeling dat, wanneer het verschuldigde bedrag niet tijdig wordt ontvangen, ingevolge het bepaalde in art 25, eerste lid WAHV aan de betrokkene van rechtswege een tweede verhoging wordt opgelegd ten bedrage van vijftig procent van het verschuldigde bedrag, maar tenminste Euro 11,-. Een afzonderlijke aanmaning met betrekking tot deze tweede verhoging wordt noch door art 25 WAHV noch door enige andere wettelijke bepaling voorgeschreven.

3.16. Het vorenstaande neemt niet weg dat beginselen van behoorlijk bestuur kunnen meebrengen dat de officier van justitie - alvorens verhaal te nemen door middel van een dwangbevel - de betrokkene in de gelegenheid stelt het gehele inmiddels door hem verschuldigde bedrag te voldoen teneinde de kosten van dat verhaal te voorkomen. Blijkens het zaakoverzicht heeft het CJIB op 18 juni 2003, derhalve ruim voordat de officier van justitie op 13 augustus 2003 tot verhaal is overgegaan, een tweede aanmaning verzonden naar het juiste adres van de betrokkene. Aldus heeft de officier van justitie de redelijkerwijs van hem te vergen inspanning verricht om de betrokkene in de gelegenheid te stellen de kosten van verhaal te voorkomen. Dat de betrokkene die tweede aanmaning niet zou hebben ontvangen staat aan de rechtsgeldige uitvaardiging van het dwangbevel niet in de weg.

3.17. Nu, daargelaten of de betrokkene de (kopieën van de) beslissing van de officier van justitie van 29 januari 2003 heeft ontvangen, naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie en de betrokkene nalatig is gebleven de sanctie en de daarop gevallen verhogingen te voldoen, is de inleidende beschikking onherroepelijk geworden. En omdat een tweede aanmaning naar het juiste adres van de betrokkene is verzonden is het dwangbevel als bedoeld in art. 26 WAHV rechtsgeldig uitgevaardigd.

3.18. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beschikking van de kantonrechter bevestigen. Nu de betrokkene in het ongelijk wordt gesteld zal het hof het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beschikking van de kantonrechter;

wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Poelman, in tegenwoordigheid van mr. Meijering als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.