Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU7383

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
WAHV 05-00956
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de sanctie in geen verhouding staat tot de ernst van de gedraging en tot de hoogte van bepaalde andere gedragingen. Het hof wijst erop dat op grond van art. 2, derde lid, WAHV de hoogte van de sanctie voor elke gedraging is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. De sanctiebedragen worden bij Algemene Maatregel van Bestuur gewijzigd. In WAHV-zaken staat het de rechter derhalve niet vrij zich een oordeel te vormen omtrent de redelijkheid van de verhouding tussen de door de wetgever bepaalde hoogte van de sancties en de ernst van de gedragingen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 93 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Module Verkeer 2005/117
Module Verkeer 2005/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/00956

7 september 2005

CJIB 19073803504

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 25 mei 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 125,- opgelegd ter zake van "als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden tussen rijstroken/op paden met verkeer in één richting", welke gedraging zou zijn verricht op 25 mei 2004 om 21:10 uur op de Rijksweg A4 afrit N211 te Wateringen.

3.2. De betrokkene heeft erkend dat hij de gedraging heeft verricht. Hij stelt zich echter op het standpunt dat deze gedraging geen sanctie, dan wel een lichtere sanctie rechtvaardigt, aangezien er geen sprake was van onoorbaar en verwijtbaar verkeersgedrag. De betrokkene heeft de gedraging niet bewust verricht en heeft geen gevaar veroorzaakt. Hij heeft niet tijdig gezien dat de onderbroken streep overging in een ononderbroken streep doordat hij met verschillende handelingen tegelijk bezig was en een vóór hem rijdend voertuig zo dicht genaderd was, teneinde deze in te halen, dat hij geen zicht meer had op de streep. De betrokkene pleit derhalve voor vrijspraak, subsidiair voor een sanctie die meer in overeenstemming is met de ernst van de gedraging.

3.3. De gedraging betreft een overtreding van artikel 76 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in verbinding met artikel 62 RVV 1990 dat bepaalt dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan de verkeerstekens die een verbod of gebod inhouden.

3.4. Art. 76, aanhef en onder b, RVV 1990 houdt in: Een doorgetrokken streep heeft de volgende betekenis:

indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, voor verkeer in één richting: bestuurders mogen de streep niet overschrijden, tenzij tussen de bestuurder en de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht.

3.5. Niet in geschil is dat de gedraging is verricht. Artikel 76 RVV 1990 noch enige andere bepaling van het RVV 1990 bevat een uitzondering op het aldaar gegeven verbod, in het bijzonder niet de uitzondering dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar is gebracht. Een en ander brengt mee dat een in strijd met dat artikel verrichte gedraging op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie rechtvaardigt, ook in het geval dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar is gebracht, noch hinder is veroorzaakt. Vanwege het absolute karakter van het verbod mogen andere weggebruikers immers rekenen op nakoming van het gebod van artikel 76 RVV 1990 teneinde daar hun gedrag op af te stemmen. Daarom is voor het achterwege laten of matiging van de sanctie op grond van een eigen beoordeling door de bestuurder van de graad van gevaar of hinder geen plaats. Dat de betrokkene de gedraging niet bewust heeft verricht, brengt het hof niet tot een ander oordeel, nu ter zake van overtreding van artikel 76 RVV 1990 geen opzet wordt vereist. Van een verkeersdeelnemer mag immers worden verwacht dat hij te allen tijde, in het belang van de veiligheid, oplettend is, ongeacht het feit dat hij zijn aandacht op meerdere zaken tegelijk zou moeten richten.

3.6. Voor zover de betrokkene heeft gesteld dat de hoogte van de sanctie in geen verhouding staat tot de ernst van de gedraging en tot de hoogte van de sanctie van bepaalde andere gedragingen, - in het bijzonder de in art. 76, onder a, RVV 1990 opgenomen overschrijding van de doorgetrokken streep bij verkeer in beide richtingen -, wijst het hof erop dat op grond van artikel 2, derde lid, WAHV de hoogte van de sanctie voor elke gedraging is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. De sanctiebedragen worden bij Algemene Maatregel van Bestuur gewijzigd. In WAHV-zaken staat het de rechter derhalve niet vrij zich een oordeel te vormen omtrent de redelijkheid van de verhouding tussen de door de wetgever bepaalde hoogte van sancties en de ernst van de gedragingen.

3.7. Gelet op het hiervóór overwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.