Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU4134

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
BK 75/04 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AZ9677, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de onder 2.15 genoemde correcties onder a, b en c (hierna: correcties a, b en c) heeft toegepast.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Wet inkomstenbelasting 2001 3.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-2008
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 75/04 7 oktober 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1997, aanslagnummer 0000.00.000.H.77.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd voor het jaar 1997 met dagtekening 26 juli 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 35.397,-.

Op het tijdig ingediende bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 december 2003 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), dat op 27 januari 2004 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 23 februari 2004.

De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 19 september 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, alsmede namens de inspecteur de heer A. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de inspecteur heeft hij daarbij een groot aantal bijlagen gevoegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Na inschrijving bij de Kamer van Koophandel als B in oktober 1996 heeft de Belastingdienst de belanghebbende een vragenformulier 'Opgaaf startende onderneming' gezonden. De belanghebbende heeft dit formulier ingevuld en geretourneerd.

2.2 Hierin omschrijft hij de aard van de onderneming als volgt: "Het verzorgen van vervoer ten behoeve van trouwerijen met behulp van een klassieke auto". Hij vermeldde van een te verwachten omzet van f 12.000 per jaar uit te gaan.

2.3 Tijdens een zogenaamd startersbezoek door de Belastingdienst op 21 februari 1997 bleek dat de belanghebbende een Mercedes Coupé 280 SEC van het bouwjaar 1979 bezit, die hij inzet voor trouwvervoer.

2.4 De belanghebbende werkte in volledige loondienst, tot 28 februari 1999 bij C en ingaande 1 maart 1999 bij D B.V. Hij gebruikt 10 tot maximaal 15 van zijn verlofdagen per jaar om zijn auto met zichzelf als chauffeur te verhuren. Hij heeft verklaard dat hij ook twee volgauto's kan leveren (een auto in privé en een leenauto).

2.5 Het bleek op voorhand moeilijk voor de inspecteur te beoordelen of hier wel sprake is van een bron van inkomen en vervolgens of er wel sprake is van winst uit onderneming.

2.6 In het controleverslag van 3 maart 1997 van de Belastingdienst staat daarom de mededeling opgenomen: "Indien het resultaat over de jaren 1996 tot en met 1998 negatief is dan dient te worden gesteld, dat de onderneming geen bron van inkomen is. (…) Wij hebben afgesproken, dat u reeds per 31 december 1997 bekijkt of het maken van winst realistisch is."

2.7 Overeenkomstig de afspraken bij het startersbezoek zijn de aangiften inkomstenbelasting over de jaren tot en met 1998 door de inspecteur geregeld ondanks het negatieve resultaat.

2.8 Omdat de resultaten uit de activiteiten over de jaren 1996 tot en met 1999 volgens de aangiften sterk negatief bleken heeft de Belastingdienst ingaande maart 2001 een boekenonderzoek ingesteld. Vanwege de problemen die naar voren kwamen is er uitgebreid gecorrespondeerd en heeft er ook een bespreking plaatsgevonden. Pas op 7 maart 2002 is een verslag van het boekenonderzoek toegezonden.

2.9 Daarna is er weer gecorrespondeerd en er is op 12 juni 2002 een verbeterd verslag van het boekenonderzoek toegezonden. De problemen over de jaren 1997 en 1998 hadden vooral betrekking op enkele kostencorrecties.

2.10 De belanghebbende heeft in 1997 nog een auto aangeschaft, een Mercedes 170 Da.

De belanghebbende heeft verklaard eveneens een VW kever ter beschikking te hebben. Deze auto had hij in 1992 gekocht en in 1994 of 1995 verkocht aan de heer E, maar de auto is wel op naam van de belanghebbende blijven staan. De belanghebbende mag deze auto ook gebruiken. Hij betaalt daar tegenover enkele kosten van de auto.

2.11 Indien de belanghebbende als chauffeur optreedt, moet hij een hele of halve dag vrij nemen van zijn werk. De belanghebbende deelde mee dat zijn echtgenote ook enkele ritten per jaar als chauffeuse zou kunnen verzorgen. De belanghebbende heeft verklaard op die manier maximaal 20 ritten per jaar aan te kunnen nemen. De echtgenote verzorgt sedert zij is bevallen van het oudste kind (geb. 3 mei 1999) geen ritten meer. Over de afgelopen jaren voerde de belanghebbende ongeveer 12 ritten per jaar uit.

2.12 Belanghebbende heeft f 749,- afgetrokken als werkkleding. Bij het ingaande maart 2001 ingestelde boekenonderzoek kwam naar voren dat er geen feiten aannemelijk konden worden gemaakt waaruit kon worden geconcludeerd dat het hier om werkkleding in de zin van artikel 8b, lid 1, aanhef en letter a, ten vierde, en lid 3 van de Wet ging. Uit de aangifte en de daarbij gevoegde stukken bleek niet dat het niet om werkkleding ging.

2.13 De inspecteur heeft bij brief van 3 september 2003 om betalingsbewijzen betreffende de afgetrokken vakliteratuur gevraagd. Belanghebbende heeft deze niet verstrekt. Ook op de zitting heeft hij ze desgevraagd niet kunnen laten zien.

2.14 Bij het in maart 2001 ingestelde boekenonderzoek is gebleken dat belanghebbende een creditfactuur van f 100,- van MAB van 27 augustus 1997 niet heeft geboekt.

2.15 Het bij de definitieve aanslag vastgestelde belastbaar inkomen bedroeg f 33.511,-

De inspecteur heeft daarna de volgende correcties toegepast:

Bij:

a. Geen aftrek kleding f 749,-

b. Lagere aftrek literatuur f 340,-

c. Niet geboekte creditfactuur f 100,-

d. Dubbel geboekte facturen van kosten f 697,-

Vastgesteld belastbaar inkomen bij navordering f 35.397,-

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de onder 2.15 genoemde correcties onder a, b en c (hierna: correcties a, b en c) heeft toegepast. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3 Ter zitting heeft de belanghebbende medegedeeld akkoord te gaan met correctie d.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ten aanzien van correctie a

Uit het onder 2.12 vermelde trekt het hof de conclusie dat er wel sprake is van een zogenaamd nieuw feit en dat de correctie op zichzelf ook terecht is. Aan de juistheid van de aangifte hoefde de inspecteur niet te twijfelen, zodat nader onderzoek toen niet geboden was. Belanghebbende heeft nog wel gesteld dat er een logo op de kleding zou hebben gezeten, doch dit is niet aannemelijk geworden.

4.2 Ten aanzien van correctie b

Gelet op het onder 2.13 vermelde heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij ter zake van vakliteratuur uitgaven heeft gedaan. Ter zake van deze correctie heeft de inspecteur ook een nieuw feit, omdat uit de aangifte met bijlagen niet bleek dat er geen betalingsbewijzen voorhanden waren of dat deze desgevraagd niet zouden (kunnen) worden getoond, terwijl deze aangifte ook niet noopte tot een nader onderzoek.

4.3 Ten aanzien van correctie c

Gelet op het onder 2.14 vermelde moet aangenomen worden dat deze correctie terecht is. Niet aannemelijk is immers geworden dat de betreffende vordering van f 100,- oninbaar was in 1997 en ook niet kon worden verrekend.

4.4 Van een door belanghebbende gesteld handelen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de inspecteur is gelet op het onder 2.12 tot en met 2.14 en onder 4.1 en 4.2 vermelde geen sprake.

4.5 Gelet op het voorgaande en het onder 3.3 vermelde moet worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 7 oktober 2005 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. H.S. Pruiksma, vice-president, en mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Robben en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 12 oktober 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.