Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU2102

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2005
Datum publicatie
07-09-2005
Zaaknummer
BK 553/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de door belanghebbende aan de bank overgemaakte hypotheekrente terecht heeft gecorrigeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/49.1.2
FutD 2005-1727
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 553-03 2 september 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X, wonende te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Noord, vestiging Hoogeveen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Met dagtekening van 19 juli 2001 is aan belanghebbende over het jaar 2000 -overeenkomstig zijn aangifte- een definitieve aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (: IB/PV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van ? 75.295. Op 18 december 2002 heeft de inspecteur over het jaar 2000 een navorderingsaanslag (IB/PV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van ? 81.345. Het hiertegen door belanghebbende ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak ongegrond verklaard. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 27 juni 2003 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 9 september 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 april 2005, gehouden te Assen. Hierbij waren beide partijen aanwezig. Het hof heeft in deze zaak op 27 april 2005 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 11 mei 2005, aan partijen is verzonden.

Bij een op 20 juni 2005 ter griffie ingekomen brief heeft de Hoge Raad verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.2 Belanghebbende, geboren op 1 januari 1956, heeft in het jaar 2000 f 93.732,- bruto loon uit tegenwoordige arbeid genoten.

2.3 Volgens de basisadministratie persoonsgegevens woonde belanghebbende tot 18 juli 2000 tezamen met zijn ex – echtgenote en hun twee kinderen aan de a-straat 8 te L. Vanaf 18 juli 2000 woont belanghebbende aan de b-straat 1a te Z en staat daar vanaf die datum ingeschreven. Zijn ex – echtgenote blijft met de kinderen wonen en ingeschreven op het adres a-straat 8.

2.4. Op 15 december 2000 wordt het huwelijk van belanghebbende ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Blijkens huwelijkse voorwaarden, opgemaakt op 21 april 1992, waren belanghebbende en zijn ex – echtgenote in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd. Op 29 juni 2001 is een akte van verdeling en levering opgemaakt.

2.5 In zijn aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzeke-ringen 2000 heeft belanghebbende gevraagd om aftrek wegens levensonderhoud van zijn 2 kinderen ten aanzien van de twee laatste kwartalen. Bij de vaststelling van de aanslag is door de inspecteur met deze aftrek rekening gehouden.

2.6 De ex - echtgenoot van belanghebbende heeft vanaf augustus 2000 tot en met december 2000 maandelijks f 710,- aan belanghebbende overgemaakt.

2.7 In de brief van 20 maart 2001 van de advocaat van belanghebbendes ex - echtgenote gericht aan de advocaat van belanghebbende wordt onder meer het volgende vermeld:

“Partijen zijn onderling overeengekomen dat vooralsnog de door uw cliënt te betalen alimentatie wordt verrekend met de totale hypothecaire maandlast van f 1.210,-, die uw cliënt voldoet voor de voormalige echtelijke woning waarin cliënte met de kinderen woont.”

2.8 Uit de brief van 19 januari 2001 van de advocaat van de ex echtgenote aan de rechtbank blijkt het volgende:

“Het is de bedoeling dat de echtelijke woning aan cliënte wordt toebedeeld. Cliënte woont thans ook met de minderjarige kinderen in de voormalige echtelijke woning. Cliënte voldoet aan de man ter zake het gebruik van de woning een bedrag van f 710,- per maand. Dit bedrag is tussen partijen als volgt tot stand gekomen. De totale hypothecaire maandlast voor de woning bedraagt f 1.210,-, hetgeen door de man wordt voldaan. Met dit bedrag wordt verrekend de tijdelijke overeengekomen kinderalimentatie die de man aan cliënte voldoet, totaal f 500,-. Cliënte dient uiteindelijk aan de man te betalen het voornoemde bedrag van

f 710,-.”

2.9 Belanghebbende heeft in de maanden augustus tot en met december 2000 maandelijks f 1.210,- aan hypotheekrente ter zake van de voormalig echtelijke woning aan de bank overgemaakt.

2.10 In de aangifte over onderhavig jaar heeft belanghebbende de door hem aan de bank overgemaakte hypotheekrente ter zake van de echtelijke woning afgetrokken als hypotheekrente van de eigen woning. De definitieve aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen met dagtekening 19 juli 2001 is geheel overeenkomstig zijn aangifte vastgesteld en opgelegd.

2.11 Met dagtekening 18 december 2002 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag opgelegd. Hij heeft het aanvankelijk vastgestelde belastbare inkomen gecorrigeerd door bijtelling van een bedrag van f 6.050,- (de in de aangifte afgetrokken hypotheekrente ter zake van de maanden augustus tot en met december, die hij aan de bank heeft betaald). Er is geen boete opgelegd.

2.12 Na bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur het nader vastgestelde belastbare inkomen gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de door belanghebbende aan de bank overgemaakte hypotheekrente terecht heeft gecorrigeerd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2 Voor de verdere motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.3 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

Vooraf:

4.1 Belanghebbende heeft ter zitting zijn bezwaren ter zake van de heffingsrente en de aanmaningskosten laten varen.

Bovendien heeft hij ter zitting aangegeven dat hij zijn bezwaarschrift op 29 januari 2003 ter post heeft bezorgd, hetgeen het hof, nu dat bezwaarschrift is gedagtekend 29 januari 2003, geloofwaardig acht. Het hof is derhalve van oordeel dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar, ondanks dat het bezwaarschrift pas na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn bij de inspecteur is ingekomen.

Ten aanzien van het inhoudelijke geschil:

4.2 Op grond van de onder 2.3, 2.4 en 2.5 vermelde vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de toestand van duurzaam gescheiden leven is ingetreden op 18 juli 2000, zodat artikel 5, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de wet) vanaf die datum buiten toepassing blijft.

4.3 Op grond van voormelde passages uit de brieven van de advocaat acht het hof aannemelijk dat tussen belanghebbende en zijn ex – echtgenote, die met de kinderen in de voormalig echtelijke woning blijft wonen, afgesproken is dat zij ter zake van (onder meer) de periode van augustus tot en met december 2000, maandelijks het bedrag van de hypotheekrente ad f 1.210,- aan belanghebbende betaalt, welk bedrag hij (vervolgens) overmaakt aan de bank, en dat dit er toe leidt dat, na verrekening van de door belanghebbende te betalen kinderalimentatie ad f 500,-, er per saldo een bedrag van f 710,- per maand door zijn ex – echtgenote aan hem wordt overgemaakt.

4.4 Derhalve kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de aan de bank overgemaakte bedragen aan hypotheekrente over de periode augustus tot en met december 2000 op hem drukken als bedoeld in artikel 35,lid 1, van de wet. De inspecteur heeft de door belanghebbende betaalde hypotheekrente mitsdien terecht niet bij belanghebbende in aftrek geaccepteerd en bij de onderhavige navorderingsaanslag gecorrigeerd. Dat, gelijk belanghebbende stelt, de gerechtigdheid in de woning voor belanghebbende pas medio 2001 door overdracht is opgehouden te bestaan, doet aan het oordeel van het hof niet af. Het hof ziet niet in dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur voormelde afspraak tussen belanghebbende en zijn ex – echtgenote niet op de fiscale merites mag beoordelen.

4.5 Het gelijk ligt mitsdien aan de kant van de inspecteur.

5. De conclusie.

Het vorenoverwogene betekent dat de inspecteur terecht het bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 2 september 2005 door mr. Fransen, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer-plaatsvervanger en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 7 september 2005

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.