Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU8051

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
BK 404/04 BPM
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 3
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-2479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk : BK 404/04 9 december 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z ( hierna: belanghebbende ) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst /Douane Noord/ Kantoor Groningen (hierna :de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen ( hierna : BPM).

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. De naheffingsaanslag BPM met nummer 0000-00-000/00.0000 werd met dagtekening 14 februari 2003 aan belanghebbende opgelegd voor een bedrag van € 13.326,- aan enkelvoudige belasting.

Voorts werd een boete opgelegd van € 3331.- ( 25%).

1.2. Op het door belanghebbende tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij uitspraak van 7 april 2004 het bedrag aan enkelvoudige belasting gehandhaafd en de opgelegde boete verminderd tot nihil.

1.3. De belanghebbende is tegen de uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift ( met bijlagen) dat op 13 mei 2004 bij het hof is ingekomen.

1.4. De inspecteur heeft vervolgens op 7 juli 2004 een verweerschrift ( met bijlagen) ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 oktober 2005, alwaar aanwezig waren belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde mr. A, alsmede namens de inspecteur mr. B, bijgestaan door de heren C ( medewerker afdeling bezwaar) en D ( controlerend ambtenaar)

1.6. Van alle genoemde ( en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier

ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.

2.1 Aan belanghebbende, wonende a-weg 19 te Z, is op basis van artikel 14 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 ( hierna: Wet BPM) juncto artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992( hierna: Uitvoeringsbesluit) op 22 januari 2002 een vergunning verleend inzake het “gebruik buitenlandse personenauto met vrijstelling BPM”.

Krachtens deze vergunning wordt toestemming verleend de buitenlandse personenauto Mercedes Benz ML 270 cdi met het Duitse kenteken YYY-YY 000 ( hierna: de auto) te gebruiken voor woon-werkverkeer tussen belanghebbendes woonplaats in Nederland en de plaats van werkzaamheden in het buitenland.

In de verleende vergunning geldt als woonplaats a-weg 19 te Z en als de in het buitenland gelegen werkplek E, b-strasse 31 te L.

2.2 In een brief van 5 december 2001, waarbij de ontvangst van de aanvraag vergunning vrijstelling BPM wordt bevestigd, heeft de inspecteur uitdrukkelijk aangegeven dat in de gegeven omstandigheden slechts een vergunning op basis van artikel 3 Uitvoeringsbesluit kan worden verleend, hetgeen inhoudt

- dat toegestaan wordt dat alleen vanaf de woonplaats naar de arbeidsplaats en vice versa mag worden gereden

- dat privé-gebruik absoluut is uitgesloten en

- dat ook zakelijk verkeer binnen Nederland niet is toegestaan.

2.3 Belanghebbendes auto is op 4 januari 2003 vanaf 16.15 uur gesignaleerd voor het restaurant “F”te M. Later op dezelfde dag is belanghebbende rijdend in de auto aangetroffen op de b-weg te M en aangehouden.Tijdens de controle overlegt belanghebbende de aan hem verleende vrijstellingsvergunning.

2.4 Tijdens de controle verklaart belanghebbende onder meer het volgende:”Ik ben vandaag 4 januari 2003 voor het eerst weer met deze personenauto met kenteken YYY-YY 000 in Nederland. Ik heb de feestdagen ( kerst en oud en nieuw) doorgebracht in België. Ik ben uitgenodigd door zakenkennissen. Het zijn voor mij wat emotionele dagen, want mijn vrouw is vorig jaar op eerste kerstdag overleden. Ik ben met deze auto vanuit Duitsland en via Duitsland vetrokken naar België. Ik ben gisteren vanuit België vetrokken naar Duitsland onder andere naar Bremen en Hamburg via Bottrop/ Gelsenkirchen(….) Ik ben om ongeveer 16.00 uur vertrokken vanuit Hamburg. Van Hamburg naar Nieuweschans en via de A7 richting Groningen. Vanuit Groningen via de A 28 richting Hoogeveen. Bij Beilen heb ik de afslag genomen richting Emmen op weg naar Z, Ik stierf van de honger en heb de afslag M genomen om te eten in Restaurant “F”. Ik kwam om ongeveer 20.15/20.30 uur aan bij het restaurant in M.(…) Als ik voor zaken naar België moet ga ik ook via Nederland, ditzelfde geldt voor zakenreizen naar Engeland.

Tijdens de controle overlegt belanghebbende tankbonnen waaruit blijkt dat hij op 25 december 2002 in Harderwijk en op de dag van de controle om 13.45 uur in N diesel heeft getankt. Toen belanghebbende geconfronteerd werd met de onmogelijkheid van zijn verhaal gaf hij aan:”Je maakt wel eens een leugentje om je eigen bestwil, ik weet dat ik fout ben en draag hiervoor ook de volledige consequenties”

2.5 De ambtenaren hebben na de controle nog een bezoek gebracht aan het restaurant en hebben gesproken met de eigenaar (G) en zijn vrouw. Zij verklaarden dat belanghebbende samen met een vrouw en man vanaf 15.00 uur in het restaurant aanwezig is geweest.

2.6 In het ingediende bezwaarschrift wordt namens belanghebbende voor het rijden buiten de toegestane route de volgende verklaring gegeven.

Op 4 januari 2003 was belanghebbende zo juist ter ore gekomen dat een familielid van een zeer goede vriend door zelfdoding om het leven was gekomen en dat hij onderweg was naar de nabestaanden. Na het horen van het trieste nieuws is hij in een vlaag van verstandsverbijstering en zonder na te denken in de eerst voor handen zijnde wagen gestapt.

Naast de auto bezit belanghebbende nog een in Nederland geregistreerde personenauto, welke gebruikt wordt voor privé-ritten. Dat hij in dit geval de onderhavige auto heeft genomen is een ongelukkig toeval.

2.7 De onder 2.6 bedoelde trieste gebeurtenis vond plaats op 24 december 2002.

2.8 In de loop van 2003 is de auto teruggehaald naar Nederland en verkocht aan een te Emmen gevestigd autobedrijf dat een bedrag ad € 11.624.- aan BPM op aangifte heeft afgedragen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd,

welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

3.2 De belanghebbende is – kort samengevat - primair van mening dat de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat hij weliswaar de aan de vrijstelling verbonden voorwaarde niet in acht heeft genomen, maar dat, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, de inspecteur niet tot het opleggen van een naheffingsaanslag had mogen overgaan omdat de gevolgen ervan onevenredig zijn met het te dienen doel en dat voorts de hoogte van de naheffingsaanslag in geen verhouding staat tot de begane overtreding. Meer subsidiair stelt hij dat de door het autobedrijf in de loop van 2003 op aangifte betaalde BPM verrekend dient te worden met de eventueel door hem te betalen BPM, aangezien BPM maar één maal verschuldigd is.

3.3 De inspecteur stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat belanghebbende ten onrechte een beroep doet op het vertrouwensbeginsel en dat het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 13 december 2002 nr. CPP 2002 /1574 M ( hierna: het Besluit) correct is toegepast nu de aldaar opgenomen waarschuwingsplicht niet geldt voor personen die beschikken over een vrijstellingsvergunning BPM. Hij heeft in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen overgaan omdat geen sprake is van acute overmacht. Tot slot meldt de inspecteur dat wanneer sprake is van dubbele heffing, het voor de hand ligt dat wordt overgegaan tot ambtshalve teruggave terzake van de tweede betaling van BPM.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Volgens artikel 1, lid 5, van de Wet BPM is, ingeval een niet-geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon, de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorvoertuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2 Blijkens het Besluit, waarin het zogenoemde “herstelbeleid”in de BPM is neergelegd, keurt de Staatssecretaris goed dat in bepaalde situaties bij een eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg als bedoeld onder 4.1. aan degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft niet onmiddellijk een naheffingsaanslag wordt opgelegd, maar dat hij bijvoorbeeld in de gelegenheid wordt gesteld de personenauto alsnog in Nederland te registreren dan wel een vrijstelling aan te vragen.

4.3 Onder onderdeel 3.4 ( Overige situaties buitenlands kenteken) van het Besluit is expliciet vermeld dat de goedkeuring niet van toepassing is op de persoon die thans ( op het moment van de controle) in het bezit is van een vrijstellingsvergunning, verleend op grond van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit en die niet voldoet aan de voorwaarden van de vergunning, uitgezonderd het gestelde in onderdeel 3.3 van het Besluit (wijzigingen in de omstandigheden op basis waarvan de vergunning is verleend), welke uitzondering zich in dezen niet voordoet.

4.4 Gelet op de onder 2.1 tot en met 2.3 vermelde feiten en het onder 4.1. tot en met

4.3 overwogene is het hof van oordeel dat de naheffingsaanslag niet in strijd met voornoemde Besluit is opgelegd. Immers, nu niet in geschil is dat belanghebbende met de hem feitelijk ter beschikking staande auto buiten de in de vergunning omschreven route van de weg in Nederland gebruik heeft gemaakt en aldus niet voldoet aan de voorwaarden van de vergunning, moet een beroep op het Besluit falen. Van handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel is geen sprake.

4.5 Met betrekking tot belanghebbendes subsidiaire standpunt dat vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval de inspecteur niet tot het opleggen van een naheffingsaanslag had mogen overgaan aangezien de gevolgen daarvan onevenredig zijn met het te dienen doel en de hoogte van de aanslag niet in verhouding staat tot de begane overtreding overweegt het hof het volgende.

Belanghebbendes beroep op acute overmacht wegens verstandsverbijstering komt het hof niet aannemelijk voor nu hij tijdens de controle op 4 januari 2003 de verklaring als opgenomen onder 2.4 heeft afgelegd en pas in het bezwaarschrift met een geheel andere verklaring komt. Bovendien vond het trieste voorval, waardoor verstandsverbijstering zou zijn opgetreden, reeds 10 dagen voor 4 januari 2003 plaats, zodat het het hof bevreemdt dat belanghebbende hier niet eerder van op de hoogte zou zijn gebracht.

Met betrekking tot belanghebbendes standpunt dat de hoogte van de naheffingsaanslag in geen verhouding staat tot de begane overtreding merkt het hof op dat ingevolge artikel 1, lid 5, van de Wet BPM de belasting verschuldigd wordt ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg en dat de hoogte van het bedrag ( tarief) vervolgens wordt bepaald op grond van de artikelen 9 en 10 van de Wet BPM. Voor verlaging van dit bedrag op grond van wanverhouding is geen plaats. Belanghebbende bestrijdt overigens de berekening op zichzelf niet.

4.6 Tot slot is het hof van oordeel dat belanghebbendes meer subsidiaire standpunt moet worden verworpen nu het belastbare feit “aanvang van het gebruik” als bedoeld in artikel 1, lid 5, van de Wet is gelegen vóór de “registratie”van de auto als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de Wet BPM en de wet niet voorziet in een verrekening van de later op aangifte betaalde BPM door een derde met de door belanghebbende eerder verschuldigd geworden belasting.

4.7 Het vorenstaande brengt mee dat het hof het beroep ongegrond zal verklaren.

5. Proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 9 december 2005 door mr. F.J.W.Drion, raadsheer en voorzitter, mr.G.M.van der Meer, raadsheer en mr.H.Bakker, raadsheer-plaatsvervanger en op die dag uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de heer J.M. Gerrits als griffier en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde voornoemde griffier buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Op 14 december 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.