Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU7531

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
BK 850/03 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de waarde van de onroerende zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nummer: 850/03 2 december 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak, gedaan namens de algemeen directeur van de Dienst Informatie en Administratie (nader: de directeur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan de erven A gegeven waardebeschikking inzake de onroerende zaak a-singel 14 te Z, gedateerd 31 augustus 2002 en met nummer 000000 alsmede tegen de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2000, nummer 0000000001.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan de erven A (waartoe belanghebbende behoort) werd bovenvermelde waardebeschikking, geldend voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000, gegeven en bovenvermelde aanslag opgelegd.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de directeur bij de bestreden uitspraak van 11 oktober 2003 de waardebeschikking ingetrokken en de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 5 november 2003 is ingekomen en is aangevuld bij brieven van 9 mei 2005 en 1 juni 2005.

Nadat het verweerschrift (met bijlagen, waaronder een taxatierapport) van de directeur was ingezonden, heeft belanghebbende bij schrijven van 26 juli 2005, ter 's hofs griffie is ingekomen op 27 juli 2005 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de directeur, een kommentaar op dat taxatierapport ingezonden.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 17 oktober 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende zomede de gemachtigde van de directeur, mevrouw mr.drs. B, die werd vergezeld door de heer C, taxateur.

Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van de directeur de door haar ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast dat de onderhavige waardebeschikking is vernietigd wegens een onjuiste objectafbakening en dat de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen -met een op die beschikking berustende waardegrondslag- dient te worden vernietigd. Namens de directeur is daarbij aangegeven dat de aanslag ambtshalve is of zal worden vernietigd.

3. De overwegingen.

3.1 Vaststaat dat de waardebeschikking reeds is vernietigd. Belanghebbende heeft in zoverre derhalve geen belang bij zijn beroep.

3.2 Partijen hebben zich eenparig, zij het mogelijk niet op gelijkluidende gronden, op het standpunt gesteld dat de aanslag eveneens dient te worden vernietigd. Wat er ook zij van de door partijen aangevoerde gronden is het hof van oordeel dat, nu namens de directeur ter zitting is verklaard dat de aanslag mogelijk reeds ambtshalve is vernietigd of, ingeval dat nog niet is gedaan, aan belanghebbende wordt toegezegd dat zulks op korte termijn zal gebeuren, de uitspraak op het bezwaar voor zover betreft de aanslag niet in stand kan blijven.

3.3 Het hof zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren in zoverre het is gericht tegen de reeds vernietigde waardebeschikking. Het hof zal het beroep gegrond verklaren in zoverre het is gericht tegen de aanslag en bepalen dat de aanslag eveneens wordt vernietigd daar ter zitting namens de directeur niet met zekerheid kon worden aangegeven of zulks ambtshalve reeds is geschied.

3.4 In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de directeur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Be-sluit proceskosten fiscale procedures bepaalt op €. 15,10 aan reiskosten, welke kosten dienen te worden gedragen door de gemeente Groningen.

4. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep niet-ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de waardebeschikking;

verklaart het beroep gegrond ten aanzien van de aanslag met nummer 0000000001;

vernietigt de uitspraak van de directeur alsmede de aanslag met nummer 0000000001;

gelast dat het betaalde griffierecht ad €. 31,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de gemeente Groningen;

veroordeelt de directeur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op €. 15,10 en

wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 2 december 2005 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer als voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier J.M. Gerrits en ondertekend door voornoemde voorzitter, zijnde voornoemde griffier buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Op 7 december 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.