Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU4338

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
14-10-2005
Zaaknummer
0500343
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executiegeschil.

Slechts indien sprake is van misbruik van de bevoegdheid tot executie, kan de staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis aan de orde zijn. Van bedoeld misbruik kan sprake zijn indien het te executeren vonnis berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag, of indien op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten executie klaarblijkelijk een noodtoestand voor de geëxecuteerde zou doen ontstaan (zie HR 22-4-1983, NJ 1984/145). Voor het overige dient de rechter in kort geding zich in beginsel te richten naar het oordeel van de bodemrechter zoals dit blijkt uit het overgelegde vonnis, zonder daarbij de kans van slagen van een tegen dat vonnis ingesteld appel te betrekken (HR 19-5-2000, NJ 2001/407).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 446
BIE 2007, 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 12 oktober 2005

Rolnummer 0500343

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante] GmbH,

gevestigd te [vestigingsplaats appellante], Zwitserland,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: V.M.J. Both,

voor wie gepleit hebben mrs J.J. Brinkhof en R.E. Ebbink, beiden advocaat te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats geïntimeerde],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: S.A. Roodhof,

voor wie gepleit heeft mr C.J.J.C. van Nispen, advocaat te 's-Gravenhage.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 23 juni 2005 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 5 juli 2005 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 13 juli 2005.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Voorzieningenrechter te Assen van 23 juni 2005, zaak/rolnummer 52213 / KG ZA 05-90, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] N.V. alsnog af te wijzen; en [geïntimeerde] N.V. te veroordelen in de kosten van beide instanties."

[appellante] heeft bij dagvaarding de grieven voorgedragen.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"tot verwerping van het door [appellante] ingestelde appèl en tot bekrachtiging van het vonnis van de Voorzieningenrechter te Assen d.d. 23 juni 2005 met verbetering van gronden; kosten rechtens!"

Door [appellante] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"tot verwerping van het door [geïntimeerde] ingestelde incidenteel appèl."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Bij gelegenheid van het pleidooi hebben beide partijen een akte, houdende overlegging producties genomen.

Tenslotte hebben partijen geen stukken overgelegd voor het wijzen van arrest, maar wordt arrest gewezen op de inhoud van het griffiedossier.

De grieven

Door [appellante] zijn in het principaal appel de volgende grieven opgeworpen:

"Grief 1: Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter in r.o. 4.5 het door de Hoge Raad geformuleerde criterium onjuist toegepast door te overwegen dat in het vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 8 juni 2005 met de volgende feiten geen rekening is gehouden: a) het gestelde onvermijdelijke verlies van arbeidsplaatsen bij [geïntimeerde];

b) het eerdere verlies van arbeidsplaatsen bij [geïntimeerde] als gevolg van de tenuitvoerlegging van een arrest in een andere octrooizaak (Medinol/[geïntimeerde], 2003);

c) de aanzienlijke kosten van een bedrijfsverplaatsing;

d) het gestelde onherstelbare karakter van de schade.

Grief 1a: Door bij de toepassing van het criterium van de Hoge Raad feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen die tijdens de bodemprocedure aanwezig waren, maar niet waren aangevoerd, en door uiteindelijk in het executie geding in feite tot een - in "normale" korte gedingen gebruikelijke - afweging van belangen te komen, is de Voorzieningenrechter ten onrechte en in de eerste plaats in feite uitgegaan van een ander criterium dan dat van de Hoge Raad, welk feitelijk toegepast criterium geen basis in het recht heeft, en heeft zij in de tweede plaats ten onrechte de grenzen van de beoordelingsruimte in een executie kort geding overschreden. Zij is in wezen op de stoel van de Haagse appèlrechter gaan zitten en heeft daarmee het gesloten stelsel van rechtsmiddelen miskend."

Grief 2: De Voorzieningenrechter heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de beperking uit het criterium van de HR die ziet op een noodtoestand welke aan de zijde van de geëxecuteerde moet bestaan.

Grief 3: Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter in r.o. 4.6 het door de Hoge Raad geformuleerde criterium met betrekking tot de schorsing van de executie van een vonnis onjuist toegepast door te overwegen;

(a) dat [geïntimeerde] een zwaarwegend belang heeft bij schorsing van de executie;

(b) dat het belang van [appellante] bij onmiddellijke executie onvoldoende is geconcretiseerd;

(c) dat [appellante] zich vooral heeft beroepen op de algemene belangen die gemoeid zijn met handhaving van een octrooirecht;

(d) dat [appellante] niet heeft aangegeven waarom aan de octrooi-inbreuk stante pede een einde zou moeten worden gemaakt, en

(e) dat de financiële schade die [appellante] ondervindt door het voortduren van de inbreuk makkelijker herstelbaar is dan het verlies aan arbeidsplaatsen.

Grief 4: Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter in r.o. 4.7 de mogelijke onderhandelingen tussen partijen in de afweging van belangen betrokken en daarbij overwogen dat de uitspraak van de Haagse rechtbank zou worden gebruikt als een zet in die onderhandelingen en dat het in de rede zou liggen verder te onderhandelen en dat het, gezien die onderhandelingen slecht past onmiddellijk het vonnis etn uitvoer te leggen.

Grief 5: Ten onrechte overweegt de Voorzieningenrechter in r.o. 4.8 dat [appellante], mede gelet op de belangen van [geïntimeerde] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij onverwijlde executie."

Door [geïntimeerde] zijn in het incidenteel appel de volgende grieven opgeworpen:

"Grief 1: Ten onrechte overweegt de Voorzieningenrechter sub 4.4:

Naar voorlopig oordeel gaat het hier echter niet om kennelijke misslagen. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom volgens haar onvoldoende is gesteld. Dat de verklaring van [deskundige] niet met zoveel woorden wordt genoemd betekent niet noodzakelijkerwijs, dat de rechtbank deze over het hoofd heeft gezien. Immers, het is niet ondenkbaar, dat de rechtbank de verklaring onvoldoende toegesneden op het onderwerp niet-nawerkbaarheid vond. Nu het verweer onvoldoende gesubstantieerd werd geacht, kon het bewijsaanbod worden gepasseerd. Een duidelijker motivering was wellicht wenselijk geweest. Het voert echter te ver om hier van een kennelijke misslag te spreken. Voor zover er al sprake zou zijn van misslagen is bovendien in het geheel niet zeker, dat het uiteindelijke resultaat ten gevolge daarvan in hoger beroep anders zal zijn.

Grief 2: Ten onrechte overweegt de Voorzieningenrechter sub 4.7: dat tussen partijen (dan wel de moedermaatschappijen) betreffend het onderhavige octrooi een aantal procedures loopt, zowel in Europa als in de VS, waarbij nu eens de een in het gelijk wordt gesteld, dan weer de ander."

De beoordeling

1. Nu noch in het principaal appel, noch in het incidenteel appel grieven zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in r.o. 1 van het beroepen vonnis, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

2. In de onderhavige procedure is, verkort weergegeven, in essentie het volgende aan de orde.

- Bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage d.d. 8 juni 2005 is op vordering van [appellante] aan [geïntimeerde] een door dwangsommen ondersteund verbod opgelegd tot het maken van inbreuk op het aan [appellante] toekomende en ten processe relevante octrooirecht m.b.t. katheters, en tevens zijn op vordering van [appellante] de gebruikelijke (neven)vorderingen met betrekking tot recall, overlegging van gegevens met betrekking tot de inbreuk en het doen van rekening en verantwoording alsmede schadevergoeding, op te maken bij staat dan wel winstafdracht door [geïntimeerde], toegewezen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

- Tegen deze veroordeling is door [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld bij het hof te 's-Gravenhage.

- Stellende dat [appellante] door het ten uitvoer leggen van genoemd vonnis misbruik maakt van recht, en voorts dat [appellante] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij executie in afwachting van de uitkomst van het geding in hoger beroep, daarbij tevens verwijzende naar de gevolgen voor [geïntimeerde] en haar werknemers indien [appellante] het vonnis onbelemmerd zou kunnen executeren, heeft [geïntimeerde] in een executiegeschil de voorzieningenrechter te Assen geadiëerd en gevorderd dat aan [appellante] een provisioneel verbod zal worden opgelegd om meergenoemd vonnis ten uitvoer te leggen, alsmede dat de voorzieningenrechter de door [appellante] aangevangen executie zal schorsen totdat het Haagse hof in het hoger beroep zal hebben beslist, subsidiair dat de voorzieningenrechter [appellante] zal bevelen de executie te staken op straffe van verbeurte van dwangsommen.

- De voorzieningenrechter te Assen heeft bij vonnis in kort geding d.d. 23 juni 2005 de door [appellante] aangevangen executie van het op 8 juni 2005 door de rechtbank te 's-Gravenhage gewezen vonnis geschorst totdat in die zaak in hoger beroep is beslist.

- Van laatstgenoemde beslissing en de gronden waarop zij berust, is [appellante] in principaal beroep gekomen, waarna [geïntimeerde] incidenteel appel heeft ingesteld.

3. In de eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter te Assen geoordeeld dat geen sprake is van kennelijke misslagen in het vonnis van de Haagse rechtbank. De voorzieningenrechter heeft evenwel haar ten voordele van [geïntimeerde] strekkende beslissing - wederom verkort en in essentie weergegeven - met name hierop doen steunen dat beëindiging door [geïntimeerde] van de productie te [vestigingsplaats geïntimeerde] ernstige en onomkeerbare sociaal-economische gevolgen zal (kunnen) hebben, terwijl niet blijkt dat de Haagse rechtbank hiermede rekening heeft gehouden. Aldus deze gevolgen benoemend als een zeer zwaarwegend belang aan de zijde van [geïntimeerde], heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het door [appellante] gestelde belang van bescherming van haar octrooirecht niet opweegt tegen het door [geïntimeerde] gestelde belang als bovenbedoeld, zodat [appellante] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij onverwijlde executie.

4. De grieven van [appellante] in het principaal appel strekken in hoofdzaak tot aantasting van bovengenoemde belangenafweging en de gronden waarop deze berust, terwijl het incidenteel appel zich grotendeels keert tegen het oordeel dat geen sprake is van kennelijke misslagen.

5. Uitgangspunt bij de beoordeling van het onderhavige executiegeschil is dat het door de Haagse rechtbank gewezen eindvonnis dat inmiddels in hoger beroep is voorgelegd aan het hof aldaar, behoudens na te noemen uitzondering, thans inhoudelijk niet (opnieuw) ter discussie staat, terwijl eveneens uitgangspunt is de bevoegdheid van [appellante] tot tenuitvoerlegging van het Haagse vonnis. Slechts indien sprake is van misbruik van de bevoegdheid tot executie, kan de staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis aan de orde zijn. Van bedoeld misbruik kan sprake zijn indien het te executeren vonnis berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag, of indien op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten executie klaarblijkelijk een noodtoestand voor de geëxecuteerde zou doen ontstaan (zie HR 22-4-1983, NJ 1984/145). Voor het overige dient de rechter in kort geding zich in beginsel te richten naar het oordeel van de bodemrechter zoals dit blijkt uit het overgelegde vonnis, zonder daarbij de kans van slagen van een tegen dat vonnis ingesteld appel te betrekken (HR 19-5-2000, NJ 2001/407).

6. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in haar betoog in het incidenteel appel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van kennelijke misslagen in het vonnis in de bodemzaak. De stelling van [geïntimeerde] dat de Haagse rechtbank de verklaring van [deskundige] over het hoofd heeft gezien, berust kennelijk (mede) op het feit dat de naam van [deskundige] niet voorkomt in het vonnis. Gelet op het debat in de bodemzaak waarin de verklaring van [deskundige] bij herhaling over en weer door partijen aan de orde is gesteld, en gezien de bewoordingen die de rechtbank in r.o. 3.11 van haar vonnis ter staving van haar oordeel heeft gebruikt, welke bewoordingen zodanig ruim zijn dat deze zeker (mede) betrekking (kunnen) hebben op de rapportage van [deskundige], berust de thans aan de orde zijnde stelling van [geïntimeerde] op een klaarblijkelijke conclusie harerzijds en ontbeert zij een feitelijke grondslag. Naar 's hofs voorlopig oordeel is geen sprake van een zo evidente vergissing in het recht of de feiten, dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. Daarbij overweegt het hof nog dat, zelfs indien sprake zou zijn van het verzuim van de Haagse rechtbank om de rapportage van [deskundige] in haar overwegingen te betrekken, zulks voor het Haagse hof mogelijkerwijs grond zou kunnen opleveren om in de bodemzaak tot een andere uitkomst van het geding te komen, doch dat daarop niet de conclusie kan worden gebaseerd dat het elementaire beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, gelijk [geïntimeerde] heeft aangevoerd, zodat (ook) om die reden geen sprake kan zijn van een klaarblijkelijke misslag (in dit - zich niet voordoende - geval tot uiting komend in de vorm van een essentiëel vormverzuim).

7. Het hof volgt [geïntimeerde] voorts niet waar zij stelt dat het door de rechtbank niet-toelaten tot het bewijs duidt op een klaarblijkelijke misslag. Immers, het passeren van een bewijsaanbod kan op meerdere valide gronden geschieden, welke gronden in het onderhavige kort geding niet ter toetsing staan; niet blijkt van een zodanig vormverzuim, dat niet (meer) kan worden gesproken van een "fair trial" in de zin van art. 6 EVRM. De stelling van [geïntimeerde] dat uit het rapport van [rapporteurs] zonder meer blijkt dat [geïntimeerde] in de bodemprocedure het bewijs had kunnen leveren dat de geoctrooieerde uitvinding niet nawerkbaar is, voldoet niet aan meergenoemd criterium van "klaarblijkelijkheid", en kan verder in deze procedure, gelet op de aard daarvan, inhoudelijk niet worden onderzocht.

8. Evenmin volgt het hof [geïntimeerde] in haar stelling in het incidenteel appel (punt 70) dat het de taak van de voorzieningenrechter in een executiegeschil als het onderhavige is om - ambtshalve - te onderzoeken of er in het te executeren bodemvonnis al dan niet processuele misslagen voorkomen. Het bovenoverwogene brengt het hof in een zelfstandige heroverweging van al hetgeen te dezer zake in beide instanties naar voren is gebracht, tot het voorlopig oordeel dat, in overeenstemming met het oordeel dienaangaande van de voorzieningenrechter in eerste aanleg, in het vonnis in de bodemzaak geen sprake is van een klaarblijkelijke misslag. Hierop stuit grief 1 in het incidenteel appel af.

9. Thans is de vraag aan de orde of op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, executie klaarblijkelijk een noodtoestand voor [geïntimeerde] zou doen ontstaan.

10. De voorzieningenrechter heeft terzake overwogen - verkort weergegeven - dat door [geïntimeerde] is aangegeven dat bij executie van het bodemvonnis sprake zal zijn van verlies van arbeidsplaatsen, en dat zij in geval van een voor haar ongunstige (eind)beslissing overweegt al haar activiteiten in Nederland te beëindigen, hetgeen derhalve gepaard zal gaan met een algeheel verlies van arbeidsplaatsen, terwijl de kosten van een bedrijfsverplaatsing eveneens aanzienlijk zullen zijn. Bedoelde stellingen heeft de voorzieningenrechter aangemerkt als zijnde van een zeer zwaarwegend belang, daarbij aangevende dat uit het vonnis in de bodemprocedure niet blijkt dat met deze feiten rekening is gehouden.

11. Nadat het hof, met het oog op deze sociaal-economische omstandigheden, bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep aan partijen in overweging had gegeven zich thans te beraden over een licentieverlening door [appellante] aan [geïntimeerde], verbonden aan de voorwaarde dat in de bodemprocedure bij gewijsde komt vast te staan dat het onderhavige octrooi van [appellante] geldig is, terwijl bij gebleken ongeldigheid van het octrooi, [appellante] al hetgeen door [geïntimeerde] op grond van de licentieovereenkomst is voldaan zal dienen te restitueren - tot hoedanige regeling partijen zich in beginsel bereid hebben verklaard terwijl het hof in afwachting van de uitkomst van de onderhandelingen dienaangaande, aan partijen heeft toegezegd het wijzen van arrest gedurende een termijn van twee weken te zullen opschorten - heeft de raadsman van [appellante] schriftelijk aan het hof medegedeeld dat partijen niet tot overeenstemming hebben kunnen komen.

12. De bovenstaande - door het hof geopperde - (tijdelijke) oplossing was inhoudelijk geïnspireerd op art. 6:229 BW, welk artikel kortweg inhoudt dat een voortbouwende overeenkomst vernietigbaar is indien de rechtsverhouding waarop wordt voortgebouwd, niet blijkt te bestaan, aan welke vernietiging de restitutieplicht van art. 6:203 BW is verbonden. Ook uit punt 39 van de memorie van antwoord van [geïntimeerde] blijkt dat [appellante] niet onwelwillend was tot het verlenen van een licentie, alsmede dat tussen partijen reeds eerder de verlening van een licentie aan de orde is geweest, doch dat [geïntimeerde] daaraan niet heeft willen meewerken omdat zij naar haar zeggen niet gedwongen wenst te worden door een - haars inziens onjuist - vonnis.

13. In het licht van het bovenomschreven alternatief dat aan [geïntimeerde] ter beschikking stond ter voorkoming van (gedeeltelijke) bedrijfssluiting, waaromtrent gesteld noch gebleken is dat de door [appellante] daaraan verbonden voorwaarden dusdanig belastend waren dat [geïntimeerde] daaraan redelijkerwijs niet kon of behoefde te voldoen, moet worden geoordeeld dat de door [geïntimeerde] gestelde sluiting van haar vestiging te [vestigingsplaats geïntimeerde] en het daarmee gepaard gaande verlies van arbeidsplaatsen, niet zozeer het rechtstreekse gevolg zijn van de executie door [appellante] van het vonnis in de bodemzaak, doch dat als causa efficiens daarvoor heeft te gelden de daartoe strekkende wilsbesluiten van (de directie van) [geïntimeerde]. In zoverre is reeds geen sprake van een klaarblijkelijk als gevolg van de executie ontstane noodtoestand. Zulks geldt insgelijks voor het gestelde omtrent de kosten van een bedrijfsverplaatsing.

14. Doch ook om andere redenen kan het door [geïntimeerde] geschetste scenario van verlies van arbeidsplaatsen wegens bedrijfssluiting niet gelden als een als gevolg van de executie klaarblijkelijk voor de geëxecuteerde ontstane noodtoestand op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten. Immers, aan het octrooirecht van [appellante] kan geen afbreuk doen dat belangen van derden, zoals werknemers van [geïntimeerde], door handhaving van het octrooirecht zouden worden geschaad, nu de bescherming van bedoelde belangen niet behoort te geschieden door middel van het toelaten van inbreuk op het octrooirecht (zie HR 21-4-1995, NJ 1996/462).

15. Uit dit een en ander vloeit voort dat het hof niet de voorzieningenrechter zal volgen in haar afweging van enerzijds het belang dat gelegen is in het (voorkomen van het) verlies van arbeidsplaatsen (en de kosten van verplaatsing van het bedrijf), tegen anderzijds het belang van [appellante] bij daadwerkelijke handhaving van haar octrooirecht, en evenmin in haar conclusie dat [appellante] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij onverwijlde executie. De uitkomst van bedoelde belangenafweging kan, gezien het eerder overwogene, bovendien niet leiden tot het oordeel dat daarmede is voldaan aan het criterium voor schorsing van de executie zoals weergegeven in r.o. 5. Zulks staat mitsdien aan toewijzing van de gevraagde voorlopige voorzieningen in de weg. Ook overigens is naar het voorlopig oordeel van het hof geen sprake van zodanige feiten of omstandigheden, dat daarop het oordeel kan worden gebaseerd dat [appellante], door gebruik te maken van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van de bodemrechter, misbruik maakt van (proces)recht. Hetgeen aan de zijde van [geïntimeerde] is gesteld over (een) eerder(e) onjuist vonnis(sen) van de Haagse rechtbank in octrooizaken, kan geen invloed op de uitkomst van deze oordelen hebben.

16. Hetgeen [geïntimeerde] verder nog heeft aangevoerd, bevat evenmin een toereikend aanknopingspunt voor het aannemen van nova met zodanige daaraan verbonden gevolgen, dat daarmede is voldaan aan het in r.o. 5 genoemde criterium. Met name kan als zodanig niet gelden hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd omtrent "nieuwe" (uit 1989 daterende) documenten inzake "Arney et al", waaromtrent [geïntimeerde] overigens slechts aanvoert dat zulks zal leiden tot de conclusie dat het vonnis "in de vorm waarin het is gewezen" geen stand zal houden, welke kwestie in de bodemprocedure aan de orde dient te worden gesteld. Ook van een mogelijkheid tot verder onderhandelen, hetgeen de voorzieningenrechter in haar oordeel ten nadele van [appellante] nog heeft laten meewegen, is in het licht van het eerder overwogene (thans) geen sprake. Voor een nadere analyse van de tot op heden door de moedermaatschappijen van partijen kennelijk gevoerde onderhandelingen te Nederland en/of elders, al dan niet tegen de achtergrond van procedures zoals deze kennelijk buiten Nederland aanhangig zijn (geweest), biedt de onderhavige procedure geen plaats. Daarmede is tevens het belang van [geïntimeerde] bij haar 2e grief in het incidenteel appel uitgeput.

17. Het bovenstaande brengt met zich dat de grieven van [appellante] in het principaal appel, gericht tegen de toewijzing door de voorzieningenrechter van de door [geïntimeerde] gevorderde voorlopige voorzieningen, doel treffen. Voor toewijzing aan [geïntimeerde] van het door haar gevorderde verbod tot executie, evenals voor de gevorderde schorsing of staking daarvan, bestaat geen grond. Voor het overige behoeven de grieven geen (verdere) bespreking.

De grieven die [geïntimeerde] in incidenteel appel heeft voorgedragen, missen doel.

18. De slotsom luidt dat het beroepen vonnis van de voorzieningenrechter te Assen dient te worden vernietigd, en dat de gevorderde voorzieningen alsnog dienen te worden geweigerd.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg, alsmede in die van het principaal en incidenteel appel (in het principaal appel 3 punten in tarief II, en in het incidenteel appel 1/2 punt in tarief II).

19. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appel:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter te Assen d.d. 23 juni 2005, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

weigert de door [geïntimeerde] gevorderde voorzieningen;

in het incidenteel appel:

verwerpt het beroep;

in het principaal en incidenteel appel:

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] als volgt te begroten:

in prima: euro 244,-- aan verschotten en euro 1.500,-- voor salaris;

in het principaal appel: euro 362,93 aan verschotten en euro 2.682,-- voor salaris;

in het incidenteel appel: nihil aan verschotten en euro 447,-- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en Buys, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 12 oktober 2005.