Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU7928

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
14-12-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0500533
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hoe het recht van [appellanten] tot medegebruik van de woning en de daarbij behorende inboedel ook moet worden gekwalificeerd, nu voorshands (met de voorzieningenrechter) moet worden geoordeeld dat die rechtsgrond is komen te vervallen, is het hof van oordeel dat met de ontruimingstermijn als door de voorzieningenrechter aan [appellanten] gegund, in voldoende mate rekening is gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [appellanten] Dat door de intrekking van de oorspronkelijke dagvaarding in eerste aanleg bij [appellanten] het (gerechtvaardigd) vertrouwen is gewekt dat [geïntimeerde] niet langer wenste dat zijn zorgplicht zou voortduren c.q. de samenleving tussen partijen zou worden beëindigd, is onvoldoende aannemelijk geworden. Daaraan kan derhalve geen argument worden ontleend om de ontruimingstermijn te verlengen. Overigens zien [appellanten] over het hoofd dat een natuurlijke verbintenis, waarop zij zich beroepen, in rechte niet afdwingbaar is (artikel 6:3 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 7 december 2005

Rolnummer 0500533

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellante 1],

wonende te [woonplaats],

toevoeging aangevraagd,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr P. Stehouwer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr P.C. Keuning.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 16 september 2005 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 12 oktober 2005 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 26 oktober 2005.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"Het Uw Gerechtshof moge behagen,

Primair: het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te Groningen d.d. 16 september 2005 gewezen tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiser, te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog geïntimeerde niet ontvankelijk te verklaren althans zijn eis af te wijzen;

Subsidiair: een beslissing te geven op de verzoeken welke in eerste aanleg in reconventie zijn gedaan indien U het primair verzochte afwijst door te bepalen dat: - [geïntimeerde] appellanten voor de duur van hun vreemdelingenprocedures onderdak en verzorging dient te verschaffen,

Meer subsidiair: - Een termijn te bepalen voor de duur van tenminste een jaar waarop [geïntimeerde] nog aan zijn zorgplicht jegens cliënten, inhoudende het verschaffen van onderdak alsmede levensonderhoud ad Euro 40,00 per week alsmede het eenmaal per maand doen van boodschappen ad Euro 300,00 dient te voldoen met bepaling dat cliënten de hen toekomende goederen zoals genoemd in productie 22 mee mogen nemen bij hun vertrek uit de woning; - Dan wel, indien u deze termijn korter bepaalt, een verplichting aan [geïntimeerde] op te leggen tot het voldoen van een onderhoudsbijdrage voor de duur van een jaar na vertrek uit de woning van Euro 500,00 per maand;

Althans een beslissing te nemen welke Uw Gerechtshof redelijk en billijk acht.

Met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"Het uw Gerechtshof moge behagen:

- Het vonnis d.d. 16 september 2005 van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Groningen te bevestigen, met niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van het hoger beroep en de reconventionele vordering, van appellanten in de kosten van alle instanties"

Voorts heeft [appellanten] een akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 1 (1.1 t/m 1.3) is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.

Met betrekking tot grief 6:

2. De grief houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte niets heeft overwogen en beslist ten aanzien van de beweerdelijk in eerste aanleg door [appellanten] gedane vordering in reconventie.

3. Noch uit de processtukken van de eerste aanleg, noch uit het door [appellanten] (bij hun laatste akte) overgelegde proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg op 6 september 2005 blijkt dat er op enig moment in eerste aanleg door [appellanten] een reconventionele vordering is ingesteld. De grief mist derhalve feitelijke grondslag en treft geen doel.

Met betrekking tot de overige grieven:

4. De grieven leggen het geschil (in conventie) in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Het hof zal ze daarom gezamenlijk behandelen.

5. Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de voorzieningenrechter gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe.

6. Daargelaten dat een toezegging als door [geïntimeerde] gedaan in beginsel tussentijds kan worden opgezegd, is het hof van oordeel dat de uitleg die [geïntimeerde] aan die toezegging geeft, op voorhand niet onaannemelijk voorkomt. Dat [appellanten] naast de beroepsprocedure ook een voorlopige voorziening hebben gevraagd is derhalve niet van belang.

7. Hoe het recht van [appellanten] tot medegebruik van de woning en de daarbij behorende inboedel ook moet worden gekwalificeerd, nu voorshands (met de voorzieningenrechter) moet worden geoordeeld dat die rechtsgrond is komen te vervallen, is het hof van oordeel dat met de ontruimingstermijn als door de voorzieningenrechter aan [appellanten] gegund, in voldoende mate rekening is gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [appellanten] Dat door de intrekking van de oorspronkelijke dagvaarding in eerste aanleg bij [appellanten] het (gerechtvaardigd) vertrouwen is gewekt dat [geïntimeerde] niet langer wenste dat zijn zorgplicht zou voortduren c.q. de samenleving tussen partijen zou worden beëindigd, is onvoldoende aannemelijk geworden. Daaraan kan derhalve geen argument worden ontleend om de ontruimingstermijn te verlengen. Overigens zien [appellanten] over het hoofd dat een natuurlijke verbintenis, waarop zij zich beroepen, in rechte niet afdwingbaar is (artikel 6:3 BW).

8. [appellanten] hebben zich (blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg) juist in verband met het vermeende recht op huisvesting beroepen op internationale verdragen. Het hof is van oordeel dat er geen voor Nederland geldend verdrag is krachtens welke de ene particulier jegens de andere particulier aanspraak kan maken op huisvesting.

9. Ondanks het feit dat [geïntimeerde] in hoger beroep veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure in alle instanties vordert, zal het hof de voorzieningenrechter volgen in zijn beslissing met betrekking tot de kosten in eerste aanleg. [geïntimeerde] heeft immers niet incidenteel gegriefd en heeft derhalve in appel ook niet ter discussie gesteld dat de door de voorzieningenrechter uitgesproken compensatie van kosten, is geschied op verzoek van [geïntimeerde] (zie overweging 2.7 van het beroepen vonnis).

10. De grieven treffen geen doel.

De slotsom.

11. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op Euro 291,-- aan verschotten en Euro 894,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Breemhaar en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 7 december 2005.