Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU7528

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
BK 735/04 Waterschapslasten
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de wijze waarop de kostentoedeling binnen de categorie gebouwd heeft plaatsgevonden, alsmede het feit dat het bestuur van het waterschap voor die categorie niet tot instelling van omslagklassen is overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/18.31 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 735/04 2 december 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van het waterschap Wetterskip Fryslân (: het hoofd) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2004 onder nummer 0000000000 opgelegde integrale aanslag in de Friese waterschapslasten.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende werden met dagtekening 30 april 2004 voor het jaar 2004 op grond van de Omslagverordening Waterschap “Wetterskip Fryslân” i.o. (: de omslagverordening c.q. verordening) op één aanslagbiljet verenigde aanslagen verontreinigingsheffing, omslag gebouwd en ingezetenenheffing opgelegd tot een totaalbedrag van € 503,53. De daarin opgenomen aanslag omslag gebouwd bedroeg € 286,- voor het onderdeel kwantiteitsbeheer, en € 24,20 voor het onderdeel waterkering, derhalve in totaal € 310,20.

1.2 In het tijdig ingediende bezwaarschrift maakte belanghebbende bezwaar tegen de aanslag omslag gebouwd.

1.3 Bij de uitspraak op dat bezwaar heeft het hoofd het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

1.4 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met 3 bijlagen), dat op 17 augustus 2004 is ingekomen.

1.5 Op 5 november 2004 heeft het hoofd een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.6 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof gehouden op 7 november 2005 te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbendes echtgenote mevrouw A als gemachtigde van belanghebbende, alsmede B, C en mr. D als gemachtigden van het hoofd. Ter voormelde zitting zijn de door partijen voorgedragen pleitnota’s overgelegd.

1.7 De inhoud van alle voormelde (en hierna nog te noemen) stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, de volgende feiten vast.

2.1Belanghebbende was op 1 januari 2004 eigenaar van de gebouwde onroerende zaak a-straat 112 te Z (: de onroerende zaak). Deze onroerende zaak is gelegen in een taakgebied van het waterschap.

2.2 Op grond van artikel 2 juncto artikel 8 van de verordening, worden directe belastingen geheven van degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt zakelijk recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken die zijn gelegen in een taakgebied van het waterschap.

2.3 Als een zodanige genothebbende merkt het tweede lid van artikel 8 van de verordening aan degene die bij het begin van het kalenderjaar als eigenaar in de desbetreffende kadastrale registratie is vermeld.

2.4 De onder 2.2 bedoelde directe belastingen hebben betrekking op de kosten die voortvloeien uit de taken van het waterschap inzake de waterkeringszorg en het waterkwantiteitsbeheer.

2.5 De verordening kent voor de categorie gebouwde onroerende zaken niet een indeling in omslagklassen als bedoeld in artikel 120 van de Waterschapswet (: de wet). Het besluit niet tot het instellen van omslagklassen voor de categorie gebouwde onroerende zaken over te gaan, is door het bestuur van het waterschap genomen nadat uit het daartoe ingestelde kostentoedelingsonderzoek was gebleken dat de verschillen in hoedanigheid en ligging tussen de te onderscheiden aspirant-omslagklassen gebouwd zich tot elkaar verhouden als 0:0,69:1,00:0,89, en aldus de 50 procent niet overschrijden.

2.6 De thans bestreden aanslag is opgelegd krachtens en in overeenstemming met de toepasselijke omslagverordening, de omslagklassenverordening en de kostentoedelingsverordening van het waterschap.

2.7 In zijn bezwaarschrift tegen de aldus vastgestelde aanslag waterschapslasten stelde belanghebbende zich op het standpunt dat bij de berekening van de kostentoedeling door het waterschap van een onjuiste methode van toerekening gebruik was gemaakt, en dat instelling van omslagklassen voor de categorie gebouwd ten onrechte achterwege was gelaten.

2.8 Dat bezwaar werd door het hoofd niet gedeeld, in verband waarmee hij bij de thans bestreden uitspraak de aanslag heeft gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is de wijze waarop de kostentoedeling binnen de categorie gebouwd heeft plaatsgevonden, alsmede het feit dat het bestuur van het waterschap voor die categorie niet tot instelling van omslagklassen is overgegaan.

3.2 Belanghebbende blijft van opvatting dat de kostentoedeling had behoren plaats te vinden volgens de zogeheten methode-Oldambt, en niet volgens de toegepaste zogeheten methode-Delfland. In het verlengde daarvan blijft hij bij zijn standpunt dat het bestuur van het waterschap ten onrechte de instelling van omslagklassen voor gebouwd achterwege heeft gelaten.

3.3 Het hoofd daartegenover blijft van mening dat de kostentoedeling langs juiste lijnen heeft plaatsgevonden, en dat uit de bij het kostentoedelingsonderzoek aangetroffen omstandigheden rechtens niet de verplichting volgt tot instelling van omslagklassen voor de categorie gebouwd over te gaan.

3.4 Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting zijn daaraan geen nadere gronden toegevoegd.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 De wetgever in formele zin heeft in artikel 119 van de Waterschapswet bepaald dat de kosten die door de uitvoering van de wettelijke waterschapstaken worden opgeroepen, zoveel mogelijk per afzonderlijke waterschapstaak worden toegerekend aan de categorieën belanghebbenden die in het algemeen bestuur van het waterschap zijn vertegenwoordigd.

4.2 Ter voldoening aan dat wettelijk voorschrift heeft het (voorlopig) bestuur van het waterschap een kostentoedelingsonderzoek laten uitvoeren. Het standpunt van belanghebbende dat daarbij geen gebruik had mogen worden gemaakt van de methode-Delfland vindt geen steun in het recht, en moet daarom worden verworpen. Opgemerkt in dit verband zij dat belanghebbende de gehanteerde methode van toerekening aanvecht, maar niet stelt dat die methode-Delfland op zich onjuist is toegepast. Dat de door belanghebbende verdedigde methode-Oldambt tot andere en voor hem voordeliger uitkomsten zou hebben geleid, maakt dat niet anders.

4.3 Van een plicht tot het instellen van omslagklassen voor de categorie gebouwd is geen sprake, nu het kostentoedelingsonderzoek als uitkomst heeft opgeleverd dat binnen de categorie gebouwd de onderlinge verschillen in hoedanigheid en ligging zich bewegen tussen de 25 en de 50 procent. In die bandbreedte is het aan de wetgever in materiële zin (het bestuur die de wettelijk noodzakelijke verordeningen vaststelt) om te bepalen òf tot instelling van omslagklassen zal worden overgegaan. Het resultaat van die bestuurlijke keuze is niet aan het oordeel van de belastingrechter onderworpen.

4.4 Nu ook overigens niet blijkt van feiten en omstandigheden die aan de verbindendheid van de toepasselijke verordeningen zouden raken, falen de door belanghebbende opgeworpen grieven.

4.5 Het gelijk is daarom aan de zijde van het hoofd.

5. De slotsom

Het beroep dient als ongegrond te worden verworpen.

6. Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 2 december 2005 door mr. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. Huiskes, raadsheer, en dr. Van Lindonk, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong, en ondertekend door de voorzitter en voornoemde griffier.

Op 7 december 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.