Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU5974

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-11-2005
Datum publicatie
11-11-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0000303
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op het tussenarrest van 26 januari 2005. [appellanten] dienen feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de huidige klachten van [de dochter] in zodanig verband staan met het gymincident dat deze de gemeente, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kunnen worden toegerekend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2006, 125
JA 2006/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 9 november 2005

Rolnummer 0000303

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

2. [appellant 2],

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun ten tijde van het aanbrengen van de dagvaarding in hoger beroep nog minderjarige dochter [de dochter], geboren [geboortedatum],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

gemeente Ooststellingwerf,

zetelende te Oosterwolde, gemeente Ooststellingwerf,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de gemeente,

procureur: mr J. de Goede.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 26 januari 2005 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge genoemd tussenarrest van 26 januari 2005 hebben [appellanten] een akte na tussenarrest genomen, waarop de gemeente met een antwoordakte heeft gereageerd.

Ten slotte hebben partijen de stukken andermaal overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. In zijn tussenarrest van 26 januari 2005 heeft het hof [appellanten] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de reikwijdte van de door de Hoge Raad in het arrest van 19 maart 2004 (NJ 2004, 307) aangebrachte nadere afbakening van de zogenoemde "omkeringsregel", volgens het hof in het concrete geval hierop neerkomend dat de bewijslast met betrekking tot het causaal verband, in die zin dat de schade bij [de dochter] het gevolg is van de aan de gymnastiekleraar verweten gedraging, op [appellanten] rust.

2. [appellanten] zijn, zoals blijkt uit hun akte na tussenarrest, van mening dat in casu de omkeringsregel wel toepassing vindt omdat in de onderhavige zaak een specifieke norm is aan te wijzen die door de gymleraar is geschonden, te weten dat de mat tijdens de les niet is gebruikt waarvoor deze is gemaakt, namelijk ter voorkoming van letsel. Daaruit moet, aldus [appellanten], worden afgeleid dat de gymnastiekles niet zodanig veilig was ingericht dat, waar mogelijk, de kans op letsel werd voorkomen.

3. Bezien in het licht van de deskundigenrapportage geven de stellingen van

[appellanten] het hof geen aanleiding terug te komen op zijn in het tussenarrest van 26 januari 2005 uitgesproken oordeel dat op [appellanten] de bewijslast rust met betrekking tot het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen de tekortkoming van de gymnastiekleraar en de schade bij [de dochter].

In dit concrete geval is immers slechts als algemene veiligheidsnorm aan te wijzen het zodanig inrichten van een gymnastiekles dat daarbij de veiligheid van de deelnemers aan die les niet in gevaar komt. Het is deze, aan art. 6:162 lid 2 BW ontleende, algemene, norm welke is geschonden. Dat die norm ook specifiek bescherming beoogt te bieden tegen pijnklachten (waarop [appellanten] zich beroepen), kan evenwel in zijn algemeenheid echter niet worden aanvaard.

4. Het voorgaande betekent dat [appellanten] feiten en omstandigheden dienen te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de huidige klachten van [de dochter] in zodanig verband staan met het gymincident dat deze de gemeente, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kunnen worden toegerekend. Het hof zal hier in het navolgende nader op ingaan.

5. De deskundige Mutsaers stelt in zijn rapport:

"(...) Ik noem die criteria waar het ziektebeeld van onderzochte aan voldoet.

-in alle tot nu toe verrichte somato-neurologische onderzoeken is niets gebleken van duidelijke somatische afwijkingen, in welke vorm dan ook. Voor zover onderzochte lichamelijke afwijkingen c.q. gebreken heeft, zijn deze het gevolg van haar langdurige immobiliteit.

-onderzochte is al sinds haar negende lijdende aan de nader te noemen psychiatrische ziekte. In de loop van alle jaren is nooit enige andere (somatische) ziekte bij haar ontdekt.

-er is in de afgelopen jaren door de verschillende onderzoekers bij herhaling gewezen op het bizarre van de symptomatologie van onderzochte, op de inconsistenties in haar verhaal over haar klachten en op verschijnselen die de grenzen van wat fysiologisch verwacht mag worden overschrijden.

-onderzochtes ziektewinst is enorm. Zie hiervoor hetgeen Treffers schetst over de gevolgen voor het gezin.

-de verschijnselen kunnen optreden na een ongeval, maar kunnen daar niet door verklaard worden.

-de claim op ziekte wordt zelf tot ziekte. Dat is met name het geval wanneer een individu in een uitzichtloze psychosociale situatie verkeert waarin alle oplossingen geblokkeerd lijken. Er is ook sprake van een bondgenoot, die behulpzaam is bij het bevorderen van de ziekte.

-er is bij onderzochte sprake van een buitengewoon gesloten gezinssysteem waarbij de afzonderlijke leden binnen het gezin weinig van elkaar afgegrensd zijn.

(...)

Onderzochte is vermoedelijk een kind geweest, dat zich in de vroege jeugd cognitief en intellectueel buitengewoon sterk - en daardoor ook uitermate eenzijdig - heeft ontwikkeld, daarbij in niet geringe mate gestimuleerd door haar ouders (met name moeder), hetgeen naar mijn indruk zeer ten koste is gegaan van een evenwichtige emotionele en sociale ontwikkeling en van de ontwikkeling van een goed en stabiel zelfgevoel. Niet het onderwijs zelf was voor haar stresserend, het moet vooral de sociale context van de school zijn geweest die voor onderzochte jarenlang buitengewoon belastend was, getuige het feit dat haar sociale contacten op school beperkt waren tot het zich tegenover de kinderen, die niet goed mee konden komen, gedragen als een behulpzaam onderwijzeresje en die als een scheidsrechter probeerde allerlei conflicten te bezweren. Maar daardoor bleef ze buitenstaander en was ze nooit speler in het sociale veld van de school. Men zou het incident bij gymnastiek kunnen zien als iets wat staat voor haar onvermogen om mee te spelen in de kinderwereld en waarbij haar pijnlijk duidelijk werd dat ze op school helemaal alleen stond. In deze zin zou men het trauma kunnen zien als een betekenisvol incident dat aanleiding is geweest voor de latere ernstige psychische ontwrichting.

Betekenisvol wil in dit verband zeggen, dat het (lichamelijke) spel en het incident van de mat haar zeer indringend - en voor haar heel direct lijfelijk voelbaar - confronteerde met het feit dat ze een buitenstaander was en niet in staat was om met haar leeftijdsgenoten mee te doen. Betekenisvol wil in dit verband niet zeggen, dat het incident op zichzelf van groot belang is geweest voor die decompensatie. Het had net zo goed een ander incident kunnen zijn waar onderzochte waarde en betekenis (= sociale uitsluiting) aan had kunnen hechten. Bijvoorbeeld een ruzie in de groep van leerlingen of een ander incident op het schoolplein of in de klas. Men dient te beseffen dat het vaak triviale gebeurtenissen zijn die aanleiding zijn tot het ontstaan van conversie. Triviaal wil hier zeggen: een voor de buitenstaander en de externe waarnemer alledaagse gebeurtenis. Maar meestal gaat er wel een opvallende psychologische stress aan vooraf, zoals acute woede, onverwerkte rouw, sexueel misbruik of lichamelijk geweld (*Sadock en Sadock, 2000).

Samenvattend meen ik dat bij onderzochte sprake is van een ernstige en chronische conversie stoornis die mede onder invloed van de omgeving geleid heeft tot een ontwikkelingsstilstand bij onderzochte, die in een vrijwel volledig sociaal isolement en in grote afhankelijkheid van haar ouders leeft. Onderzochtes ouders worden in hun claim op de somatische ziekte van hun dochter door een medisch adviseur niet alleen gesteund maar ook gefixeerd in hun strijd met de medici en wel zodanig, dat de claim zelf tot ziekte lijkt te zijn geworden ..."

De neuroloog Niewold komt tot de conclusie:

"... Ad 3. Ik kan de huidige klachten en stoornissen niet als direct ongevalsgevolg beschouwen. Hooguit kan het ongeval als een luxerende factor worden gezien van het huidige psychiatrische ziektebeeld ..."

6. In aanmerking nemend de specifieke deskundigheid van de deskundigen, de wijze waarop zij hun onderzoek hebben verricht en de bewoordingen waarin de van hun onderzoek opgemaakte rapporten zijn gesteld, is het hof van oordeel dat deze rapportages als uitgangspunt hebben te gelden voor de beoordeling van het onderhavige geschil. Het hof neemt de bevindingen van de deskundigen dan ook over en maakt die tot de zijne.

7. Uit de analyse van de deskundigen blijkt duidelijk dat bij [de dochter] sprake was van een zeer ernstige ontwikkelingsachterstand en dat zij in een vrijwel volledig sociaal isolement en in grote afhankelijkheid van haar ouders leefde. Door deze predispositie was een triviale, alledaagse gebeurtenis - zoals een ruzie of een ander incident op het schoolplein of in de klas - voldoende om de conversie te bewerkstelligen. Gelet op de aard en omvang van het gymincident zoals dat uit de stukken blijkt, en dat in de hierboven bedoelde zin als triviaal moet worden beschouwd, acht het hof zonder meer aannemelijk dat de conversie ook zou zijn opgetreden als dat incident zich niet had voorgedaan.

8. Het door [appellanten] in hun akte na tussenarrest gedane bewijsaanbod acht het hof noch toereikend, noch voor de beslissing van het geschil relevant.

De stelling van [appellanten] dat (een deel van) de klachten en beperkingen die zich direct aansluitend aan het ongeval openbaarde(n), onafhankelijk van het oordeel over het ontstaansmoment van het conversiesyndroom, door het ongeval (is)zijn ontstaan, is immers in de deskundigenrapportage overtuigend weerlegd. [appellanten] hebben, hoewel dit gezien de procedurele kant van de zaak op hun weg lag, niet aangegeven op welke wijze zij bewijs van deze stelling denken te kunnen leveren of wie daarover zou kunnen verklaren. Voor zover [appellanten] nog hebben aangevoerd dat voor het bewijs aan medische deskundigen (aanvullende) vragen kunnen worden gesteld over de aannemelijkheid van de stelling dat het ongeval met de mat bij [de dochter] tot zodanige pijn leidde dat zij dientengevolge schade heeft geleden, moet worden geoordeeld dat ook bevestigende beantwoording van deze vraag niet tot toewijzing van de vordering zal kunnen leiden, nu een specifiek op dit punt toegespitste vordering niet voorligt.

9. Het hof voegt hier, ten overvloede, nog het volgende aan toe.

[appellanten] veronderstellen ten onrechte dat hun opvatting - die het hof niet over heeft genomen - over de strekking van de geschonden veiligheidsnorm de conclusie rechtvaardigt dat van het bestaan van causaal verband in de zin van condicio sine qua non moet worden uitgegaan. De door de deskundigen geconstateerde conversieschade houdt immers niet nauw verband met de lichamelijke schade waartegen die norm beoogt te beschermen.

Om die reden zou ook bij toepassing van de omkeringsregel op [appellanten] een extra stelplicht en bewijslast rusten ten aanzien van deze schade.

Daaraan hebben [appellanten] niet voldaan. Ook in dat verband moet aan [appellanten] worden tegengeworpen dat [de dochter] als gevolg van het ongeval met de mat geen aantoonbaar (somatisch) letsel heeft opgelopen. Gelet op de hiervoor geciteerde deskundigenberichten acht het hof voorts aannemelijk dat de conversiestoornis ook zou zijn opgetreden indien het gymincident niet had plaatsgevonden.

Slotsom

10. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de stellingen van [appellanten] de vordering niet kunnen dragen. Dit betekent dat de grieven 1, 3, 5 en 7 geen verdere, afzonderlijke, bespreking behoeven. Dat de grieven 2 en 4 slagen - zie de

rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 van 's hofs tussenarrest d.d. 19 december 2001 - maakt het eindoordeel niet anders.

Het aangevallen vonnis van 5 juli 2000 dient te worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (2 procespunten, tarief II), alsmede in de kosten van de deskundigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 5 juli 2000 waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op Euro 215,55 aan verschotten en op Euro 1.788,-- aan salaris voor de procureur;

veroordeelt [appellanten] voorts in de kosten van de deskundigen tot een bedrag van in totaal Euro 7.676,--, waarvan te betalen:

-aan de gemeente Euro 5.276,-- wegens het door deze ter zake betaalde voorschot;

-aan de griffier van dit hof Euro 2.400,-- wegens het door deze ter zake voorgeschoten gedeelte van de kosten van de deskundigen, welk laatst genoemd bedrag dient te worden overgemaakt op rekeningnummer: 19.23.06.103 t.n.v. DS 541, MVJ Arrondissement Leeuwarden;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Kuiper en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 9 november 2005.