Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU2261

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
05/00121 en 05/00122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof vernietigt vonnis rechtbank nu de schulden - bezien vanuit de culturele achtergrond van verzoekers - niet als lichtvaardig gemaakt, zijn aan te merken.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2005-05-18
Faillissementswet 288, geldigheid: 2005-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 18 mei 2005

Rekestnummers 0500121 en 0500122

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest in de[zaak van][schuldenaar 1]]

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [schuldenaar 1],

[schuldenaar 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [schuldenaar 2],

toevoeging,

appellanten,

procureur mr P.R. van den Elst,

advocaat mr B.H. Werink.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 8 maart 2005 heeft de rechtbank te Groningen het verzoek van [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij (gezamenlijk) beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 maart 2005, hebben [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende alsnog te bepalen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op hen toegepast zal gaan worden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 10 mei 2005 zijn de zaken gezamenlijk behandeld.

De beoordeling

In beide zaken

1. De rechtbank heeft het verzoek van [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen uit te spreken, afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 2, onder b, Faillissementswet (hierna: Fw).

De rechtbank is van oordeel, dat, gelet op hun toelichting ter zitting, [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] zowel ten aanzien van het ontstaan als ten aanzien van het onbetaald laten van de eerdergenoemde schulden lichtvaardig hebben gehandeld. De rechtbank heeft hierbij overwogen, dat [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] in korte tijd meerdere leningen hebben afgesloten, waarvan de aflossingsverplichtingen niet in verhouding stonden tot hun inkomen en dat door het geld naar het buitenland te sturen en aan te wenden voor reizen waarvoor geen medische noodzaak was, er voor de schuldeisers geen verhaal mogelijk is. Met name de houding en stelling van [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] dat zij de reden voor het aangaan van genoemde kredieten volstrekt aanvaardbaar vinden, heeft voorts gemaakt dat de rechtbank van oordeel is, dat er gegronde vrees bestaat dat [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] ook tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling lichtvaardig schulden zullen aangaan.

2. [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] stellen zich op het standpunt dat zij alsnog moeten worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

[schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] betwisten dat zij lichtvaardig hebben gehandeld bij het laten ontstaan van de schulden. Zij stellen dat zij in financiële nood zijn gekomen door persoonlijke drama's. In verband met een ernstige ziekte van de moeder van [schuldenaar 1] hebben zij zich genoodzaakt gezien om geld te lenen, zodat de moeder de noodzakelijke medische hulp kon krijgen. [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] merken hierbij op, dat de financiële verplichting die hieruit voortvloeide voor hen destijds wel was na te komen. [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] stellen dat zij er daarna echter een ander probleem bij kregen, te weten psychische problemen vanwege het feit dat het [schuldenaar 2] - ondanks medische hulp in Nederland - niet lukte om zwanger te worden. Zij hebben zich daardoor genoodzaakt gezien om geld te lenen, zodat [schuldenaar 2] in het Midden-Oosten medische hulp kon krijgen. [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] merken hierbij op dat [schuldenaar 2] zeer depressief raakte door het feit dat het haar niet lukte om zwanger te worden en dat hierbij in het oog moet worden gehouden dat zij uit een cultuur komt waar het hebben van kinderen van groot belang is, omdat zij anders wordt gezien als een volstrekt mislukte vrouw. Doordat zij beiden in een ernstig psychische crisis verkeerden, zagen [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] naar eigen zeggen geen andere uitweg dan hulp te zoeken in het Midden-Oosten, welke ertoe heeft geleid dat [schuldenaar 2] inmiddels is bevallen van een dochter. Hierbij hebben zij zich niet precies gerealiseerd dat zij daarmee hogere maandelijkse lasten zouden krijgen dan zij aan zouden kunnen, aldus [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2], en waren zij niet in staat om nuchter af te wegen of zij de schulden af zouden kunnen lossen.

[schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] wijzen erop dat de redenen waarvoor de schulden zijn gemaakt nu niet meer bestaan, zodat niet opnieuw schulden gemaakt zullen worden. Zij wensen verder te benadrukken dat zij wel degelijk hun financiële verantwoordelijkheden kennen. [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] geven hierbij aan dat zij in de jaren vóór de (financiële) problemen ontstonden keurig hebben geleefd en in financieel opzicht geen gekke dingen hebben gedaan. Zij merken hierbij op dat zij omstreeks 1995 uit [geboorteplaats] naar Nederland zijn gekomen en dat [schuldenaar 1] enige jaren heeft gewerkt. Ook thans is [schuldenaar 1] - naar zijn zeggen - op zoek naar werk. Hij staat ingeschreven bij uitzendbureaus en benadert bedrijven die vacatures hebben.

[schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] voeren aan, dat zij buiten de schuldsaneringsregeling geen enkele mogelijkheid hebben om binnen een enigszins redelijke termijn van hun schulden, die thans ongeveer € 22.500,- bedragen, af te komen. Hierbij merken zij op dat zij thans leven van een bijstandsuitkering en dat zij, wanneer zij werk vinden, slechts lage inkomens kunnen verwerven omdat zij afhankelijk zijn van ongeschoolde arbeid.

3. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken.

[schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Zij zijn afkomstig uit [geboorteplaats] en verblijven sinds 1995 in Nederland.

Ten tijde van het opmaken van de verklaring schuldsanering ex artikel 285 lid 1 onder e Fw beliep de totale schuldenlast van [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] € 22.548,30. Tot deze schulden behoort een schuld aan Prime Line van € 6.772,24, aangegaan in 2001 vanwege financiële ondersteuning van de in [geboorteplaats] verblijvende moeder van [schuldenaar 1], die toentertijd (ernstig) ziek was.

Voorts behoort tot deze schulden een schuld aan de Postbank van € 7.056,46, aangegaan in 2003 vanwege een operatie/behandeling van [schuldenaar 2] in het kader van een gewenste zwangerschap.

Verder behoort tot de schuldenlast van [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] een aantal geringere schulden. [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] beschikken sinds 19 januari 2004 niet langer over een auto.

[schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] hebben uit eigen beweging een betalingsregeling getroffen met Essent en lossen daadwerkelijk af op deze schuld.

[schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] hebben op eigen initiatief budgettering aangevraagd en maken (in ieder geval sedert juli 2004) gebruik van budgetbeheer. De budgettering verloopt goed.

[schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] hebben geen werk en zijn werkzoekende. Zij ontvangen thans een bijstandsuitkering.

4. Gelet op de omvang en de samenstelling van de totale schuldenlast stelt het hof

vast, dat de schulden aan Prime Line en de Postbank de schulden zijn waar het in de onderhavige zaak (in wezen) om draait. Immers, dit zijn de omvangrijkste schulden.

5. De rechtbank heeft ten aanzien van bovengenoemde twee schulden overwogen, dat [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] deze lichtvaardig zijn aangegaan.

6. Ten aanzien van de schuld aan Prime Line hebben [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] ter zitting in hoger beroep meegedeeld, dat zij deze schuld zijn aangegaan op het moment dat [schuldenaar 1] nog een betaalde baan had, en dat zij er destijds vanuit zijn gegaan en er ook vanuit konden gaan, dat zij uit het inkomen van [schuldenaar 1] deze schuld zouden kunnen aflossen. Zij hebben voorts aangegeven, dat zij geheel in overeenstemming met de Iraakse culturele gebruiken de moeder van [schuldenaar 1] financieel hebben gesteund in verband met haar ziekte.

7. Ten aanzien van de schuld aan de Postbank hebben [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep meegedeeld, dat de medische behandeling van [schuldenaar 2] in het Midden-Oosten noodzakelijk was, omdat zij niet zwanger raakte en de medische hulp in Nederland niet toereikend was om dit probleem op te lossen. [schuldenaar 2] heeft hierbij aangegeven, dat volgens de Iraakse cultuur een vrouw die geen kind kan krijgen, wordt beschouwd als mislukt. Volgens [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] heeft het feit dat het erop leek dat hun huwelijk kinderloos zou blijven, in het licht van de culturele achtergrond, dusdanige psychische problemen en spanningen veroorzaakt bij hen, dat zij geen andere uitweg zagen dan een medische behandeling in het Midden-Oosten, welke ertoe heeft geleid dat [schuldenaar 2] inmiddels is bevallen van een dochter. In aanvulling hierop hebben zij verklaard, dat zij door hun psychische problemen er niet bij stil hebben gestaan dat zij de aangegane schuld niet zouden kunnen aflossen.

8. Gelet op het vorenstaande, en in het bijzonder gelet op de verklaringen die [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] hebben gegeven voor het aangaan van de schulden en de omstandigheid dat [schuldenaar 1] ten tijde van het aangaan van de schuld bij Prime Line nog betaalde arbeid verrichtte, is het hof - anders dan de rechtbank - van oordeel, dat niet zonder meer kan worden gezegd dat [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] de bovenbedoelde schulden aan Prime Line en de Postbank lichtvaardig zijn aangegaan en dat zij aldus ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden niet te goeder trouw zijn geweest.

9. In aanmerking nemende dat de budgettering, waarvan [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] gebruik maken, goed verloopt, [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] - in afwachting van de beslissing over de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling - op eigen initiatief zijn gestart en/of voortgegaan met het afbetalen van schuldeisers, zij voorts geen nieuwe schulden zijn aangegaan sinds zij gebruik maken van de budgetteringsregeling en de aanleidingen voor het aangaan van de forse schulden bij Prime Line en de Postbank thans niet meer bestaan, kan niet worden gesproken van gegronde vrees dat [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zullen trachten hun schuldeisers te benadelen of hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zullen nakomen.

10. Het hof is ook overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan toewijzing van het inleidend verzoek van [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] in de weg staan.

Slotsom

11. Op grond van het vorenstaande dient het vonnis waarvan beroep te worden vernietigd en dient het verzoek om de (definitieve) toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken alsnog te worden toegewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

spreekt ten aanzien van [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] voornoemd de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit;

verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank te Groningen ter uitvoering van die regeling.

Aldus gewezen door mrs Melssen, voorzitter, Bloem en Van Eck, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 18 mei 2005.