Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU6614

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
24-001522-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op de foto is voorts zichtbaar dat de afvalstoffen zich bevinden op dit perceel. Gelet hierop kan niet bewezen verklaard worden dat de betreffende afvalstoffen buiten de inrichting naast het perceel [adres] te [plaats] op of in de bodem zijn gebracht, zodat van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 1.1
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001522-03

Arrest van 10 november 2005 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Groningen van 20 oktober 2003 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1948] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.G. Holtz, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank te Groningen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waarin de wijziging is aangebracht, die de eerste rechter heeft toegelaten. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het aan verdachte subsidiair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een geldboete van € 1.400,-, subsidiair 28 dagen vervangende hechtenis.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen nu niet kan worden bewezen dat verdachte een handeling heeft verricht als in de tenlastelegging bedoeld.

Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het zich ontdoen van afvalstoffen.

Het hof verwerpt dit verweer. Weliswaar zou uit de wettelijke definitie van 'storten' (in de kennelijke betekenis van 'zich ontdoen') in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer kunnen worden afgeleid dat daaronder niet valt een tijdelijke opslag van afvalstoffen, uit de stukken en het verhandelde ter zitting moet evenwel worden begrepen dat de tijdelijkheid van de opslag daarin was gelegen dat verdachte de afvalstoffen deponeerde en dus verzamelde teneinde deze te gelegener tijd te doen vervoeren naar de gemeentelijke stortplaats (artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer jo Kaderrichtlijn afvalstoffen, bijlage II A, D 1 en D 15). Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van het hof worden gesproken van het zich ontdoen van afvalstoffen als in het betreffende wetsartikel bedoeld.

Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde overweegt het hof voorts als volgt.

Verdachte wordt verweten (en ten aanzien van hem moet worden bewezen) dat hij zich van afvalstoffen heeft ontdaan door deze 'buiten een inrichting, (nl. een inrichting die deze genoemde afvalstoffen mag ontvangen), naast perceel [adres] te [plaats], op of in de bodem te brengen'.

Het hof legt de tenlastelegging in die zin uit dat het verwijt betrekking heeft op de opslag op een terrein gelegen aan de [adres] (waarvan is vast komen te staan dat dat terrein tot verdachtes bedrijf behoort), doch buiten dat deel van verdachtes perceel dat als inrichting in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer kan worden aangemerkt.

Het hof stelt vast aan de hand van een zich in het dossier bevindende luchtfoto van verdachtes bedrijf, dat het perceel [adres] te [plaats], voor zover in het kader van deze zaak van belang, wordt gevormd door de grond gelegen binnen een sloot, die het zogenaamde erf omvat en dat dit perceel deel uitmaakt van zijn landbouwbedrijf, zijnde een inrichting in de zin van de wet Milieubeheer.

Op de foto is voorts zichtbaar dat de afvalstoffen zich bevinden op dit perceel. Gelet hierop kan niet bewezen verklaard worden dat de betreffende afvalstoffen buiten de inrichting naast het perceel [adres] te [plaats] op of in de bodem zijn gebracht, zodat van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Zwerwer, voorzitter, Van der Woude en Lahuis, in tegenwoordigheid van mr. Koers als griffier, zijnde mr. Van der Woude voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.