Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU3915

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
07-10-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0300053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij tussenarrest van 8 december 2004 is [geïntimeerden] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs in de vorm van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat VDM zich niet voldoende heeft ingespannen om financiering te verkrijgen van de Friesland Bank voor de aankoop van gronden van [betrokkenen].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 5 oktober 2005

Rolnummer 0300053

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

VDM Plantontwikkeling BV,

gevestigd te Drachten,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: VDM,

procureur: mr R.S. van der Spek,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. Farmex Vastgoed B.V.,

gevestigd te Drachten,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr H. de Boer.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 8 december 2004 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter voldoening aan de in het tussenarrest van 8 december 2004 gegeven bewijsopdracht zijn op 9 februari 2005 als getuigen gehoord de heren [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

[geïntimeerden] hebben vervolgens een memorie na gehouden getuigenverhoor tevens houdende akte overlegging producties genomen.

VDM heeft een memorie van antwoord na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

Voorts met betrekking tot de grieven III, IV, V en VI

1. Bij tussenarrest van 8 december 2004 is [geïntimeerden] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs in de vorm van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat VDM zich niet voldoende heeft ingespannen om financiering te verkrijgen van de Friesland Bank voor de aankoop van gronden van [betrokkenen].

2. [geïntimeerden] hebben in enquête een viertal getuigen laten horen, onder wie een drietal (ex)werknemers van de Friesland Bank. VDM heeft afgezien van het houden van een contra-enquête.

3. Anders dan [geïntimeerden] betoogt, impliceert het feit dat geen contra-enquête is gehouden niet dat VDM het eens is met de in enquête afgelegde verklaringen. Het staat VDM vrij om de juistheid van (enkele van) de afgelegde verklaringen te betwisten.

4. Het hof acht bij de beoordeling van de vraag of VDM zich voldoende heeft ingespannen om bij de Friesland Bank de in geding zijnde financiering te verkrijgen, doorslaggevend de verklaring van de functionarissen die destijds bij de Friesland Bank een doorslaggevende stem hadden bij het al dan niet toekennen van deze financiering.

5. De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij in 2000 als concerndirecteur van de Friesland Bank verantwoordelijk was voor financieringen van meer dan fl. 500.000,00.

"Aanvragen voor krediet liepen via de accountmanager. Dan werden ze, waar het vastgoedkredieten betrof, doorgeleid naar het vastgoedteam van de heer [getuige 2]. Dit team kon zonodig nadere gegevens opvragen en vervolgens oordelen of de kredietaanvraag aan de normen van de bank voldeed. De heer [getuige 2] had de bevoegdheid om kredietaanvragen af te wijzen, ook op inhoudelijke gronden; in dat geval behoefden ze niet aan mij te worden voorgelegd."

De getuige [getuige 2] heeft verklaard

"In het jaar 2000 was ik directeur vastgoed, tot mijn taken als zodanig behoorde ook het zijn van accountmanager van VDM voor zover het betrof grondfinancieringen. Ik had in die periode zeer regelmatig contact met VDM, soms eens in de maand, soms wel tienmaal in de maand, afhankelijk van de mate waarin VDM actief was op de markt. Ik heb misschien wel 50 aanvragen voor kredietverlening van VDM met betrekking tot grondaankoop behandeld. Aanvragen voor kredieten als die in Drachten en Heerenveen waarover het in deze procedure gaat, waren niet bijzonder. Mij staat bij dat projecten in Workum, Diever, Goutum-Zuid, Marum en De Knipe, waarvoor de Friesland Bank wel financiering heeft verstrekt, van gelijke omvang waren. Ook zijn er meer financieringsaanvragen van gelijke omvang afgewezen.

(...)

Financieringsaanvragen werden schriftelijk ingediend, voorzien van de benodigde gegevens. De financieringsaanvragen voor Heerenveen en Drachten weken op dit punt niet af van andere financieringsaanvragen van VDM. Met de benodigde gegevens doel ik op kadastrale gegevens, bodemonderzoeken en dergelijke. Een taxatierapport was niet altijd vereist, omdat de grondprijzen bij de Friesland Bank wel bekend waren. (...)

Ik ben samen met mijn medewerker tot het oordeel gekomen dat de aanvragen in dit geval niet voldeden aan de normen van de bank. De normen van de bank waren vastgelegd in een beleidsnotitie vastgoedfinancieringen. Daarin waren risiconormen en aandachtspunten voor positie in de markt (bijvoorbeeld bestemmingsplannen) opgenomen. Ik weet niet meer precies op welke punten deze kredietaanvragen niet aan de normen voldeden.

(...)

De kredietaanvragen zijn niet afgewezen omdat de stukken niet volledig waren.

Ten aanzien van het tijdspad, kan ik mij herinneren dat er aanvankelijk wel druk op zat, toen is om uitstel verzocht en daarna zijn de kredietaanvragen binnen een normaal tijdpad afgehandeld.

De afwijzingen zijn schriftelijk meegedeeld. U houdt mij voor dat bij de conclusie van dupliek een tweetal afwijzingsbrieven zijn overgelegd, waarin als afwijzingsgrond is opgenomen dat de bank het project te risicovol vond. Ik kan mij herinneren dat dat de belangrijkste afwijzingsgrond was. Een dergelijke brief was een normale wijze van afwijzen van een kredietaanvraag. (...) Voor de aanvraag betreffende Drachten was de aanvankelijke tijd die de bank gegund was te kort. Daarom is de brief van 31 oktober 2000 geschreven zoals die bij dupliek is overgelegd. Nadat de termijn was verlengd, heeft de Friesland Bank in dat geval, en evenals bij de aanvraag voor Heerenveen, genoeg gelegenheid gehad om een zorgvuldig onderzoek te doen."

6. Het hof oordeelt op grond van deze getuigenverklaringen dat de afwijzing van de financieringsaanvraag door de Friesland Bank niet het gevolg is geweest van het nalaten van VDM om de Bank de juiste informatie te verschaffen. Evenmin volgt uit deze verklaring dat de afwijzing had kunnen worden voorkomen indien VDM op enig punt een andere houding had aangenomen.

7. Dat de getuige [getuige 1], directeur van Credion Groningen BV en tot 1998 werkzaam als hoofd zakelijke relaties Noordwest Friesland bij de Friesland Bank, heeft verklaard zich niet te kunnen voorstellen dat de Friesland Bank een gefundeerd oordeel heeft kunnen vormen over de in geding zijnde kredietaanvragen omdat daarvoor volgens hem meer stukken noodzakelijk zijn, kan hieraan niet afdoen, omdat die getuige daarover niet uit eigen wetenschap kan verklaren, terwijl de getuige van [getuige 2] die dat wel kan, uitdrukkelijk heeft verklaard dat de kredietaanvragen niet zijn afgewezen omdat de stukken niet volledig waren.

8. Het hof acht [geïntimeerden] dan ook niet geslaagd in het leveren van het haar opgedragen tegenbewijs.

9. Mitsdien slagen de grieven III, IV en V.

10. Ten aanzien van grief VI heeft het hof in het tussenarrest van 12 mei 2004 in rechtsoverweging 25 overwogen dat [geïntimeerden] wel aanspraak kan maken op een redelijk deel van het afgesproken loon en op vergoeding van onkosten. [geïntimeerden] hebben bij akte alsnog de opstelling, bedoeld in rechtsoverweging 8 van het tussenarrest van 8 december 2004 in het geding gebracht. In dit stuk voeren [geïntimeerden] aan dat zij 425 uur aan de aankoop van de gronden van [betrokkenen] hebben besteed en dat zij een uurloon van Euro 135 inclusief auto- en bureaukosten, doch exclusief BTW rekenen. Voorts stellen zij Euro 525,00 aan overige kosten te hebben gemaakt. In totaal maken [geïntimeerden] op de door het hof aangegeven grond aanspraak op Euro 68.901, inclusief BTW.

11. VDM acht het aantal opgegeven uren buitensporig groot. Zij kan wel instemmen met het opgegeven uurloon. Zij verwijst naar de bezwaren die zij reeds in de akte van 22 september 2004 tegen de opstelling van [geïntimeerden] naar voren heeft gebracht, waarbij zij onder meer hebben aangevoerd dat de opstelling betrekking heeft op andere projecten dan die van [betrokkenen].

12. Het hof constateert dat [geïntimeerden] in hun nadere akte niet gereageerd hebben op de bezwaren geventileerd in de akte van VDM van 22 september 2004. Het aantal vermelde uren komt het hof erg hoog voor, waarbij een aantal uren ook nog eens in het weekend vallen, terwijl VDM uitdrukkelijk heeft betwist dat met haar besprekingen in een weekend zijn gevoerd.

Het hof ziet hier aanleiding om de urenopstelling van [geïntimeerden] niet te volgen. Het hof zal het redelijk deel van de courtage waarop [geïntimeerden] jegens VDM aanspraak kunnen maken, ex aequo et bono vaststellen op 10% van de contractueel overeengekomen courtage van ƒ 927.67,73 (Euro 420.958,62), derhalve op Euro 42.095,86.

13. Grief VI faalt.

De slotsom

14. Het hof zal het vonnis waarvan appel vernietigen en opnieuw rechtdoende VDM veroordelen om aan [geïntimeerden] te betalen Euro 42.095,86 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juni 2001 tot de dag der algehele voldoening, gelijk de rechtbank, op dit punt onbestreden, heeft beslist.

Het hof ziet in deze uitkomst, mede gelet op de proceshouding van VDM in eerste aanleg, aanleiding om ten aanzien van de proceskosten als volgt de beslissen. De kosten van de procedure in eerste aanleg worden gecompenseerd in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt. In appel dienen [geïntimeerden] te worden aangewezen als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij en te worden belast met de aan de zijde van VDM gevallen kosten, voor wat het salaris betreft begroot op 3,5 punt naar tarief VII.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt VDM om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van Euro 42.095,86, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juni 2001 tot de dag der algehele voldoening;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van VDM op Euro 4.892,20 aan verschotten en Euro 13.632,50 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs Kuiper, voorzitter, Breemhaar en Zandbergen, raden,

en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 5 oktober 2005.