Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU6562

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
22-11-2005
Zaaknummer
WAHV 05-00269
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Snelheidsovertreding vastgesteld door middel van een mobiele trajectsnelheidsmeter. Het voertuig van de betrokkene bevond zich vóór een voertuig waarvan de snelheid werd gemeten. Snelheid van het voertuig van de betrokkene kan niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2006, 1
Module Verkeer 2005/209
Module Verkeer 2005/139

Uitspraak

WAHV 05/00269

27 juli 2005

CJIB 19063137763

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Breda

van 16 december 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om een kostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van euro 104,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (gedragsregel); meer dan 25 km/h en t/m 30 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 23 mei 2003 om 18.41 uur op de Rijksweg A58 te Breda.

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hiertoe voert hij

- zakelijk weergegeven - aan dat de verbalisanten de gemiddelde snelheid hebben gemeten van een voertuig dat achter de betrokkene reed. Volgens de betrokkene is het niet mogelijk om gelijktijdig de snelheid van twee voertuigen te meten, nog daargelaten dat het achter hem rijdende voertuig aanzienlijk op het zijne bleek te zijn ingelopen.

3.3. In een op ambtseed opgemaakt aanvullend proces-verbaal stellen de verbalisanten zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt dat, aangezien het gemeten voertuig de betrokkene ten tijde van de meting niet heeft ingehaald en de bestuurder van het gemeten voertuig over een traject van 1552 meter gemiddeld 152 kilometer per uur heeft gereden, de betrokkene óók met een gemiddelde snelheid van 152 kilometer per uur moet hebben gereden.

3.4. Het hof overweegt dat blijkens de in de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers opgenomen definitie een mobiele trajectsnelheidsmeter "een trajectsnelheidsmeter (is) waarbij de lengte van het meettraject wordt bepaald met behulp van de trajectsnelheidsmeter aangebracht in het voertuig van de gebruiker (metend voertuig) en waarmee het betreffende traject word afgelegd tijdens de meetcyclus. De meetafstand hierbij is de afstand tussen gemeten voertuig en metend voertuig bij mobiele trajectsnelheidsmeters op de momenten waarop de meetcyclus wordt gestart en gestopt.".

Nu in het onderhavige geval de afstand tussen het metend voertuig en het voertuig van de betrokkene zowel op het moment dat de meting werd gestart, als op het moment dat de meting werd beëindigd, onbekend was, kon in het onderhavige geval niet worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene, dat zich vóór het gemeten voertuig bevond, de maximumsnelheid had overschreden. Het hof zal derhalve de bestreden beslissing vernietigen en het beroep van de betrokkene - met vernietiging van de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking - alsnog gegrond verklaren. Het door de betrokkene betaalde bedrag aan zekerheidstelling dient aan hem te worden gerestitueerd.

3.5. De betrokkene heeft in het beroepschrift verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over het sanctiebedrag en een schadeloosstelling voor de ergernis over de handelwijze van het CJIB. Daarbij heeft de betrokkene verzocht om

schadeloosstelling voor de bestede tijd aan diverse correspondentie (het hof leest: verletkosten).

3.6. Ingevolge art. 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die

aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,

d. verletkosten van een partij of een belanghebbende,

e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale

telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig

wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

3.7. De door de betrokkene verzochte wettelijke rente over het sanctiebedrag en de schadevergoeding voor de ergernis over de handelwijze van het CJIB zullen door het hof worden afgewezen. De in art. 13a WAHV neergelegde mogelijkheid om een partij in de kosten te veroordelen die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, heeft niet een ruimere strekking dan in de desbetreffende bepalingen van de WAHV en het - van

toepassing zijnde - Besluit proceskosten bestuursrecht is voorzien. Nu de door de betrokkene aangevoerde kostenposten in deze bepalingen niet zijn vermeld, kunnen deze niet worden toegewezen. Er is in een procedure als de onderhavige geen plaats voor vergoeding van schade, anders dan de in voornoemde bepalingen bedoelde kosten (vgl. Hoge Raad, 17 oktober 2000, VR 2001/53).

3.8. Ingevolge art. 1 onder d van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen verletkosten van een partij worden vergoed. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2000, gepubliceerd in VR 2000, 147, komen echter slechts die verletkosten voor vergoeding in aanmerking, die zijn gemaakt in verband met het bijwonen van een zitting (van de kantonrechter of het hof) en de kosten ter zake van inzage door de betrokkene van de op het beroep betrekking hebbende stukken ter griffie (van de rechtbank of het hof). In dit geval kan niet worden gezegd dat de verletkosten verband houden met het bijwonen van de zitting van de kantonrechter of dat deze verband houden met het inzien van stukken. Derhalve komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

3.9. Gelet op het vorenoverwogene komen de door de betrokkene opgevoerde kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal derhalve het verzoek van de betrokkene zoals onder 3.5 is weergegeven afwijzen.

4.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het bij de kantonrechter ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 3 februari 2004, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 19063137763 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van euro 104,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

wijst het verzoek van de betrokkene om een kostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mrs Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Meijering als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.