Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU3819

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-09-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
BK 719/04 Gemeentelijke belastingen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is, zo begrijpt het hof, de primaire vraag of naar de toestand op 1 januari 2004 ten aanzien van de woning sprake is van voor feitelijk gebruik ter beschikking staan, en de subsidiaire vraag of de heffingsmaatstaf overeenkomstig de bepalingen van de Wet WOZ is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/1261
FutD 2005-1962
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: Nr. 719/04 30 september 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling financiën van de gemeente Boarnsterhim (: het hoofd) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2004 onder nummer 00000 opgelegde aanslagen in de gemeentelijke belastingen.

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende werden voor het jaar 2004 op grond van de daartoe strekkende verordeningen van de gemeente Boarnsterhim op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen, rioolrecht en afvalstoffenheffing opgelegd.

1.2 In het tijdig ingediende bezwaarschrift stelde belanghebbende zich op het standpunt dat het hem in eigendom toebehorende pand a-straat 12 te L op 1 januari 2004 nog niet in de toestand van opgeleverd zijn verkeerde, zodat van belastingplicht ten aanzien van dat pand geen sprake kon zijn, alsmede dat de economische waarde niet correct is vastgesteld.

1.3 Bij de uitspraak op dat bezwaar heeft het hoofd het bezwaar tegen de waardevaststelling wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

1.4 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met 1 bijlage), dat op 9 augustus 2004 is ingekomen, aangevuld bij brief van 7 maart 2005 (met 11 bijlagen).

1.5 Op 15 april 2005 heeft het hoofd een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.6 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof gehouden op 18 juli 2005 te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren mevrouw mr. A als gemachtigde van belanghebbende en de door het hoofd gemachtigde ambtenaar de heer B. Ter voormelde zitting zijn de door partijen voorgedragen pleitnota’s overgelegd.

1.7 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

2. De feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende is eigenaar van de woning gelegen aan de a-straat 12 te L (: de woning). Het kadaster vermeldt 19 juli 1999 als datum waarop het perceel grond waarop de woning is gebouwd (L, sectie Y, nummer 0000 geheel), is aangekocht. De woning is niet bij een derde in gebruik.

2.2 Bij beschikking gedagtekend 28 maart 2003 is de waarde van de woning op de peildatum 1 januari 1999 (tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004) ex artikel 19 van de Wet Waardering onroerende zaken (: WOZ) en geldend vanaf 1 januari 2003 bepaald op € 185.142,-. Op 7 juni 2003 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslagen gemeentelijke belastingen voor het jaar 2003. Het hoofd heeft dit bezwaarschrift mede aangemerkt als te zijn gericht tegen de waardebeschikking van 28 maart 2003. Bij uitspraak van 27 oktober 2003 heeft hij vervolgens belanghebbendes beroep, voor zover gericht tegen de waardebeschikking, niet-ontvankelijk verklaard. De belanghebbende heeft tegen deze uitspraak geen beroep ingesteld.

2.3 De woning is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel, en ten aanzien van de woning is de gemeente verplicht tot de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

2.4 De bestreden aanslagen zien (mede) op het feitelijk gebruik van die woning.

2.5 Uit de door belanghebbende aan de gemeente Boarnsterhim gerichte brief van 7 juni 2003 blijkt dat belanghebbende aan de aannemer die de woning bouwde, een uiterste termijn van oplevering had gesteld van medio juli 2003. De motivering van het beroep somt naderhand als gebreken op die aan een perfecte oplevering in de weg staan: lekkage aan de kelderwanden, niet naar behoren functionerende vloerverwarming, lekkages aan het platte dak en onvoldoende afvoer van hemelwater.

2.6 Feitelijk gebruik van die woning behoorde daarom op 1 januari 2004 in de visie van belanghebbende niet tot de mogelijkheden, aangezien op dat moment nog immer strijd werd gevoerd met de aannemer die het pand bouwde, maar naar de opvatting van belanghebbende nog steeds met zodanige gebreken dat van een naar behoren opgeleverd pand geen sprake was. Op de peildatum 1 januari 2004 kon de woning daarom zijns inziens niet tot bewoning dienen. Om die reden werd tegen de aanslagen bezwaar gemaakt; ook werd daarbij de gehanteerde WOZ-waarde ter discussie gesteld.

2.7 Het hoofd heeft bij de bestreden uitspraak van 16 juli 2004 het bezwaar tegen de WOZ-beschikking van 28 maart 2003 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard, en voor het overige de aanslagen gehandhaafd.

2.8 Tegen die uitspraak richt zich het beroep, dat concludeert tot vernietiging van de aanslag gecombineerde gemeentelijke belastingen 2004, althans tot vermindering.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is, zo begrijpt het hof, de primaire vraag of naar de toestand op 1 januari 2004 ten aanzien van de woning sprake is van voor feitelijk gebruik ter beschikking staan, en de subsidiaire vraag of de heffingsmaatstaf overeenkomstig de bepalingen van de Wet WOZ is vastgesteld.

3.2 Belanghebbende beantwoordt die primaire vraag ontkennend, in verband waarmee hij meent dat de aanslagen gemeentelijke belastingen 2004 de benodigde rechtsgrondslag ontberen. Hij stelt voorts subsidiair dat de WOZ-beschikking waarbij de waarde van de woning voor de heffing van OZB is vastgesteld, hem nooit is toegezonden. Bovendien stelt belanghebbende dat de gemeente in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt indien geen rekening wordt gehouden met de feitelijke situatie waarin belanghebbende zich bevindt.

3.3 Het hoofd daartegenover is van mening dat de woning naar de toestand op 1 januari 2004 aan belanghebbende feitelijk ter beschikking stond, zodat belanghebbende terecht in de in rekening gebrachte gemeentelijke belastingen is betrokken. Dat de WOZ-beschikking belanghebbende niet zou hebben bereikt, acht het hoofd onaannemelijk, nu alle post steeds aan het woonadres van belanghebbende, b-straat 7 te Z, is gezonden, zonder dat ooit poststukken retour zijn ontvangen. Bovendien is hij van mening dat belanghebbende alsdan tegen de uitspraak van 27 oktober 2003 in beroep had moeten gaan.

3.4 Voor een uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Andere gronden dan daar vermeld, zijn niet aangevoerd.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Met betrekking tot de uitspraak van 16 juli 2004, waarbij belanghebbendes bezwaarschrift tegen de waardevaststelling niet-ontvankelijk wordt verklaard, overweegt het hof dat deze uitspraak ten onrechte is gedaan. Immers, het hoofd had reeds (zie 2.2 hiervoor) op 27 oktober 2003 uitspraak gedaan op een door de belanghebbende tegen de waardebeschikking ingediend bezwaarschrift. Daarna kon belanghebbende, die niet stelt dat hij deze uitspraak niet heeft ontvangen verder slechts door middel van beroep zijn bezwaar dat de beschikking nimmer was ontvangen, doen gelden, hetgeen toen niet is geschied. Het hoofd had de brief van 7 juni 2004, voor zover gericht tegen de waardebeschikking, ingevolge artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht derhalve zo spoedig mogelijk moeten doorzenden aan het gerechtshof, waarna het gerechtshof deze als beroepschrift in behandeling had dienen te nemen (zie HR 2 april 2004, nr. 38 123). Nu het hoofd niet had mogen overgaan tot het doen van de hiervoor bedoelde uitspraak, dient deze uitspraak naar het oordeel van het hof voor zover de waardebeschikking betreffend te worden vernietigd. Overigens merkt het hof hierbij op dat ingeval van tijdige doorzending van de brief van 7 juni 2004 het beroep gelet op de datum van de uitspraak, niet binnen de daarvoor gestelde termijn zou zijn ingediend.

4.2 Wat betreft de opgelegde aanslagen in de gemeentelijke belastingen merkt het hof het volgende op. Niet gesteld is dat de gemeente Boarnsterhim ten aanzien van de woning de a-straat 12 te L niet de verplichting heeft als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (inzameling huishoudelijke afvalstoffen). Evenmin is aangevoerd dat de woning niet op het gemeentelijk rioleringsstelsel is aangesloten. Alsdan is belanghebbende, mede gelet op het hierna onder 4.4 overwogene als feitelijk gebruiker van die woning terecht in de afvalstoffenheffing, onroerendezaakbelastingen (gebruikers) en de rioolrechten (gebruikers) betrokken. Opgemerkt zij overigens dat het belanghebbende zelf is geweest die bij brief van 7 juni 2003 aan de gemeente om terbeschikkingstelling van vuilcontainers heeft verzocht, daarmee erkent dat de gemeente de verplichting als bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer draagt, en zijn eigen feitelijk gebruik van de woning aankondigt.

4.3 Niet als juist kan worden aanvaard belanghebbendes stelling dat van feitelijk gebruik van de woning per 1 januari 2004 geen sprake kon zijn wegens de aan de oplevering van de woning klevende gebreken zoals opgesomd in de gedingstukken. Door natrekking is belanghebbende vol en onbezwaard eigenaar geworden van de op zijn grondperceel gerealiseerde woning. Die hoedanigheid sluit het feitelijk tot gebruik ter beschikking staan in. Dat in de subjectieve beleving van belanghebbende de aan de oplevering nog klevende gebreken aan het gebruiksgenot afbreuk doen, maakt dat niet anders. De ergernis die die gebreken oproepen, is in feite niets anders dan een uit het feitelijk gebruik voortvloeiend gevolg van de (beweerdelijke) wanprestatie van de aannemer.

4.4 De belastingplicht van belanghebbende als eigenaar voor de onroerendezaakbelasting en rioolrechten vloeit rechtstreeks voort uit hetgeen sub 2.1 onder de feiten is opgenomen. Nu tegen de heffingsgrondslag geen tijdig rechtsmiddel meer openstaat zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen terecht en tot een juist bedrag opgelegd.

4.5 Het verweer dat het waterschap de waarde van de woning op nihil zou hebben gesteld, kan belanghebbende niet baten. Het is immers niet het waterschap dat de waardebeschikking vaststelt of wijzigt, terwijl een onjuiste mededeling van het waterschap de gemeente niet verplicht deze onjuistheid te volgen.

4.6 De grieven zijn gelet op het hiervoor overwogene vruchteloos voorgesteld. Van onredelijk of onbillijk handelen door het hoofd is niet gebleken. Het beroep moet, met uitzondering van het onder 4.1 vermelde, worden verworpen.

5. De slotsom

Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen de vastgestelde heffingsgrondslag. Voor het overige dient het als ongegrond te worden verworpen.

6. Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraak van 16 juli 2004 inzake de waardebeschikking, vernietigt vorenbedoelde uitspraak voor dat deel, gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 37,- aan hem zal vergoeden, en verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld op 30 september 2005 door mr. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. Van der Meer, raadsheer, en mr. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. Hiemstra, en ondertekend door de voorzitter en voornoemde griffier.

Op 5 oktober 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.