Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU7354

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
05-12-2005
Zaaknummer
24-000676-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van verdachte is bewezenverklaard dat hij als eigenaar of houder van gespecificeerd hoog-risico-materiaal, te weten een gedeelte van het ruggenmerg van een geslacht rund, een van de bepalingen van de Destructiewet, te weten het kennis geven van dat destructiemateriaal aan het verwerkingsbedrijf Rendac, niet heeft nageleefd. De Destructiewet regelt de wijze waarop ondeugdelijk materiaal van dierlijke herkomst onschadelijk moet worden gemaakt. Materiaal van dierlijke herkomst dat een groot gevaar in zich bergt voor de verspreiding van ziekteverwekkers, het zogenaamde hoog-risico-materiaal, dient onschadelijk te worden gemaakt in een verwerkingsbedrijf voor hoog-risico-materiaal. Verdachte is aansprakelijk voor het niet naleven van de bedoelde bepaling.

Het hof is evenwel van oordeel dat het feit dat dat materiaal de controle van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees heeft doorstaan, het aan verdachte te maken verwijt in behoorlijke mate relativeert.

Wetsverwijzingen
Destructiewet 4
Destructiewet 2
Destructiewet 12
Wet op de economische delicten
Regeling aanwijzing hoog-risico-materiaal 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000676-04

Arrest van 1 december 2005 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Groningen van 3 mei 2004,

in de oorspronkelijk onder de parketnummers 18-045002-03 en 18-045312-03 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1951] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte, mr. W.J.T. Bustin, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank te Groningen heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens een misdrijf en een overtreding veroordeeld tot straffen en heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen hem in zaak A onder 1 (parketnummer 18-045002-03) is tenlastegelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn

verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest zijn gehecht fotokopieën van de inleidende dagvaardingen, waarin de wijziging is aangebracht, die de eerste rechter heeft toegelaten. De inhoud van de tenlasteleggingen wordt geacht hier te zijn overgenomen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging ter zake van het hem in zaak A onder 1 tenlastegelegde. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het verdachte in zaak A onder 2 en in zaak B tenlastegelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot twee maal een geldboete van € 1000,- subsidiair tweemaal twintig dagen vervangende hechtenis.

Vrijspraak

In zaak A onder 1 wordt verdachte verweten dat hij in juli 2002 gespecificeerd hoog-risico-materiaal, te weten vlees met doornvormige uitsteeksels van runderborstwervels, heeft afgeleverd.

Artikel 4, tweede lid, van de Destructiewet houdt in het verbod gespecificeerd hoog-risico-materiaal voor welk doel dan ook te gebruiken. Artikel 2, zevende lid, van die wet bepaalt dat bij regeling van Onze Minister (de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) als gespecificeerd hoog-risico-materiaal kan worden aangewezen:

a. slachtdieren, of delen daarvan;

b. dierlijk afval.

De betreffende regeling (althans: ten tijde hier van belang) is de (intussen vervallen) Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal 2000. Artikel 2 van die regeling wijst aan wat onder dergelijk materiaal moet worden verstaan. Voor zover van belang voor de beoordeling van deze zaak gaat het om onderdelen van een tweetal bijlagen van Verordening EG 999/2001.

Voor zover relevant voor deze zaak en ten tijde hier van belang wordt onder dergelijk materiaal verstaan: 'de wervelkolom (..) inclusief het ruggenmerg van runderen van meer dan twaalf maanden' (Verordening EG 1326/2001 tot vaststelling van overgangsmaatregelen met het oog op de overgang op Verordening EG 999/2001 en tot wijziging van de bijlagen VII en XI bij die verordening). De vraag die rijst is derhalve of het in de tenlastelegging genoemde 'vlees met doornvormige uitsteeksels van runderborstwervels' daaronder moet worden begrepen.

Bij Verordening EG 1492/2004 (van 23 augustus 2004, in werking getreden op

13 september 2004) tot wijziging van eerdergenoemde Verordening EG 999/2001 is de omschrijving van het betreffend materiaal veranderd en is het - voor zover relevant - komen te luiden: 'de wervelkolom, exclusief (...) de doornuitsteeksels van de (...) borstwervels (...)'. Naar het oordeel van het hof valt de omschrijving van die uitzondering volledig samen met hetgeen in de tenlastelegging is omschreven.

Voor zover valt na te gaan is deze uitzondering in de Verordening opgenomen om kennelijk bestaande misverstanden over hetgeen onder gespecificeerd hoog-risico-materiaal moet worden verstaan uit te bannen. Naar het oordeel van het hof moet daaruit worden afgeleid, dat 'doornvormige uitsteeksels van runderborstwervels' ook ten tijde hier van belang (9 juli 2002) niet geacht moeten worden te zijn begrepen onder het begrip 'wervelkolom, inclusief ruggenmerg'.

Dat betekent, dat niet bewezen kan worden dat verdachte toen gespecificeerd hoog-risico-materiaal heeft afgeleverd, zoals hem in de tenlastelegging in zaak A onder 1 wordt verweten, zodat hij van dat feit moet worden vrijgesproken.

In zaak A onder 2 wordt verdachte verweten dat hij in mei 2000 laag-risico-materiaal, te weten een partij van ongeveer 2000 kilogram rundvlees niet heeft behandeld op een wijze die voor laag-risico-materiaal is voorgeschreven.

Artikel 2, derde tot en met vijfde lid, van de Destructiewet bepaalt hetgeen onder laag-risico-materiaal moet worden verstaan. Rundvlees als zodanig valt niet onder die begripsomschrijving. Dat wordt niet anders, indien moet worden 'ingelezen' dat het in casu ging om voor dierlijke consumptie bestemd rundvlees. Dat op zichzelf maakt het vlees niet tot laag-risico-materiaal maar zeker niet nu het in casu ging om vlees dat voor humane consumptie was goedgekeurd.

Bewezenverklaring

(zie de aangehechte, uitgestreepte tenlasteleggingen)

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de overtreding:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 12 van de Destructiewet.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon en de draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van verdachte is bewezenverklaard dat hij als eigenaar of houder van gespecificeerd hoog-risico-materiaal, te weten een gedeelte van het ruggenmerg van een geslacht rund, een van de bepalingen van de Destructiewet, te weten het kennis geven van dat destructiemateriaal aan het verwerkingsbedrijf Rendac, niet heeft nageleefd.

De Destructiewet regelt de wijze waarop ondeugdelijk materiaal van dierlijke herkomst onschadelijk moet worden gemaakt. Materiaal van dierlijke herkomst dat een groot gevaar in zich bergt voor de verspreiding van ziekteverwekkers, het zogenaamde hoog-risico-materiaal, dient onschadelijk te worden gemaakt in een verwerkingsbedrijf voor hoog-risico-materiaal. Verdachte is aansprakelijk voor het niet naleven van de bedoelde bepaling.

Het hof is evenwel van oordeel dat het feit dat dat materiaal de controle van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees heeft doorstaan, het aan verdachte te maken verwijt in behoorlijke mate relativeert.

Gezien bovenstaande kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 12 van de Destructiewet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a (oud), 2 (oud) en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte in zaak B ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van duizend euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Huisman, voorzitter, mr. Zwerwer en mr. Knoop, in tegenwoordigheid van mr. Koers als griffier.