Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU8165

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0500382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het geschil tussen partijen concentreert zich op de vraag aan wie de boerderij met landerijen aan [adres] te [plaats] toebehoort. [appellanten] hebben aan hun vordering de stelling ten grondslag gelegd dat op grond van het bepaalde in art. 213 BW (oud) het ervoor moet worden gehouden dat deze onroerende zaken niet in de gemeenschap van winst en verlies van hun ouders

zijn gevallen. De onroerende zaken zijn immers, aldus [appellanten], zoals ook blijkt uit de akte van verdeling van de nalatenschap van de moeder van [betrokkene] d.d. 3 december 1962, door [betrokkene] uit de erfenis van haar moeder verkregen en het feit dat [betrokkene] wegens overbedeling een bedrag van ƒ 40.000,-- aan haar vader heeft moeten voldoen, doet daaraan niet af. [geïntimeerde] heeft zich verweerd met de stelling dat ervan moet worden uitgegaan dat de in geding zijnde onroerende zaken in de gemeenschap van winst en verlies zijn gevallen, omdat nagenoeg de gehele reële waarde van die onroerende goederen in het economisch verkeer - een bedrag van ƒ 40.000,-- - wegens overbedeling door [betrokkene] uit gelden van die gemeenschap is voldaan, zodat sprake is van een situatie als bedoeld in art. 214 BW (oud).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 14 december 2005

Rolnummer 0500382

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 2],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr F.P. van Dalen, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr P.R. van den Elst,

voor wie gepleit heeft mr R.W. Lagerwaard, advocaat te Roden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 1 juli 2005 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 28 juli 2005 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 10 augustus 2005.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende de grieven, luidt:

"dat het Gerechtshof het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank

Groningen d.d. 1 juli 2005 (registratienummer: 80060 KG ZAAK 05-165), tussen

partijen gewezen, vernietigt en opnieuw recht doende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

I. vader te bevelen om uiterlijk op 1 januari 2006 de boerderij aan [adres],

alsmede de bijbehorende landerijen te hebben verlaten c.q. te hebben ontruimd, en

verlaten c.q. ontruimd te houden, althans een datum van ontruiming te willen

bepalen op een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum, en

te willen bepalen dat op het moment dat vader niet tijdig en volledig de boerderij aan

[adres], alsmede de bijbehorende landerijen zal hebben verlaten c.q. zal

hebben ontruimd, eisers en met name [appellant 2] gemachtigd zijn om met hulp van de

sterke arm c.q. de politie in te roepen, althans indien vader niet tijdig en volledig zal

ontruimen c.q. ontruimd zal hebben, vader zal worden veroordeeld om aan eisers dan

wel [appellant 2] een direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom te

betalen van Euro 10.000,- per dag dat vader hiermee in gebreke blijft met een maximum

van Euro 500.000,-;

II. vader te bevelen om mee te werken aan de verkoop en levering van 68.301 kilogram

melkquotum, althans van een hoeveelheid melkquotum als de Voorzieningenrechter

in goede justitie zal bepalen, welk melkquotum op naam van vader bij de COS te

Zoetermeer is geregistreerd en wel voor 1 januari 2006, dan wel voor een door de

Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum, voor een in het economisch

verkeer gangbare prijs, een en ander op aanwijzing van de heer M. Flapper, die

verbonden is aan Agrarische Makelaardij Renkema en Flapper te Drachten, waarbij

de opbrengst zal worden gestort op een rekeningnummer van [appellant 2] dan wel

op de boedelrekening met het nummer: 10.32.20.763, althans op dit onderdeel een

beslissing te nemen als de Voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te

behoren, onder verbeurte van [e]en direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare

dwangsom van Euro 10.000,- per dag dat vader hiermee in gebreke blijft, met een

maximum van Euro 120.000,-;

III. arrest, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

IV. de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen elk de eigen kosten draagt."

Door [geïntimeerde] is bij memorie van antwoord verweer gevoerd, met conclusie die ertoe strekt, al dan niet na aanvulling en/of verbetering der gronden, het kort geding vonnis van 1 juli 2005 te bekrachtigen en [appellanten] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben negen grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1. (a., b. en c.) in het kort geding vonnis waarvan beroep is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. Het gaat in dit kort geding - samengevat - om het volgende.

2.1. [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], is in april 1955 op huwelijkse voorwaarden getrouwd met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). De huwelijkse voorwaarden behelsen een gemeenschap van winst en verlies. Uit het huwelijk zijn [appellant 1] en [appellant 2] geboren.

2.2. Zoals blijkt uit de verdelingsakte van 3 december 1962 in verband met de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van haar ouders, is aan [betrokkene] - onder meer - toegedeeld de boerderij met landerijen en dergelijke in [plaats], aan [adres] kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie G nummers 4125 en 2845, groot 17 ha 23 are en 88 centiare, waartegenover [betrokkene] wegens overbedeling aan haar vader [de vader van betrokkene] een bedrag van ƒ 40.000,-- heeft uitgekeerd, waarmee zij per saldo het haar toekomende aandeel heeft verkregen.

2.3. [betrokkene] is op [datum van overlijden] overleden. Bij testament heeft zij [appellant 1] en [appellant 2] tot haar enige erfgenamen, tezamen en voor gelijke delen, benoemd.

Voorts heeft zij aan [appellant 2] gelegateerd de hiervoor onder 2.2. genoemde boerderij en landerijen met de daarbij behorende referentie hoeveelheid mest, alsmede de referentie hoeveelheid melk staande ten name van [betrokkene] en/of de hoeveelheid die [betrokkene] toekomt met betrekking tot de door [geïntimeerde] gedreven agrarische onderneming op de aan [betrokkene] toebehorende landerijen, en voorts de levende have ten name van [betrokkene] en/of de levende have die [betrokkene] toekomt ingevolge haar aandeel in de gemeenschap van winst en verlies waarin zij met [geïntimeerde] is gehuwd.

2.4. [geïntimeerde] exploiteert op genoemde boerderij en landerijen een veehouderij, in de vorm van een eenmansbedrijf. Het referentiequotum melk van [geïntimeerde] over de heffingsperiode 2004/2005 - een heffingsperiode beslaat een tijdvak van twaalf maanden, beginnend op 1 april en eindigend op 31 maart - bedroeg 176.603 kg. Indien in de heffingsperiode minder dan 70% van het betreffende referentie-quotum wordt benut, vervalt het onbenut gelaten deel van het quotum met ingang van de volgende heffingsperiode aan de nationale reserve. Bij de bepaling van het referentiequotum wordt rekening gehouden met de in de voorgaande heffings-periode verkochte hoeveelheid melkquotum.

2.5. [appellanten] hebben gesteld spoedeisend belang te hebben bij ontruiming van de boerderij en landerijen aan [adres] te [plaats], waarvan [geïntimeerde] zonder recht en titel gebruik maakt, en bij verkoop van (een deel van) het melkquotum. Zij hebben daartoe aangevoerd dat [appellant 2], die door afgifte van het legaat van [betrokkene] de eigendom van die onroerende zaken heeft verkregen, belang heeft bij verkoop omdat de bestaande situatie slechts lasten met zich brengt. Voor wat betreft het melkquotum stellen zij dat voorkomen moet worden dat [geïntimeerde], om zijn onderneming draaiende te houden, zonder toestemming van [appellanten] melkquotum verkoopt.

2.6. Na door [geïntimeerde] gevoerd verweer heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellanten] afgewezen, met compensatie van de proceskosten.

2.7. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bij de rechtbank Groningen, strekkende tot verdeling van de nalatenschap van [betrokkene].

3. Met grief I komen [appellanten] op tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat hij zich zal onthouden van een oordeel over de in geding zijnde eigendoms-verhoudingen. Grief II richt zich tegen de overweging van de voorzieningen-rechter dat vooralsnog onvoldoende is gebleken dat van [appellanten] niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwachten. Grief III keert zich tegen de overweging dat gezien de ingrijpende gevolgen van het ontruimen van de boerderij en landerijen door [geïntimeerde] de afweging van de wederzijdse belangen van partijen meebrengt dat het te ver voert om bij wijze van voorlopige voor-ziening de gevorderde ontruiming te bevelen, terwijl grief IV zich richt tegen de overweging dat de belastingdienst heeft aangegeven dat met het innen van de successierechten zal worden gewacht tot de uitkomst van de bodemprocedure, en dat evenmin is gebleken van het innen van inkomstenbelasting op korte termijn.

Grief V klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat toewijzing van het gevorderde een onomkeerbare situatie oplevert, nu [appellant 2] voornemens is de boerderij aan een derde te verkopen. In grief VI wordt gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde], alvorens tot ontruiming wordt overgegaan, in de gelegenheid dient te worden gesteld de betreffende onroerende zaak te kopen, nu niet is gebleken dat partijen serieus de mogelijkheid van kopen door [geïntimeerde] hebben onderzocht. Met grief VII richten [appellanten] zich tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat ter compen-satie van het verlies te zijner tijd eventueel een vergoeding van gebruik van de boerderij kan worden bepaald. In grief VIII wordt geklaagd dat ten onrechte is overwogen dat van spoedeisendheid op het punt van de ontruiming niet is gebleken. Grief IX richt zich tegen de afwijzing van het door [appellanten] gevorderde.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Naar 's hofs oordeel vloeit de spoedeisendheid van de zaak reeds voort uit de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht van [appellant 2] en de daaruit beweerdelijk voor hem voortvloeiende schade, alsmede uit het gestelde omtrent de (gevolgen van de ongecontroleerde) vermindering van het melkquotum. De zaak leent zich dan ook voor behandeling in kort geding.

5. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de kort geding rechter zich in het algemeen zal hebben te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure (zie o.m. HR 21 april 1995, NJ 1996, 462). Daarbij geldt dat de voorlopigheid van een in kort geding te geven oordeel ten opzichte van de beslissing van de bodemrechter er niet aan in de weg staat dat een in kort geding gegeven voorziening de facto een onomkeerbaar effect kan hebben (vgl. HR 11 februari 1994, NJ 1994, 651).

6. Het geschil tussen partijen concentreert zich op de vraag aan wie de boerderij met landerijen aan [adres] te [plaats] toebehoort.

6.1. [appellanten] hebben aan hun vordering de stelling ten grondslag gelegd dat op grond van het bepaalde in art. 213 BW (oud) het ervoor moet worden gehouden dat deze onroerende zaken niet in de gemeenschap van winst en verlies van hun ouders

zijn gevallen. De onroerende zaken zijn immers, aldus [appellanten], zoals ook blijkt

uit de akte van verdeling van de nalatenschap van de moeder van [betrokkene] d.d.

3 december 1962, door [betrokkene] uit de erfenis van haar moeder verkregen en het feit dat [betrokkene] wegens overbedeling een bedrag van ƒ 40.000,-- aan haar vader heeft moeten voldoen, doet daaraan niet af.

6.2. [geïntimeerde] heeft zich verweerd met de stelling dat ervan moet worden uitgegaan dat de in geding zijnde onroerende zaken in de gemeenschap van winst en verlies zijn gevallen, omdat nagenoeg de gehele reële waarde van die onroerende goederen in het economisch verkeer - een bedrag van ƒ 40.000,-- - wegens overbedeling door [betrokkene] uit gelden van die gemeenschap is voldaan, zodat sprake is van een situatie als bedoeld in art. 214 BW (oud).

7. Voorshands is het hof van oordeel dat de toedeling aan [betrokkene] van de boerderij met landerijen aan [straat] - thans genummerd - [nummer] te [plaats] moet worden aangemerkt als een verkrijging uit erfenis, zodat ingevolge de - destijds geldende - tekst van artikel 213 BW deze onroerende zaken niet onder winst - in de zin van de tussen [geïntimeerde] en [betrokkene] bestaande gemeenschap van winst en verlies - zijn begrepen.

7.1. Het feit dat [betrokkene] wegens overbedeling aan haar vader een bedrag van

ƒ 40.000,-- heeft moeten voldoen, doet aan deze verkrijging onder algemene titel op zich niet af. Immers, indien er al vanuit gegaan moet worden dat genoemd bedrag met gemeenschapsgelden is voldaan, dan nog is er in dat geval slechts sprake van een schuld aan de gemeenschap tot genoemd bedrag, welke schuld te zijner tijd in de scheiding en deling betrokken zal moeten worden. Dat is niet anders indien juist zou zijn dat het bedrag van ƒ 40.000,-- overeenkwam met de gehele, destijds aan de onroerende zaken toe te kennen waarde in het economisch verkeer.

8. Dit brengt met zich dat er voorshands van moet worden uitgegaan dat [betrokkene] als eigenares van de boerderij met bijbehorende landerijen gerechtigd was daarover bij testament vrijelijk te beschikken, alsook dat als gevolg van de afgifte van het legaat die onroerende zaken rechtens aan [appellant 2] in eigendom toebehoren.

8.1. Het hof heeft geen enkele aanleiding te veronderstellen dat omtrent de eigen-domsrechten van [appellant 2] ten aanzien van de in geschil zijnde onroerende zaken de bodemrechter te zijner tijd anders zal oordelen. De bodemprocedure over de verdeling van de nalatenschap van [betrokkene] zal er daarom hoogstens toe kunnen leiden dat partijen financieel moeten afrekenen.

9. [appellant 2] heeft zijn belang bij het verkrijgen van de vrije beschikking over de boerderij met landerijen voldoende aannemelijk gemaakt. Van hem kan in redelijkheid niet worden gevergd wel de eigenaarslasten van deze onroerende zaken te moeten dragen, maar het genot daarvan te missen.

9.1. Tegenover het belang van [appellant 2] bij ontruiming van de onroerende zaken staan echter de belangen van [geïntimeerde] In dat verband overweegt het hof dat [geïntimeerde] in dit kort geding weliswaar geen beroep heeft gedaan op een gebruiksrecht, doch daar staat tegenover dat niet kan worden voorbijgegaan aan het feit dat hij de boerderij en de landerijen feitelijk wel jarenlang in gebruik heeft gehad. Bovendien moet [geïntimeerde] een redelijke termijn gegund worden om, in het kader van een goede afwikkeling van de bedrijfsvoering, zijn vee en overige bedrijfsmiddelen te kunnen verkopen.

9.2. Dit alles leidt ertoe dat de datum van ontruiming door het hof zal worden vastgesteld op uiterlijk 1 juni 2006.

10. Het als gevolg van de ontruiming noodzakelijkerwijs afstoten van de melkvee-stapel en de beëindiging van de bedrijfsvoering door [geïntimeerde] brengen naar het voorlopig oordeel van het hof met zich dat het melkquotum, wil dat niet "verdampen", mede in het belang van de boedel wordt verkocht. De vordering van [appellanten], voorzover deze ziet op de verkoop van 68.301 kilogram melkquotum, is als door [geïntimeerde] onvoldoende weersproken dan ook toewijsbaar, zij het dat het

hof van oordeel is dat de opbrengst ervan dient te worden gestort op de boedelrekening.

Slotsom

11. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het kort geding vonnis niet in stand kan blijven. Opnieuw recht doende zullen de vorderingen van [appellanten] worden toegewezen als hierna in het dictum van dit arrest te vermelden.

11.1. Omdat met betrekking tot de uit te spreken ontruiming van de onroerende zaken zal worden bepaald dat deze kan worden tenuitvoergelegd met behulp van de sterke arm, zal het hof in dat verband niet ook een dwangsom opleggen.

11.2. In de omstandigheden van het geval ziet het hof aanleiding de aan de veroordeling tot medewerking aan de verkoop van melkquotum te verbinden dwangsom per dag te matigen tot een bedrag per dag als hierna te melden.

11.3. Het hof zal zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaren nu dat ook besloten ligt in de aard van de procedure in kort geding.

11.4. Gelet op de bestaande familierechtelijke betrekkingen tussen partijen zal het hof, overigens in overeenstemming met hetgeen [appellanten] hebben gevorderd, de kosten van het geding - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - compenseren.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het kort geding vonnis van 1 juli 2005 waarvan beroep

en, opnieuw recht doende

veroordeelt [geïntimeerde] om uiterlijk op 1 juni 2006 de boerderij aan [adres] te [plaats] alsmede de bijbehorende landerijen met de zijnen en al het zijne te ontruimen en te verlaten, en ontruimd en verlaten te houden, met machtiging op [appellant 2] om die ontruiming zonodig met behulp van de sterke arm te doen uitvoeren indien [geïntimeerde] daarmee uiterlijk op genoemde datum in gebreke is gebleven;

beveelt [geïntimeerde] mee te werken aan de verkoop en levering op uiterlijk 1 juni 2006 van 68.301 kilogram melkquotum, welk melkquotum op naam van [geïntimeerde] bij de COS te Zoetermeer is geregistreerd, voor een in het economisch verkeer gangbare prijs, een en ander op aanwijzing van de heer M. Flapper, die verbonden is aan Agrarische Makelaardij Renkema en Flapper te Drachten, waarbij de opbrengst zal worden gestort op de boedelrekening met het nummer 10.32.20.763, onder verbeurte van een dwangsom van Euro 1.000,-- per dag dat [geïntimeerde] na 1 juni 2006 in gebreke mocht blijven aan dit bevel mee te werken, met een maximum van Euro 120.000,--;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, in die zin dat ieder van partijen met de eigen kosten belast blijft.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Zuidema en Wissink, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 14 december 2005.