Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU2947

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-09-2005
Datum publicatie
21-09-2005
Zaaknummer
BK 48/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/5.1.6
FutD 2005-1845
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 04/0048 16 september 2005

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Heerenveen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) voor het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan de belanghebbende is voor het jaar 2000 een navorderings-aanslag IB/PV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 3.997.823,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 10 december 2003 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift dat op 16 januari 2004 bij het gerechtshof is ingekomen en is aangevuld bij brief (met bijlagen) van 21 april 2004. De inspecteur heeft op 2 september 2004 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof gehouden op 14 juli 2005 te Leeuwarden. Aldaar is namens de belanghebbende verschenen zijn gemachtigde mr. A, bijgestaan door mr. B, alsmede namens de inspecteur mr. C, bijgestaan door D.

1.5 Ter voormelde zitting hebben beide partijen de door hen voorgedragen pleitnota overgelegd. Zonder bezwaar van de inspecteur heeft de belanghebbende tevens twee bijlagen bij de pleitnota gevoegd.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 De belanghebbende, geboren op 12 september 19.. en gehuwd, drijft in maatschapverband met zijn zoon een melkvee-houderijbedrijf. Het bedrijf hanteert een gebroken boekjaar.

De juridische eigendom van onder andere 14.13.35 ha land (: de grond) is aan de belanghebbende voorbehouden. De grond is gelegen in het gebied L. De gemeente M (: de gemeente) heeft voor een groot deel van dit gebied bij raadsbesluit van 24 juni 1997 de Wet voorkeursrecht gemeenten (: Wvg) van toepassing verklaard. Ter bestendiging van het gevestigde voorkeursrecht is in november 1998 een structuurplan vastgesteld. Uit dit plan blijkt dat het gemeentebestuur het voornemen heeft om in genoemd gebied woningbouw mogelijk te maken (: het N-gebied), maar dat de woningbouw pas is voorzien rond het jaar 2007.

2.2 In oktober 1999 tekent de belanghebbende - tezamen met andere eigenaren/pachters met grond in het N-gebied - een intentieverklaring om met betrekking tot de aan hem in eigendom toebehorende percelen grond een samenwerking aan te gaan met O BV (: O). De intentieverklaring dient blijkens het bepaalde onder punt 6 te worden gevolgd door een nader uit te werken samenwerkingsovereenkomst met winstverdeling tussen O en de eigenaren/pachters. Indien mogelijk wordt de samenwerkingsovereenkomst zo geredigeerd dat de landbouwvrijstelling van toepassing is. Verder blijkt uit de intentieverklaring dat er een bedrag van minimaal ƒ 40,-- per m² zal worden betaald en dat O, indien zij bereid is om ter zake van deze minimumvergoeding een samenwerking aan te gaan, de helft van voornoemd bedrag als aanbetaling uiterlijk op 2 januari 2000 zal voldoen. De in de intentieverklaring genoemde samenwerkingsovereenkomst is nooit opgemaakt.

2.3 O heeft in het jaar 1999 dan al diverse schriftelijke en mondelinge contacten gehad met de gemeente over de mogelijkheden om tot een intensieve samenwerking te komen voor de ontwikkeling van het N-gebied. Uit haar brief van 7 april 1999 blijkt dat zij daarbij eigenaren/pachters vertegenwoordigt met grond in genoemd gebied. Na 12 november 1999 is er geen enkel contact meer geweest tussen O en de gemeente.

2.4 Op 29 februari 2000 wordt op verzoek van O de aanbetaling van ƒ 20,-- per m² uitgesteld tot uiterlijk 2 juli 2000. Als tegenprestatie wordt door O of haar opdrachtgever per maand rente vergoed en krijgen de eigenaren/pachters de toezegging dat zij, voordat met de uitgifte van de kavels wordt begonnen, een bouwkavel mogen uitzoeken voor ƒ 160,-- per m² (exclusief btw). Tevens deelt O mee dat de intentieverklaring door haar, of nader te noemen opdrachtgever (naar later blijkt P, hierna genoemd), is geaccepteerd. De belanghebbende heeft het 'uitstel aanbetaling' voor akkoord getekend.

2.5 Vervolgens vinden vanaf de maand april 2000 gesprekken plaats tussen de gemeente en P B.V. (: P). Op 8 juni 2000 schrijft de gemeente aan P dat burgemeester en wethouders de intentie hebben om in overleg met P te trachten de gronden in het N-gebied te verwerven en dat, indien de gronden door P worden verworven, men bereid is om ontheffing te verlenen van de aanbiedingsplicht op basis van de Wvg. Bij brief van 10 augustus 2000 worden diverse eigenaren/pachters van de gronden, gelegen in het N-gebied, door de gemeente ingelicht dat zij toestemming hebben voor de overdracht van de gronden aan P.

2.6 Op 15 juni 2000 worden door notaris Q twee concepten van een koopovereenkomst opgesteld (PIJ/00000000 en PIJ/00000000/versie 2 [P]). De namen van de verkopers noch de te verkopen grond wordt in de concepten genoemd. Wel wordt P als koper vermeld.

2.7 Bij koopovereenkomst van 6 november 2000 heeft de belanghebbende tezamen met zijn echtgenote de grond verkocht aan P. Behalve dat deze overeenkomst de reeds in de concepten vermelde punten soms anders dan wel gedetailleerder regelt, bevat zij in aanvulling op de concepten de regeling dat de koper bij levering van de gronden binnen een genoemde termijn schade moet vergoeden voor het verloren gaan van mestproductierechten en/of mestafzetmogelijkheden dan wel zorg moet dragen voor vervangende mestproductierechten en/of mestafzetmogelijkheden. Ook wordt in de koopovereenkomst aan de verkoper als extra punt ten opzichte van de concepten het recht verleend van koop van een bouwkavel in het N-gebied voor 85% van de dan geldende marktprijs. Tot slot wordt in een aanvullende overeenkomst van eveneens 6 november 2000 en in afwijking van de concepten bepaald dat als belanghebbendes gebruiksrecht van de grond vóór 30 maart 2006 vervalt, P de financiële gevolgen zal dragen voor de (niet) toepassing van de landbouwvrijstelling.

2.8 Artikel 4 van de overeenkomst van 6 november 2000 vermeldt - voor zover hier van belang - dat de koper heden een gedeelte van de koopsom ter grootte van ƒ 20,-- per vierkante meter, totaal derhalve ƒ 2.826.700,-- van de koopsom, bij vooruitbetaling heeft voldaan. Tevens wordt in genoemd artikel bepaald dat de betaling van het restant van de totale koopsom ad ƒ 20,-- per vierkante meter op een vastgestelde wijze plaatsvindt, indien en voorzover het verkochte is gelegen binnen de begrenzing van het/de nieuwe bestemmingsplan(nen) ter plaatse.

Ingevolge het bepaalde in artikel 15 kan de overeenkomst onder andere door zowel koper als verkoper worden ontbonden, zonder dat verkoper gehouden is tot terugbetaling van het vooruit ontvangen bedrag, indien en voorzover de gemeente op één september 2015 - dan wel onder voorwaarden op één september 2017 - nog geen bestemmingsplan inhoudende een gewijzigde bestemming ter inzage heeft gelegd.

2.9 De inspecteur heeft in verband met voormelde grondverkoop, die zijns inziens heeft plaatsgevonden ná 27 juni 2000 en in het gebroken boekjaar 2000/2001, bij de aanslagregeling IB/PV voor het jaar 2001 de volgende correcties aangebracht:

Ontvangen voorschot in 2000 ƒ 2.826.700

Af: agrarische waarde ƒ 989.345

Bestemmingswijzigingswinst ƒ 1.837.355

Contante waarde nabetaling ƒ 2.148.009

Rente op de vordering ƒ 40.397

Correcties totaal ƒ 4.025.761

Voor het geval de grondverkoop vóór 27 juni 2000 heeft plaatsgevonden en niet in het gebroken boekjaar 2000/2001, is correctie in het jaar 2001 onjuist. Voor dat geval heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. Daarbij heeft hij het vastgestelde belastbare inkomen onder andere vermeerderd met de bestemmingswijzigingswinst en de contante waarde nabetaling.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd meegedeeld dat de

navorderingsaanslag IB/PV voor het jaar 2000 vernietigd dient te worden indien het gerechtshof in de zaak met het nummer BK 04/0049 tot het oordeel komt dat de verkoop van de grond heeft plaatsgevonden ná 27 juni 2000, zodat de bestemmingswijzigings-winst terecht in de belastingheffing van het jaar 2001 is betrokken.

4.2 Gelet op voormeld standpunt van de inspecteur en het feit dat het gerechtshof bij uitspraak van heden in de onder 4.1 bedoelde zaak heeft beslist in voormelde zin, zal het gerechtshof de onderhavige navorderingsaanslag vernietigen.

5 Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht nu deze kosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht reeds zijn vergoed in de zaak met nummer BK 04/0049.

6. Beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep, alsmede de

navorderingsaanslag IB/PV voor het jaar 2000 en

verstaat dat de Staat der Nederlanden het betaalde griffierecht van € 31,-- aan de belanghebbende vergoedt.

Aldus vastgesteld op 16 september 2005 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. J.W. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar te Leeuwarden uitgesproken door voornoemde

voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en voornoemde griffier.

Op 21 september 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.