Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU3830

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-09-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
BK 106/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de onder 2.7 vermelde correctie terecht heeft aangebracht, welke vraag de belanghebbende ontkennend en de inspecteur bevestigend beantwoordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1941
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 04/0106 30 september 2005

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Emmen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar met nummer 0000.00.000.H.97 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan de belanghebbende is voor het jaar 1999 met dagtekening 28 februari 2003 bovengenoemde navorderingsaanslag IB/PV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 180.096,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 5 januari 2004 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen) dat op 9 februari 2004 bij het gerechtshof is ingekomen en is aangevuld bij brief (met bijlagen) van 29 april 2004. De inspecteur heeft op 3 augustus 2004 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof gehouden op 14 juli 2005 te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen de belanghebbende, haar gemachtigde mr. A en B en zoon, alsmede namens de inspecteur mr. C.

1.5 Ter voormelde zitting heeft belanghebbendes gemachtigde de door hem voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 De belanghebbende en haar echtgenoot exploiteerden sinds 1996 of 1997 in firmaverband een installatie- annex onderdelenwinkel op het gebied van sanitair, gas, water en elektra. Tevens was er een kleinhandel in kleine huishoudelijke artikelen, radio en tv. Tot die tijd werd de onderneming gedreven voor rekening en risico van belanghebbendes echtgenoot.

In 1997 zijn de installatiewerkzaamheden gestaakt en per 31 mei 1999 is ten aanzien van beide firmanten de onderneming gestaakt.

2.2 De onderneming werd onder andere uitgeoefend in het pand gelegen aan de a-straat 22 te Z. Op 29 november 1993 is het tot dan toe van belanghebbendes schoonmoeder gehuurde pand, gekocht voor een bedrag van ƒ 174.000,--. Blijkens een in 1995 ten behoeve van het recht van schenking uitgevoerde taxatie bedroeg de waarde in verhuurde staat toen ƒ 380.000,--, waarvan ƒ 320.000,-- voor het bedrijfsdeel en ƒ 60.000,-- voor het woondeel. Bij die waardebepaling is rekening gehouden met de investeringen door en voor rekening van de huurder/koper.

2.3 Blijkens voornoemd taxatierapport bestaat het bedrijfsgedeelte van het pand uit een verkoopruimte van 80 m², keuken, kantoor (gebouwd na aankoop), magazijn van 20 m² (incl. keuken) en werkplaats van 55 m². Het woongedeelte bestaat uit een hal/entree/trapopgang/toilet, woonkamer met open keuken, badkamer, toilet en wasruimte.

2.4 Na aankoop heeft de belanghebbende het gehele pand tot haar privé-vermogen gerekend. De verbouwingen en verbetering aan het bedrijfsdeel van het pand zijn zowel vóór (aanpassing interieur winkel, verplaatsing en vernieuwing toonbank) als ná de aankoop (aanpassing winkelpui en luifel) op de bedrijfsbalans geactiveerd. Andere investeringen in het pand (vóór de aankoop plaatsing beneden van een keuken en een toilet in de hal en ná de aankoop aanbouw van een woonvertrek in de tuin) zijn steeds als privé bestedingen beschouwd.

2.5 Het pand is na de staking in 1999 verkocht aan een projectontwikkelaar voor ƒ 825.000,-- en vervolgens gesloopt.

2.6 In 2002 heeft de belastingdienst over het stakingsjaar 1999 een boekenonderzoek ingesteld. In het kader van dat onderzoek heeft er door dezelfde taxateur als in 1995 opnieuw een taxatie plaatsgevonden van het pand, dat ten tijde van die taxatie al gesloopt was. In het van deze taxatie opgemaakte rapport vermeldt de taxateur het volgende:

'De onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat door mij toen (hof: in 1995) vastgesteld op ƒ 380.000,-- (koper was huurder) te splitsen in ƒ 60.000,-- woondeel en ƒ 320.000,-- bedrijfsdeel. […] Bij de splitsing in zakelijk en privé per 29-11-1993 kan mijn splitsing per die datum als uitgangspunt dienen ofwel ca. 16% toe te rekenen aan het woondeel of ƒ 28.000,-- incl. ƒ 11.000,-- ondergrond (excl. investeringen door huurder/koper) en ca. 84% voor het bedrijfsdeel of ƒ 146.000,-- incl. ƒ 59.000,-- (excl. investeringen door huurder/koper).

Bij de splitsing van de verkoop in 1999 moet uitgegaan worden van het pand in de staat per datum verkoop en kan de splitsing van mijn taxatie per november 1993 dus niet als uitgangspunt dienen. Aan de hand van de tekening is vast te stellen dat er per november 1993 sprake is van een splitsbaar pand. Op basis van de thans ter beschikking staande gegevens kan naar mijn oordeel de opbrengst bij verkoop in 1999 gesplitst worden in:

- 30% woondeel;

- 70% zakelijk deel.'

Als bijlagen bij dit taxatierapport zijn een kopie tekening pand en een kopie taxatierapport 1995001550 gevoegd.

2.7 Het verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs van het zakelijk deel van het pand heeft de inspecteur aangemerkt als boekwinst omdat zijns inziens sprake is van verplicht ondernemingsvermogen. Bij de onderhavige navorderingsaanslag heeft hij conform het firmacontract de helft van deze boekwinst van ƒ 431.500,-- ( 70% x ƒ 825.000,-- -/- 84% x ƒ 174.000,--) als 'meer stakingswinst pand' tot belanghebbendes belastbaar inkomen gerekend.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de onder 2.7 vermelde correctie terecht heeft aangebracht, welke vraag de belanghebbende ontkennend en de inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2 De belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in de van haar afkomstige gedingstukken en mondeling ter voornoemde zitting, het standpunt ingenomen dat het pand ten tijde van de aankoop in 1993 niet splitsbaar was en, gezien het gebruik per november 1993 van 70% voor privé, terecht tot het privé-vermogen is gerekend. Zij verzoekt om een veroordeling van de inspecteur van de werkelijke proceskosten.

3.3 De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in de van hem afkomstige gedingstukken en mondeling ter voornoemde zitting, primair het standpunt verdedigd dat het pand ten tijde van de aankoop in 1993 wel splitsbaar was en dat het bedrijfsgedeelte tot het verplichte ondernemingsvermogen behoort. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat, ingeval het pand terecht tot het privé-vermogen is gerekend, de waardestijging van het pand grotendeels is ontstaan binnen de uitoefening van de onderneming en daarom tot de belaste winst behoren. Zijns inziens bestaat er geen grond voor een meer dan normale proceskostenvergoeding.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Gelet op de tot de gedingstukken behorende plattegrond van het pand en de onder 2.3 vermelde indeling van het pand is het hof van oordeel dat het pand in 1993 zonder bezwaren in twee afzonderlijke gedeelten gesplitst kon worden die apart te gebruiken/verhuren waren. Het woondeel beschikte immers over een eigen trapopgang, gesitueerd in de hal van waaruit ook het bedrijfsdeel kon worden betreden, en het in voornoemde hal geplaatste toilet kon, zonder dat doorvoor het (eigenlijke) woongedeelte moest worden betreden, ook vanuit het bedrijfsdeel worden gebruikt. De inspecteur heeft derhalve met juistheid gehandeld door het pand als splitsbaar aan te merken. De afwezigheid van gescheiden nutsvoorzieningen staat aan deze splitsbaarheid niet in de weg.

4.2 De omstandigheid dat de belanghebbende en haar echtgenoot ook privé gebruik maakten van ruimtes in het bedrijfsdeel - en daartoe onder andere de oude keuken uit het woondeel, beneden hebben herplaatst - staat aan de splitsbaarheid van het pand niet in de weg. Het door belanghebbende dienaangaande gedane bewijsaanbod zal het hof dan ook passeren.

4.3 Weliswaar heeft de belanghebbende nog gesteld dat de tekeningen die de inspecteur en de taxateur aan hun visie ten grondslag leggen niet de feitelijke situatie weergeeft per datum aankoop pand en de oorspronkelijke bouwtekeningen zou betreffen, maar zij legt geen andere tekeningen over en met de overgelegde foto's en hetgeen zij dienaangaande heeft gesteld maakt zij de onjuistheid van de gehanteerde tekeningen ook onvoldoende aannemelijk. Uit het taxatierapport uit 1995 blijkt juist dat rekening is gehouden met wijzigingen (keuken en toilet) die na de stichting van het pand hebben plaatsgevonden. Het hof zal dan ook uitgaan van de juistheid van de door de inspecteur en de taxateur gehanteerde tekeningen.

4.4 Gelet op vorenoverwogene en het feit dat de benedenverdieping van het pand in 1993 (in hoofdzaak) dienstbaar was aan de bedrijfsuitoefening, heeft de belanghebbende naar het oordeel van het hof de grenzen der redelijkheid overschreden door het gehele pand tot haar privé-vermogen te rekenen en behoorde de benedenverdieping van het pand tot het verplichte ondernemingsvermogen.

4.5 Ook heeft de belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de taxateur de splitsing bij verkoop in 1999 onjuist heeft vastgesteld. De enkele stelling daartoe is onvoldoende, terwijl de omstandigheid dat zakelijke ruimtes ook privé worden gebruikt deze ruimtes nog niet tot woondeel bestempelt.

4.6 Van een flagrante schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de inspecteur is het hof niet gebleken. Dat de taxatie in 2002 heeft plaatsgevonden terwijl het pand op dat moment al was gesloopt - waarvan in het rapport overigens melding wordt gemaakt -, kan niet als zodanige schending worden aangemerkt. De taxateur heeft gebruik gemaakt van de (objectieve) gegevens die hem ten dienste stonden.

4.7 Gelet op vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de inspecteur en dient belanghebbendes beroep ongegrond verklaard te worden.

5 Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 30 september 2005 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. J.W. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar te Leeuwarden uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en voornoemde griffier.

Op 5 oktober 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.