Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU4136

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
BK 1101/04 Waterschapslasten
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of het onderhavige perceel terecht in omslagklasse 3 is ingedeeld zoals door de heffingsambtenaar wordt verdedigd, of dat indeling in omslagklasse 2 behoort plaats te vinden zoals door belanghebbende wordt betoogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/1358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1101/04 6 oktober 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van het waterschap Noorderzijlvest (: de heffingsambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2004 onder nummer 0000000000 opgelegde aanslag in de waterschapslasten.

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende werd voor het jaar 2004 op grond van de daartoe strekkende verordeningen van het waterschap Noorderzijlvest een aanslag waterschapslasten opgelegd.

1.2 In het tijdig ingediende bezwaar maakte belanghebbende bezwaar tegen het tarief waarvoor zijn perceel A in de heffing van waterschapslasten was betrokken

1.3 Bij de uitspraak op dat bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard.

1.4 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 6 december 2004 is ingekomen.

1.5 Op 14 maart 2004 heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.6 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 14 juli 2005 te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren B als gemachtigde van belanghebbende en de door de heffingsambtenaar gemachtigde ambtenaar mr. C die werd vergezeld door de ambtenaar D. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.7 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

2. De feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende is eigenaar van het perceel kadastrale gemeente A, groot 7.09.69 hectare, welk perceel is gelegen in het verzorgingsgebied van het waterschap Noorderzijlvest.

2.2 Voor de heffing en invordering van waterschapslasten heeft het waterschap de Verordening op de waterschapsomslagen waterschap Noorderzijlvest 2004, de Kostentoedelingsverordening waterschap Noorderzijlvest 2002 en de Omslagklassen-verordening waterschap Noorderzijlvest 2002 vastgesteld. Bij het vaststellen van die verordeningen is uitgangspunt geweest het rapport Toedeling waterschapslasten waterschap (nieuw) Noorderzijlvest van 20 oktober 1999, dat ertoe strekte fundament te bieden aan de besluitvorming over de kostentoedeling en de (instelling van) omslagklassen als bedoeld in artikel 120, zevende lid, van de Waterschapswet (Wet van 6 juni 1991, Stb. 379; nader: de wet).

2.3 Uit voormeld rapport bleek dat er reden was omslagklassen in te stellen voor de categorie ongebouwd, en wel als volgt:

Klasse 1 (factor 0): wateren, gronden onbemalen en buitendijkse grond;

Klasse 2 (factor 0,5): ongebouwde onbemalen gronden met een afvoernorm voor de dimensionering van watergangen van < 0,9 l/s/ha en gronden gelegen in gebieden met onzichtbare afwatering;

Klasse 3 (factor 0,87): ongebouwde onbemalen gronden met een afvoernorm voor de dimensionering van watergangen van > 0,9 l/s/ha;

Klasse 4 (factor 1): ongebouwde bemalen gronden

2.4 Het perceel van belanghebbende is gelegen in een vrij afstromend en hoog gelegen gebied (boven NAP + 2,00 meter) waar op grond van voormeld rapport inzake de kostentoedeling een afvoerfactor van meer dan 0,9 liter per seconde per hectare geldt. Bij het ontwerp van de hoofdwatergangen en kunstwerken in het gebied is uitgegaan van een ontwerp-afvoernorm van 1,33 liter per seconde per hectare. Via de E waterlossing vindt afstroming plaats op de F (NAP – 0,93 meter). Er wordt geen gebruik gemaakt van aanvullende polderbemaling. Indeling van het perceel op grond van het voorzieningenniveau vond daarom plaats in omslagklasse 3.

2.5 Het onderhavige perceel bevindt zich in de nabijheid van een zandwinplas waarop het afwatert. Deze zandwinplas staat middels een duiker met een doorsnede van rond 500 mm rechtstreeks in verbinding met de naastgelegen watergang van het waterschap. Ter zitting is een kaart getoond en zijn de gronden van belanghebbende daarop aangewezen.

2.6 Tegen de opgelegde aanslag waterschapslasten heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, aanvoerende dat op het onderhavige perceel geen enkele vorm van waterafvoer aanwezig is, omdat de duiker die de verbinding vormt met de naastgelegen watergang van het waterschap is volgestort met zand en daarom dichtzit.

2.7 De heffingsambtenaar heeft dat bezwaar niet willen honoreren omdat belanghebbendes perceel afwatert op een zandwinplas. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift bleef daarom de indeling van het perceel in omslagklasse 3 gehandhaafd.

2.8 Tegen de classificatie (omslagklasse 3) richt zich het beroep.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is of het onderhavige perceel terecht in omslagklasse 3 is ingedeeld zoals door de heffingsambtenaar wordt verdedigd, of dat indeling in omslagklasse 2 behoort plaats te vinden zoals door belanghebbende wordt betoogd.

3.2 Belanghebbende voert daartoe aan dat de duiker die voor waterafvoer zou moeten zorgdragen is volgestort met zand en daarom niet functioneert, en dat overigens nergens op het perceel anderszins sprake is van afvoer.

3.3 De heffingsambtenaar blijft zich op het standpunt stellen dat het in het desbetreffende gebied door het waterschap aangebrachte en instandgehouden voorzieningenniveau indeling in klasse 3 rechtvaardigt.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden als vermeld in de van ieder van hen afkomstige gedingstukken. Ter zitting zijn geen nadere gronden aangevoerd.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Niet in geschil is dat in het taakgebied van waterschap Noorderzijlvest sprake is van zodanige verschillen in hoedanigheid en ligging van percelen dat ter voorkoming van onevenredig voor- of nadeel voor de omslagplichtigen omslagklassen zijn ingesteld.

4.2 Belanghebbende bestrijdt niet dat zijn perceel ligt in een deelgebied van het waterschap met een hoge ontwerp-afvoernorm voor de dimensionering van watergangen van > 0,9 l/s/h.

4.3 Dat zo zijnde is zijn perceel terecht en op goede gronden ingedeeld in omslagklasse 3.

4.4 Het door belanghebbende opgeworpen argument dat door de feitelijke verstopping van de duiker geen waterafvoer van zijn perceel mogelijk is, leidt, anders dan belanghebbende meent, niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat de voor waterafvoer aangebrachte duiker niet of niet naar behoren functioneert, is geen factor van betekenis voor de vraag in welke omslagklasse een perceel thuishoort, nog daargelaten op wiens conto die verstopping moet worden geschreven. Daarvoor is slechts bepalend de wijze waarop en de mate waarin door het waterschap wordt zorggedragen voor ontwatering van (deelgebieden van) het taakgebied. Nu ten processe vaststaat dat nabij en rond het onderhavige perceel waterstaatkundige maatregelen zijn getroffen, gebaseerd op een afvoernorm van meer dan 0,9 liter per seconde per hectare, is voor een indeling in de door belanghebbende bepleitte omslagklasse 2 geen plaats.

4.5 De door belanghebbende kennelijk gehuldigde opvatting dat indeling in omslagklassen enkel op een perceelsgerichte benadering dient te zijn gestoeld, vindt geen steun in het recht: tekst noch parlementaire geschiedenis van de Waterschapswet bieden aanknopingspunten voor de opvatting dat een in te stellen omslagklassenverordening van zodanig verfijnd karakter dient te zijn dat min of meer per perceel in plaats van gebiedsgericht de waterschapslasten middels omslagklassen aan omslagplichtigen in rekening worden gebracht. Integendeel: de parlementaire geschiedenis spreekt ter zake van “categorieën”, hetgeen stellig niet kan worden uitgelegd in de door belanghebbende voorgestane zin van benadering per perceel.

4.6 Met de stelling dat de duiker verstopt zit en daarom geen waterafvoer mogelijk maakt, lijkt belanghebbende te poneren dat het waterschap zijn gepretendeerde taak op het terrein van waterkwantiteitsbeheer niet naar behoren vervult. Het hof zal dat in het midden laten, niet alleen omdat de verstopping van de duiker niet door het waterschap is veroorzaakt, maar ook omdat het perceel van belanghebbende wel degelijk belang heeft bij de taakvervulling door het waterschap. Dat belang wordt niet afgemeten aan de wijze waarop het waterschap in de ogen van belanghebbende die taak vervult, maar in algemene zin aan het niveau van de waterstaatkundige voorzieningen die door het waterschap zijn aangelegd en onderhouden. Het ontbreken van dat belang is door belanghebbende niet gesteld. Een dergelijke stelling zou overigens stranden op de onweersproken gebleven stelling van het waterschap dat afvoer van overtollig water in elk geval plaatsvindt via ondergrondse afwatering op lager gelegen percelen daar hemelwater nooit voor 100 procent zal kunnen verdampen. Via onzichtbare afwatering door de grond levert zijn perceel ook in zoverre waterbezwaar op, zodat belanghebbende ook in zoverre belang heeft bij taakvervulling en voorzieningenniveau van het waterschap.

4.7 Opgemerkt zij ten slotte voorts dat belanghebbende de uitkomsten van het in 1999 uitgevoerde kostentoedelingsonderzoek niet heeft aangevochten, en zich dus kennelijk kan vinden in de verdeelsleutel ex artikel 120, zevende lid, van de Wet die dient om de kosten van het waterbeheer daar neer te leggen waar zij worden opgeroepen.

4.8 De grieven zijn vruchteloos voorgesteld.

5. De slotsom

Het beroep dient als ongegrond te worden verworpen.

6. Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 6 oktober 2005 door mr. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. Van der Meer, raadsheer, en mr. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer Van der Meer en door voornoemde griffier.

Op 12 oktober 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.