Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU6421

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
18-11-2005
Zaaknummer
WAHV 05-00380
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding maximumsnelheid; Gebruik radarapparatuur; Opstelling meetapparatuur niet onjuist; Geen sprake van reflectie door verkeersbord of ander object. Geen onjuiste meting. In WAHV-procedures schrijft geen rechtsregel op straffe van nietigheid van de beslissing voor dat op bepaalde stellingen van een betrokkene uitdrukkelijk en gemotiveerd door de kantonrechter moet worden beslist.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 05/00380

27 juli 2005

CJIB 49064353293

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Zutphen

van 27 december 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zutphen ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

De betrokkene heeft schriftelijk gereageerd op de reactie van de advocaat-generaal op de nadere toelichting op het beroep.

Op 11 juli 2005 is nog een brief met bijlagen van de advocaat-generaal ontvangen. De griffier van het hof heeft een kopie van de brief met bijlagen op 11 juli 2005 per fax aan de betrokkene gezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 juli 2005. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. W. Sikkema.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 92,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 23 juli 2003 om 19:36 uur op de Gildenlaan te Apeldoorn met het voertuig met kenteken [kenteken]

3.2. In hoger beroep heeft de betrokkene aangevoerd dat de kantonrechter zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, aangezien hieruit niet blijkt dat rekening is gehouden met het schrijven van de betrokkene van 10 december 2004. De betrokkene voert voorts aan dat uit het rapport d.d. 18 oktober 2004 van D.J.S. Bark, verbonden aan de Politie Akademie te Apeldoorn, blijkt dat de opstelling van de meetapparatuur, te weten in de buurt van een verkeersbord, in strijd is geweest met de aanwijzing en met hetgeen op de opleiding wordt geleerd. Het rapport geeft op dit punt aanleiding tot twijfel omtrent de verweten gedraging, en de kantonrechter heeft dit ten onrechte niet nader onderzocht. De betrokkene heeft de zaak met de officier van justitie besproken en ook deze zou van mening zijn geweest dat de gedraging niet vast is komen te staan. De beslissing van de kantonrechter moet op grond van het aangevoerde worden vernietigd.

3.3. Ter zitting heeft de betrokkene, onder overlegging van een pleitnotitie, onder meer nog het volgende aangevoerd met betrekking tot de snelheidsmeting. Nu in de voorafgaande procedure duidelijk is geworden dat een verkeersbord of lantaarnpaal in de nabijheid van de meetlocatie van invloed kan zijn op de meting is zijns inziens nader onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of het verkeersbord, dat op de foto van de gedraging te zien is, binnen of buiten de radarbundel valt. Uit de foto blijkt dat het verkeersbord licht van de fotoapparatuur op de radar weerkaatst. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat dit van invloed is geweest op de meting. Afgaande op de tekening van de heer T. Janssen van Gatsometer B.V. welke door de advocaat-generaal in het geding is gebracht, valt het verkeersbord buiten de radarbundel. De betrokkene trekt dit in twijfel aangezien de breedte en de veldsterkte van de radarbundel niet bekend zijn. Voorts heeft de betrokkene opgeworpen dat niet vaststaat dat de meting is verricht onder een hoek van 20º zoals voorgeschreven in de bijlage bij de Regeling Meetmiddelen Politie.

3.4. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB heeft de verbalisant onder meer het volgende verklaard: "De radarapparatuur werd volgens het Besluit (het hof leest: de Regeling) meetmiddelen politie opgesteld [...]. De geconstateerde snelheid is het resultaat van een uitgevoerde correctie op de gemeten radarsnelheid, overeenkomstig de richtlijn van de VECOM. De gereden snelheid stelde ik vast met behulp van een geijkt en voor de meting getest en op de voorgeschreven wijze gebruikt verkeersmeetmiddel. Gemeten radarsnelheid: 075. Geconstateerde gecorrigeerde snelheid: 072. Toegestane snelheid: 050. Overschrijding met 022. De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom. Soort radar: Gatso. [...].".

3.5. Tot de gedingstukken behoren foto's van de gedraging. Hieruit blijkt dat er sprake is van een meting in afgaande richting. Het voertuig bevindt zich op de rechter van twee rijstroken. Voorts is te zien dat zich op enige afstand vóór het voertuig van de betrokkene, tussen de twee rijstroken, een vluchtheuvel bevindt met daarop het bord D2. Aan de rechterzijde van de weg is een lantaarnpaal te zien.

3.6. Tot de gedingstukken behoort een schrijven d.d. 18 oktober 2004 van D.J.S. Bark, verbonden aan de Politie Akademie te Apeldoorn. Deze heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard: "Radar maakt [...] een foto van de overtreder op het moment dat hij de radarbundel verlaat. [...]. Voorwerpen die kunnen reflecteren, zoals metalen verkeersborden kunnen reflectie veroorzaken. Voertuigen worden gemeten op een andere dan de juiste plaats en hierdoor kunnen er afwijkende snelheden gemeten worden. Het hier geplaatste bord heeft geen invloed op de meting. Als dit zo zou zijn dan werd de meting veel later verricht en zou het voertuig van betrokkene verder weg op de foto moeten staan. Betrokkene is namelijk voor het verkeersbord gemeten. Mogelijke reflectie hiervan vindt dus na het bord plaats. Overigens had de bedienaar van deze radarapparatuur zijn fotocamera verder naar links kunnen opstellen zodat de gemeten voertuigen meer naar rechts op de foto komen te staan. Dit resultaat heeft overigens geen invloed op deze meting.".

3.7. Op verzoek van de advocaat-generaal heeft T. Janssen van Gatsometer B.V. (hierna: Janssen) beoordeeld of bij de meting sprake is geweest van reflectie van het verkeersbord of de lantaarnpaal. Deze heeft in een tekening de positie van het verkeersbord en de lantaarnpaal, zoals afgeleid uit de foto's van de gedraging, ten opzichte van de positie van radarapparatuur en enkele voertuigen geschetst. Op de tekening is het meetgebied van de radarstralenbundel te zien bij meting van de voertuigen. Janssen heeft de volgende toelichting gegeven: "Zoals [u] op deze tekening kunt zien zijn zowel lantaarnpaal als vluchtheuvel met verkeerszuil ver buiten meetgebied van de radar en daarom ook niet van invloed geweest op de meting.".

3.8. De gemachtigde van de advocaat-generaal heeft ter zitting aangevoerd dat volgens vaste jurisprudentie van het hof in beginsel uitgegaan dient te worden van de juistheid van de meting en de waarneming van de verbalisant. De door de betrokkene opgeworpen stellingen omtrent de breedte en de veldsterkte van de radarbundel en de meethoek waaronder de meting heeft plaatsgevonden zijn als mogelijkheden geopperd en als zodanig te weinig specifiek om twijfel op te roepen aan de betrouwbaarheid van de meting. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd omtrent de mogelijke invloed van reflectie van het verkeersbord wordt weerlegd door de brief van D.J.S. Bark. Anders dan de betrokkene heeft gesteld blijkt uit deze brief ook niet dat het meetresultaat beïnvloed is door het feit dat de apparatuur iets meer naar links opgesteld had kunnen worden. Ook blijkens de stellige uitspraak van Janssen heeft het verkeersbord geen invloed gehad op de snelheidsmeting. De gemachtigde wijst er in dat verband op dat zich tussen het voertuig van de betrokkene en het verkeersbord geen ander object heeft bevonden dat de radarstraling heeft kunnen reflecteren.

3.9. Voor zover de betrokkene heeft geklaagd over de motivering van de beslissing van de kantonrechter overweegt het hof als volgt. Daargelaten dat in WAHV-procedures geen rechtsregel voorschrijft, op straffe van nietigheid van de beslissing, dat op bepaalde stellingen van een betrokkene uitdrukkelijk en gemotiveerd door de kantonrechter moet worden beslist, begrijpt het hof de beslissing van de kantonrechter aldus dat hetgeen door de betrokkene is aangevoerd niet aannemelijk is geworden en door de verklaring van D.J.S. Bark in voldoende mate wordt weerlegd. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt niet dat de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat de gedraging niet vast is komen te staan, zodat hetgeen de betrokkene dienaangaande heeft gesteld feitelijke grondslag mist.

3.10. Het hof heeft - in navolging van de Hoge Raad - reeds eerder vastgesteld dat het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van een gedraging omschreven in de bij de WAHV behorende bijlage, een criminal charge is als bedoeld in art. 6 EVRM. Dat brengt mee dat de betrokkene aan wie een dergelijke sanctie is opgelegd, op de voet van het tweede lid van dat artikel voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling van de schuld van de betrokkene. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

3.11. Anders dan de betrokkene stelt, laat de verklaring van rapporteur D.J.S. Bark, zoals weergegeven onder 3.6., niet de mogelijkheid open dat in het onderhavige geval eventuele reflectie door het verkeersbord D2 invloed heeft gehad op de meting. De stellige conclusie van de rapporteur dat het verkeersbord geen invloed heeft gehad op de meting wordt door Janssen bevestigd. Anders dan de betrokkene stelt heeft de rapporteur voorts niet verklaard dat de opstelling van de meetapparatuur in strijd is geweest met de voorschriften dienaangaande en dat de meting dientengevolge niet betrouwbaar zou zijn geweest. Naar het oordeel van het hof is derhalve voldoende vast komen te staan dat het verkeersbord geen invloed heeft gehad op de snelheidsmeting. Hetgeen de betrokkene overigens in theoretische zin heeft opgeworpen omtrent de breedte en de veldsterkte van de radarbundel en de hoek waaronder de meting heeft plaatsgevonden, vormt geen aanleiding tot het doen verrichten van nader onderzoek, nu daarvoor geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden in de stukken van het geding.

3.12. Het voorgaande in aanmerking genomen stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.