Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU8170

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0500495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Nedfilter heeft, stellende dat [appellant 1] het concurrentiebeding heeft overtreden door in dienst te treden bij Eurofelt, gevorderd dat [appellant 1] zijn werkzaamheden voor Eurofelt dient te staken op straffe van een dwangsom en dat Eurofelt en [appellant 2], eveneens op straffe van een dwangsom, verboden wordt om van de diensten van [appellant 1] gebruik te maken.

De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen. In hoger beroep bestrijden [appellanten] dat sprake is van overtreding van het concurrentiebeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 29
JIN 2006/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 14 december 2005

Rolnummer 0500495

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [appellant 1]

2. [appellant 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder te noemen: [appellant 2]

3. Eurofelt B.V.,

gevestigd te Sneek,

verder te noemen: Eurofelt

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: J.V. van Ophem,

voor wie gepleit heeft mr S. Smink, advocaat te Groningen,

tegen

Nedfilter B.V.,

gevestigd te Almere,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Nedfilter,

procureur: mr J.S. Bauer,

voor wie gepleit heeft mr J.G. Geerdes, advocaat te Almere.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 25 augustus 2005 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 21 september 2005 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Nedfilter tegen de zitting van 5 oktober 2005.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, tevens bevattende de grieven, luidt:

"te horen eis doen en concluderen dat het aan het Gerechtshof te Leeuwarden moge behagen genoemde vonnissen te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, geheel en al uitvoerbaar bij voorraad:

I geïntimeerde niet ontvankelijk te verklaren in al haar vorderingen, althans

II alle vorderingen van geïntimeerde af te wijzen, en

III de vordering van appellanten in reconventie zoals vermeld onder punt 54 toe te wijzen, en

IV geïntimeerde te veroordelen in de kosten van dit geding, in beide instanties."

De conclusie van de memorie van antwoord luidt:

"I. het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen; II. appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun subsidiaire vordering; III. appellanten te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan Nedfilter als sub 52 vermeld; IV. appellanten te veroordelen in de kosten van het geding, in beide instanties."

Vervolgens hebben [appellanten] hun zaak doen bepleiten door hun advocaat onder overlegging van een pleitnota. Ook Nedfilter heeft een pleitnota overgelegd.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

De wijzigingen van eis

1. [appellanten] hebben bij appeldagvaarding hun oorspronkelijk in voorwaardelijke reconventie ingestelde eis vermeerderd. Nu tegen deze eiswijziging geen bezwaar is gemaakt, zal het hof bij de beoordeling de gewijzigde eis betrekken.

Nedfilter heeft bij memorie van antwoord haar eis eveneens vermeerderd, doch heeft deze eisvermeerdering bij pleidooi, wegens het ontbreken van spoedeisend belang bij dat onderdeel van haar vordering, weer ingetrokken, zodat het hof daarover niet meer behoeft te oordelen.

Ten aanzien van de feiten

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.7) van genoemd vonnis van 25 augustus 2005 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep als vaststaand kunnen worden aangenomen.

2.1. [appellant 1] is op 1 januari 2001 bij Nedfilter in dienst getreden als verkoopmedewerker buitendienst, rayon Noord Nederland.

2.2. Nedfilter houdt zich bedrijfsmatig bezig met de productie en distributie van foldermaterialen en luchttechnische componenten op het terrein van lucht- en onstoffingsfiltratie.

2.3. In de tussen partijen op 12 december 2000 gesloten arbeidsovereenkomst is als artikel 9 een concurrentiebeding opgenomen.

Dit luidt:

"De werknemer verbindt zich op straffe van een direct opeisbare boete ad. HFl 1.000,- per dag van overtreding om gedurende een periode van twee jaar na afloop van zijn dienstverband bij werkgever, hetzij direct hetzij indirect in dienstverband hetzij handelend voor eigen rekening geen activiteiten te ontwikkelen in Nederland op het gebied van filtermaterialen of luchttechnischecomponenten in de ruimste zin des woords".

2.4. De arbeidsovereenkomst bevat voorts een geheimhoudingsbeding.

2.5. [appellant 1] heeft bij brief van 17 april 2005 Nedfilter de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 juni 2005. Hij is per die datum in dienst getreden van Eurofelt.

2.6. Eurofelt is blijkens het handelsregister opgericht op 11 april 2005 en is aldaar opgenomen met als bedrijfsomschrijving:

"De handel in vilten en viltartikelen, welke zijn vervaardigd uit natuurlijke en synthetische vezels."

Bestuurder van Eurofelt is [betrokkene 1 (B.V.)], die ook middellijk enig bestuurder is van [appellant 2]. Enig aandeelhouder van [betrokkene 1 (B.V.)] is [betrokkene 2].

2.7. [appellant 2] en Eurofelt zijn op hetzelfde adres gevestigd. Een aantal werknemers van [appellant 2] zijn voor een gedeelte van hun tijd tevens in dienst van Eurofelt. [appellant 2] houdt zich blijkens de omschrijving in het handelsregister bezig met de fabricage, bewerken en verwerken van en handel in vilt, viltartikelen, geweven, gevlochten, wollen, katoenen, linnen en synthetische textielgoederen.

Tot de producten waarin [appellant 2] handel drijft behoren ook textielproducten op het gebied van filtratie.

2.8. Nedfilter heeft [appellant 1] bij aangetekende brief van 25 mei 2005 laten weten dat hij in strijd met het in de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudings- en concurrentiebeding handelt als hij in dienst treedt bij [appellant 2]. Op dezelfde dag heeft Nedfilter [appellant 2] aangeschreven dat [appellant 2] onrechtmatig handelt indien [appellant 1] werkzaamheden voor haar verricht.

Korte weergave van het geschil

3. Nedfilter heeft, stellende dat [appellant 1] het concurrentiebeding heeft overtreden door in dienst te treden bij Eurofelt, gevorderd dat [appellant 1] zijn werkzaamheden voor Eurofelt dient te staken op straffe van een dwangsom en dat Eurofelt en [appellant 2], eveneens op straffe van een dwangsom, verboden wordt om van de diensten van [appellant 1] gebruik te maken.

De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen. In hoger beroep bestrijden [appellanten] dat sprake is van overtreding van het concurrentiebeding.

In voorwaardelijke reconventie heeft [appellant 1] schorsing van het concurrentiebeding gevorderd, hetgeen is afgewezen. In appèl heeft [appellant 1], meer subsidiair, de toekenning gevorderd van een vergoeding op grond van artikel 7:653 BW vierde lid, ten bedrage van Euro 86.400,-.

Ten aanzien van het spoedeisend belang

4. Het spoedeisend belang van Nedfilter bij haar vordering tot handhaving van het concurrentiebeding is niet betwist en volgt ook uit de aard van deze procedure. Dat zelfde geldt voor de vordering van [appellant 1] tot betaling van een vervangend inkomen indien geoordeeld moet worden dat hij geen werkzaamheden voor Eurofelt mag verrichten.

Met betrekking tot grief I

5. Deze grief richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant 2] en Eurofelt in het kader van dit geschil met elkaar kunnen worden vereenzelvigd.

Het hof onderschrijft op dit punt het oordeel van de voorzieningenrechter. Gelet op de feiten, hiervoor vermeld onder 2.6 en 2.7, namelijk dat [appellant 2] en Eurofelt op hetzelfde adres zijn gevestigd, dezelfde feitelijke leidinggevende hebben ([betrokkene 2]), op hetzelfde werkterrein actief zijn en dat het merendeel van de werknemers van Eurofelt tevens een dienstverband heeft bij [appellant 2], kunnen voorshands Eurofelt en [appellant 2] met elkaar worden vereenzelvigd voor zover het gaat om de in dit kort geding te beantwoorden vragen betreffende de betekenis van het tussen Nedfilter en [appellant 1] overeengekomen concurrentiebeding.

6. De grief faalt.

Met betrekking tot grief II

7. Deze grief richt zich tegen de uitleg die de voorzieningenrechter aan het concurrentiebeding, hiervoor onder 2.3 geciteerd, heeft gegeven.

Nedfilter houdt staande dat [appellant 1] reeds het concurrentiebeding overtreedt indien hij in dienst treedt bij een onderneming die zich met luchtfiltratie bezig houdt. [appellanten] betogen dat het beding uitsluitend ziet op werkzaamheden op het gebied van filtermaterialen of luchttechnische componenten in de ruimste zin des woords. De voorzieningenrechter is, zij het niet expliciet, van de door Nedfilter verdedigde uitleg uitgegaan.

8. Voor het antwoord op de vraag wiens standpunt voorshands als juist heeft te gelden, dient het hof de reikwijdte van het onderhavige concurrentiebeding te onderzoeken. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de vraag waartoe [appellant 1] geacht kan worden zich bij het aangaan van het concurrentiebeding jegens Nedfilter te hebben verbonden, niet enkel op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen van het concurrentiebeding kan worden beantwoord, aangezien het ook aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het concurrentiebeding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 17 september 2004, NJ 2005, 169). Zulks evenwel met dien verstande dat de bewoordingen van het concurrentiebeding, gelezen in de context van het arbeidscontract als geheel, wel van groot belang zijn. Indien geen eenduidige betekenis valt te halen uit de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen, ligt evenwel een uitleg als door de werknemer voorgestaan in de rede, nu het beding door de werkgever is opgesteld en de werknemer treft in zijn mogelijkheden om in zijn levensonderhoud te voorzien (vgl. HR 4 april 2003, JAR 2003/107).

9. Het hof overweegt dat de bewoordingen van het concurrentiebeding - dat, naar ter zitting door Nedfilter is aangegeven, door een door haar geraadpleegde jurist is opgesteld en in al haar arbeidscontracten wordt opgenomen - niet blijkt dat het de werknemer verboden is na verbreking van de arbeidsovereenkomst in dienst te treden van een concurrent. Dat een dergelijke betekenis door partijen aan het beding is gegeven vóór de opzegging door [appellant 1] op 17 april 2005, is niet komen vast te staan.

Het hof acht dan voorshands ook geen redenen aanwezig om het concurrentiebeding anders uit te leggen dan conform de letter van de overeenkomst, die inhoudt dat het [appellant 1] verboden is om in welke hoedanigheid ook, binnen twee jaar na afloop van het dienstverband in Nederland activiteiten te ontwikkelen op het gebied van filtermaterialen of luchttechnische componenten in de ruimste zin des woords.

10. De grief is in zoverre terecht voorgedragen.

Met betrekking tot de grieven IV en V

11. Deze grieven richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant 1] ook feitelijk zich met concurrerende activiteiten op het door het concurrentiebeding bestreken gebied heeft beziggehouden.

12. Het hof overweegt dat de bewijslast dat sprake is van overtreding van het concurrentieverbod, in de hiervoor onder 9 aangegeven zin, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv, bij Nedfilter berust.

13. Nedfilter heeft daartoe vooreerst gewezen op de poging van [appellant 1] om op 18 april 2005, nog voordat Nedfilter feitelijk kennis had genomen van zijn ontslagbrief, het bestand met klantgegevens naar zijn privé-computer heeft willen zenden. Door een technische voorziening bij Nedfilter is een en ander niet gelukt.

Het hof deelt de opvatting van de voorzieningenrechter dat de voor deze handelwijze door [appellant 1] gegeven verklaring overtuigingskracht ontbeert en dat het er alles van heeft dat hij van zins was zijn contractuele geheimhoudingsplicht te schenden. Uit deze poging kan evenwel niet geconcludeerd worden dat hij een en ander ook daadwerkelijk heeft doorgezet, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat hij vervolgens ook het concurrentiebeding heeft geschonden.

14. Naar het oordeel van het hof volgt uit de resultaten van het detectiveonderzoek dat Nedfilter naar de gangen van [appellant 1] heeft ingezet (productie 9a bij de dagvaarding in eerste aanleg), evenmin onomstotelijk dat hij zich bij [appellant 2]/Eurofelt met de filtermaterialen of luchttechnische componenten heeft bezig gehouden.

Het detectivebureau heeft geconstateerd dat [appellant 1] op 10 juni 2005 een bezoek bracht aan de firma [betrokkene 3] te [plaats]. Dat daarbij is gesproken over filtermaterialen en/of luchttechnische componenten, kan uit het rapport niet worden afgeleid. Hetzelfde geldt voor het bezoek van [appellant 1] op diezelfde dag aan Bouwbedrijf "De Wadden", waarvoor voorts nog geldt dat [appellant 1] een verklaring heeft overgelegd van de directeur van dit bedrijf inhoudende dat slechts privé-aangelegenheden zijn besproken.

15. Nedfilter heeft voorts aangevoerd dat [appellant 1] begin juni 2005 Borgesius Convenience te Leeuwarden - een klant van Nedfilter - benaderd zou hebben met de vraag of deze nog filters nodig had. [appellant 1] heeft aangeven dat hij na 1 juni 2005 geen contact meer heeft gehad met desbetreffende klant. Uit de overgelegde stukken kan het hof niet afleiden dat [appellant 1] na 1 juni 2005 contact heeft gehad met deze klant van Nedfilter. Het hof kan Nedfilter niet volgen in haar stelling dat ook een contact met Borgesius Convenience vóór 1 juni 2005 mogelijk als overtreding van het concurrentiebeding moet worden aangemerkt.

16. Dat [appellant 2] na de indiensttreding een bestelling heeft geplaatst bij Filtrair, een der toeleveranciers van Nedfilter, is evenmin overtuigend, nu [appellant 2] voldoende aannemelijk heeft gemaakt zij ook ook in voorgaande jaren geregeld bestellingen bij dit bedrijf plaatste. Ook het feit dat [appellant 2] (in de persoon van [betrokkene 4]) een bestelling heeft geplaatst bij het Duitse bedrijf Kalthoff, dat in Nederland door Nedfilter wordt vertegenwoordigd, is geen voldoende aanwijzing dat [appellant 1] het concurrentiebeding heeft overtreden.

17. Hetgeen Nedfilter voorts nog heeft aangevoerd - dat de partner van [appellant 1] bij [appellant 2] werkt, hij zijn auto daar parkeert en hij het telefoonnummer van [appellant 2] in zijn telefoon heeft geprogrammeerd - levert evenmin aanwijzingen op dat [appellant 1] het concurrentiebeding heeft overtreden.

18. Het hof is derhalve van oordeel dat Nedfilter onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant 1] in strijd met het overeengekomen concurrentiebeding heeft gehandeld. Dat [appellant 1] op enige punten de schijn tegen heeft, is onvoldoende om de vorderingen, stekkende tot een verbod aan [appellant 1] om voor Eurofelt te werken, toe te wijzen. Voor nadere bewijslevering leent deze (spoed)appel procedure van een kortgeding zich niet, zodat het hof aan het bewijsaanbod van Nedfilter voorbij gaat.

19. De grieven IV en V slagen derhalve, ten gevolge waarvan het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.

Met betrekking tot de grieven III en VI

20. Bij bespreking van grief III hebben [appellanten] geen belang, gelet op het slagen van de grieven II, IV en V.

21. Grief VI heeft betrekking op de afwijzing van de reconventionele vordering.

De vordering in reconventie, strekkende tot schorsing van het overeengekomen concurrentiebeding, is ingesteld onder de voorwaarde dat de rechter vast zou stellen dat [appellant 1] thans het concurrentiebeding overtreedt.

Uit hetgeen het hof hiervoor onder 9 tot en met 14 heeft overwogen, volgt dat het hof niet de gevolgtrekking maakt dat voldoende aannemelijk is dat [appellant 1] het concurrentiebeding heeft overtreden, zodat het hof oordeelt dat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld, niet in vervulling is gegaan.

Mitsdien hebben [appellanten] hun belang bij grief VI verloren, zodat die grief verder geen behandeling behoeft.

22. Het hof hecht er wel aan op te merken dat Nedfilter er belang bij heeft dat [appellant 1], gedurende de periode waarin het concurrentiebeding geldt, zich van elke activiteit, hoe ook vorm gegeven, op het gebied van filtermaterialen en luchttechnische componenten onthoudt. Van enige grond om het concurrentiebeding, in de uitleg zoals het hof hiervoor onder 9 heeft gegeven, te beperken of te matigen, is het hof niet gebleken, zodat Nedfilter, bij overtreding van het beding, ten volle aanspraak kan maken op de overeengekomen boete.

De slotsom

23. Het hof zal het vonnis waarvan appel vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Nedfilter alsnog afwijzen.

Nedfilter zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld, zowel van die in eerste aanleg als die welke op het hoger beroep zijn gevallen (voor wat het salaris in hoger beroep betreft begroot op 3 punten naar tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Nedfilter af;

veroordeelt Nedfilter in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten]:

in eerste aanleg op Euro 244,- aan verschotten en Euro 1.224,- aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep op Euro 364,93 aan verschotten en Euro 2.682,- aan salaris voor de procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs Kuiper, voorzitter, Bax-Stegenga en Zondag, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 14 december 2005.