Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU7845

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
13-12-2005
Zaaknummer
WAHV 05-00615
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene stelt dat de officier van justitie in strijd heeft gehandeld met de artikelen 7:2 (hoorplicht), 7:11 (heroverweging) en 7:18 (motivering) van de Algemene wet bestuursrecht. Of en in hoeverre sprake is van verzuimen door de officier van justitie behoeft geen nader onderzoek gelet op het bepaalde in art. 6:22 van die wet. De betrokkene is in casu niet benadeeld. Het feit dat de betrokkene de rechtsgang naar de kantonrechter heeft moeten maken doet hieraan niet af. Administratieve sanctie op grond van de WAHV mogelijk in geval van registercontrole door de Dienst Wegverkeer (RDW).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Algemene wet bestuursrecht 7:18
Wegenverkeerswet 1994 72
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 2
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/00615

27 juli 2005

CJIB 49071509815

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 11 maart 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder van het voertuig met het kenteken [kenteken] bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 95,- opgelegd ter zake van "voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren" (K045B), welke gedraging zou zijn verricht op 4 februari 2004 in de gemeente [woonplaats] blijkens een registercontrole door de RDW.

3.2. De bezwaren van de betrokkene richten zich niet tegen het feit dat het keuringsbewijs voor de betreffende auto zijn geldigheid zou hebben verloren. De betrokkene komt met name op tegen aan de beslissing van de officier van justitie klevende gebreken. Naar de mening van de betrokkene heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met de artikelen 7:2 (de hoorplicht), 7:11 (heroverweging) en 7:12 (motivering) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De betrokkene is hierdoor naar zijn mening benadeeld, nu hij de procedure in beroep heeft moeten doorlopen.

3.3. In zijn beroep tegen de inleidende beschikking heeft de betrokkene onder meer de officier van justitie een aantal vragen gesteld met betrekking tot de legitimiteit van de registercontrole. Bij schrijven van 22 juni 2004 heeft de officier van justitie de betrokkene gewezen op zijn recht om mondeling te worden gehoord, met het dringende verzoek om zulks, indien de betrokkene hiervan gebruik wil maken, binnen twee weken schriftelijk aan de officier van justitie kenbaar te maken. Daarbij heeft de officier van justitie erop gewezen dat ingevolge art. 7:17 Awb van horen kan worden afgezien. Bij brief van 1 juli 2004, ingekomen bij het BVOM op 2 juli 2004, heeft de betrokkene meegedeeld in beginsel te willen worden gehoord, doch dit eerst na ontvangst van antwoorden op de door hem gestelde vragen op zinvolle wijze te kunnen doen.

3.4. De officier van justitie heeft het beroep op 21 juli 2004 ongegrond verklaard zonder de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord. In de beslissing is niet vermeld dat er sprake is van een kennelijk ongegrond beroep.

3.5. Door de betrokkene is beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. De betrokkene voert hierin aan, dat de artt. 7:2, 7:11 en 7:18 Awb door de officier van justitie zijn geschonden.

3.6. Bij brief van 27 december 2004 is de betrokkene uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 11 maart 2005. In deze brief is onder meer vermeld, dat de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage bij de griffie van de rechtbank liggen. De betrokkene is verschenen ter zitting van de kantonrechter.

3.7. Of en in hoeverre er sprake is van verzuimen door de officier van justitie, als door de betrokkene aangegeven, behoeft geen nader onderzoek. Verzuimen als deze behoeven niet tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie te leiden. Ingevolge art. 6:22 Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. In aanmerking genomen dat de betrokkene behoorlijk voor de zitting van de kantonrechter is opgeroepen, dat de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaande aan de zitting ter inzage hebben gelegen en dat de betrokkene ter zitting is verschenen, behoeft de beslissing van de officier van justitie niet wegens schending van vormvoorschriften te worden vernietigd, nu niet gezegd kan worden dat de betrokkene daardoor wordt benadeeld. Het feit dat de betrokkene de rechtsgang naar de kantonrechter heeft moeten maken, doet hieraan niet af.

3.8. In de beslissing van de kantonrechter ligt besloten dat het betoog van de betrokkene, dat geen sanctie kan worden opgelegd op grond van een registercontrole, wordt verworpen. Voor zover de betrokkene in hoger beroep zijn betoog handhaaft, overweegt het hof het volgende. Oplegging van een sanctie kan op grond van art. 3, tweede lid van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) onder meer geschieden ter zake op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen door de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de in art. 2, eerste lid WAHV bedoelde voorschriften. Ingevolge art. 2, tweede lid, aanhef en onder c van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 zijn met het toezicht op de naleving, als bedoeld in art. 3, eerste lid, WAHV mede belast de buitengewoon opsporingsambtenaren van de Dienst Wegverkeer voor de gedragingen, vermeld onder nummer K045 in de bijlage, bedoeld in art. 2, eerste lid, WAHV. Ter zake van de onderhavige gedraging kon derhalve bij wege van registercontrole een sanctie worden opgelegd. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene derhalve terecht ongegrond verklaard.

3.9. Aangezien uit de stukken volgt dat de gedraging is verricht en geen omstandigheden zijn gesteld noch gebleken van dien aard dat deze het opleggen van de onderhavige administratieve sanctie niet billijken of welke tot matiging van de opgelegde sanctie dienen te leiden, zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.