Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU7929

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0500065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof dient - nu de hoofdregel is dat tussentijds appel niet mogelijk is - een expliciete rechterlijke beslissing voor te liggen waaruit blijkt dat tussentijds appel wèl is opengesteld. Dit kan hetzij een beslissing zijn die is opgenomen in het desbetreffende tussenvonnis zelf - waarbij een dergelijke beslissing in beginsel thuishoort in het dictum-, hetzij een beslissing op een na het wijzen van het tussenvonnis, binnen de appeltermijn gedaan verzoek tot het alsnog toestaan van tuusentijds appel (zie HR 23 januarai 2004, NJ 2005, 510). Bij gebreke van een dergelijke expliciete beslissing kan de appellant niet in zijn hoger beroep worden ontvangen. Indien de partij die belang heeft bij een dergelijk verlof van mening is dat de rechter in eerste aanleg, gelet op hetgeen hij/zij voorafgaand aan het dictum heeft overwogen, kennelijk abusievelijk bedoeld verlof niet in het dictum van het vonnis heeft neergelegd, staat deze partij de weg open van artikel 31 Rv (herstel van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent), ofwel die van artikel 32 Rv (aanvulling van het vonnis in geval verzuimd is te beslissen op een onderdeel van het gevorderde).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 337
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2006/38 met annotatie van HWW
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 7 december 2005

Rolnummer 0500065

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Nationale Nederlanden Schadeverzekeringen Maatschappij N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Nationale Nederlanden,

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr P. Sieswerda.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 13 augustus 2003 en 13 oktober 2004 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 10 januari 2005 is door Nationale Nederlanden hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 13 oktober 2004 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 6 april 2005.

Bij memorie van grieven is een productie overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden d.d. 13 oktober 2004, gewezen onder rolnummer 57333 HA ZA 03-194 te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"Nationale-Nederlanden niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans dat hoger beroep te verwerpen en het vonnis d.d. 13 oktober 2004 te bekrachtigen, met veroordeling van Nationale-Nederlanden in de kosten van het hoger beroep."

Voorts heeft Nationale Nederlanden een akte genomen en vervolgens heeft [geïntimeerde] een antwoord akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Nationale Nederlanden heeft acht grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep:

1. Het vonnis d.d. 13 oktober 2004, waarvan beroep, is een tussenvonnis als bedoeld in lid 2 van artikel 337 Rv. Tussentijds hoger beroep tegen een dergelijk vonnis is slechts toegestaan indien de rechter die het vonnis heeft gewezen daartoe uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.

2. In het beroepen vonnis heeft de rechtbank onder 4.8 het volgende overwogen:

"Alle verdere beslissingen zullen worden aangehouden. Gelet op de inhoud van dit vonnis zal de rechtbank hoger beroep van dit vonnis toestaan."

3. In het dictum van bedoeld vonnis is terzake echter niets beslist. De zaak is enkel naar de rol verwezen voor het nemen van een akte en iedere verder beslissing is aangehouden.

4. Nationale Nederlanden is van mening dat tussentijds appel uitdrukkelijk is toegestaan op basis van hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 4.8 heeft overwogen.

5. [geïntimeerde] stelt daarentegen dat Nationale Nederlanden niet in haar beroep kan worden ontvangen, nu de rechtbank het daartoe vereiste verlof niet in het dictum van het vonnis heeft verleend. [geïntimeerde] veronderstelt dat in hetgeen de rechtbank onder 4.8 heeft overwogen vóór de woorden "hoger beroep" abusievelijk het woordje "geen" is weggevallen .

6. Naar het oordeel van het hof dient - nu de hoofdregel is dat tussentijds appel niet mogelijk is - een expliciete rechterlijke beslissing voor te liggen waaruit blijkt dat tussentijds appel wèl is opengesteld. Dit kan hetzij een beslissing zijn die is opgenomen in het desbetreffende tussenvonnis zelf - waarbij een dergelijke beslissing in beginsel thuishoort in het dictum-, hetzij een beslissing op een na het wijzen van het tussenvonnis, binnen de appeltermijn gedaan verzoek tot het alsnog toestaan van tuusentijds appel (zie HR 23 januarai 2004, NJ 2005, 510). Bij gebreke van een dergelijke expliciete beslissing kan de appellant niet in zijn hoger beroep worden ontvangen. Indien de partij die belang heeft bij een dergelijk verlof van mening is dat de rechter in eerste aanleg, gelet op hetgeen hij/zij voorafgaand aan het dictum heeft overwogen, kennelijk abusievelijk bedoeld verlof niet in het dictum van het vonnis heeft neergelegd, staat deze partij de weg open van artikel 31 Rv (herstel van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent), ofwel die van artikel 32 Rv (aanvulling van het vonnis in geval verzuimd is te beslissen op een onderdeel van het gevorderde).

7. In dit licht bezien is er, zeker nu de door [geïntimeerde] voorgestane uitleg van hetgeen de rechter in eerste aanleg met het onder 4.8 van het beroepen vonnis overwogene voor ogen heeft gestaan, niet volstrekt ondenkbaar is, geen enkele reden om van het hiervoor onder rechtsoverweging 6 geformuleerde uitgangspunt af te wijken.

8. Het hof zal Nationale Nederlanden derhalve niet ontvankelijk verklaren in haar tussentijds beroep, met veroordeling in de kosten van [geïntimeerde] (salaris procureur: 1 pt tarief VII).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart Nationale Nederlanden niet ontvankelijk in haar beroep tegen het op 13 oktober 2004 door de rechtbank Leeuwarden tussen partijen gewezen (tussen)vonnis;

veroordeelt Nationale Nederlanden in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op Euro 1.100,-- aan verschotten en Euro 3.895,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Streppel en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 7 december 2005.