Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU4130

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
BK 980/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

Mag belanghebbende een bedrag van € 395 voor extra uitgaven voor een op medisch voorschift gehouden dieet tot de uitgaven van ziekte, invaliditeit en bevalling, zoals bedoeld in artikel 6.17, lid 1, letter c van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) rekenen.

Voorts is in geschil of belanghebbende een bedrag van € 2.743 wegens meerkosten autogebruik tot de uitgaven wegens, ziekte, invaliditeit en bevalling, zoals bedoeld in artikel 6.17, lid 1, letter a van de Wet mag rekenen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/11.1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 980/04 7 oktober 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X

(: belanghebbende) te Z tegen de uitspraak van de de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/Kantoor Emmen

(: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 3 maart 2004 is ten name van belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag op 14 april 2004 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak van 23 september 2004 het bezwaar ongegrond verklaard. Belanghebbende is van deze uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van de derde enkelvoudige belastingkamer van het hof van 20 mei 2005 te Assen. Aldaar zijn verschenen en gehoord A als gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, B. Van het verhandelde te zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het hof heeft op 3 juni 2005 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn per aangetekende post op 17 juni 2005 aan partijen verzonden. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Op 10 augustus 2005 heeft de Hoge Raad vanwege het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie verzocht, de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. De feiten

Het hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Aan belanghebbende is in afwijking van zijn aangifte op 3 maart 2004 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 20.241. Dit verzamelinkomen bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 20.209 en uit een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 32.

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 18.641

Bij aanslagregeling aangebrachte correctie:

Minder buitengewone uitgaven: extra vervoerskosten € 770

Minder buitengewone uitgaven: dieetkosten - 395

€ 1.165

In de aangifte opgevoerde buitengewone uitgaven - 4.903

Buitengewone uitgaven na correctie € 3.738

Niet-aftrekbare drempel 11,2% van € 22.131 - 2.478

€ 1.260

Verhoging 50% - 630

In aanmerking te nemen buitengewone uitgaven € 1.890

Bij aangifte in aanmerking genomen buitengewone uitgaven - 3.458

Correctie - 1.568

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 20.209

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is overeenkomstig belanghebbende aangifte vastgesteld op € 32.

2.2. Belanghebbende heeft op 14 april 2004 bezwaar aangetekend tegen de onderhavige aanslag.

2.3. Bij uitspraak van 23 september 2004 is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en is de aanslag gehandhaafd.

2.4. Belanghebbende is tijdig in beroep gekomen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

3.1. Mag belanghebbende een bedrag van € 395 voor extra uitgaven voor een op medisch voorschift gehouden dieet tot de uitgaven van ziekte, invaliditeit en bevalling, zoals bedoeld in artikel 6.17, lid 1, letter c van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) rekenen.

3.2. Voorts is in geschil of belanghebbende een bedrag van € 2.743 wegens meerkosten autogebruik tot de uitgaven wegens, ziekte, invaliditeit en bevalling, zoals bedoeld in artikel 6.17, lid 1, letter a van de Wet mag rekenen. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de inspecteur daarentegen ontkennend.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Het beroep van belanghebbende op aftrek van buitengewone lasten op grond van artikel 6.17 van de Wet inzake dieetkosten faalt, nu naar het oordeel van het hof belanghebbende niet aannemelijk maakt dat er sprake is van extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet.

4.2. Het hof is met betrekking tot de door belanghebbende op grond van artikel 6.17. lid 1, letter a van de Wet tot de uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling gerekende meerkosten autogebruik van oordeel dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakt dat er sprake is van vervoerskosten, die als een direct gevolg van zijn handicap hoger zijn dan de kosten, welke gezonde en valide mensen, die in een vergelijkbare financiële en maatschappelijke omstandigheden verkeren, kwijt zijn aan vervoer.

4.3. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, zoals het noodzakelijke gebruik van de auto ten gevolge van de ziekte van belanghebbende (hoezeer het hof ook begrip heeft voor de situatie van belanghebbende) leiden niet tot een ander oordeel.

4.4. Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de onderhavige aanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

4.5. Het hof is niet gebleken dat er overigens gronden bestaan om de onderhavige aanslag niet in stand te laten.

5. De conclusie

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

6. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 7 oktober 2005 door mr. F.J.W. Drion,

raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. van der Leij en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan beide

partijen op: 12 oktober 2005