Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU1557

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
26-08-2005
Zaaknummer
WAHV 05-00183
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Maximumsnelheid kampeerwagen op autosnelwegen. In casu weegt de kampeerauto meer dan 3500 kg. Niet kan worden aangenomen dat een kampeerauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg een vrachtauto is in de zin van het RVV 1990. Het hof is van oordeel dat voor kampeerauto's geen bijzondere maximumsnelheid geldt. Derhalve is art. 21, aanhef en onder a, RVV 1990 van toepassing, hetgeen betekent dat op autosnelwegen voor de onderhavige camper een maximumsnelheid van 120 km/u geldt. Inleidende beschikking vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/76 met annotatie van Van der Pluijm
VR 2006, 3
Module Verkeer 2005/127

Uitspraak

WAHV 05/00183

21 juli 2005

CJIB 59065170753

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 3 januari 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 80,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (gedragsregel); meer dan 15 km/h en t/m 20 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 13 september 2003 op de Rijksweg A12, Noordbaan te Doorn, met het voertuig gekentekend [kenteken]

3.2. Niet in geschil is dat met het voertuig met een gecorrigeerde snelheid van 97 km per uur is gereden over de autosnelweg. De betrokkene voert echter aan, dat voor het betreffende voertuig, een kampeerwagen met een toegestane massa van meer dan 3500 kg, geen snelheidsbeperking geldt tot 80 km per uur, zodat ten onrechte een sanctie is opgelegd.

3.3. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt, dat in de zin van het RVV 1990 alle motorvoertuigen met een toegestane massa van meer dan 3500 kg, die niet voldoen aan de definitie van een autobus dienen te vallen onder het begrip vrachtauto.

3.4. Art. 21 RVV 1990 luidt, voor zover in deze zaak van belang:

"Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

a. voor motorvoertuigen op autosnelwegen 120 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur;

b. (...)".

3.5. Art. 22 RVV 1990 luidt, voor zover in deze zaak van belang:

"Voor zover niet ingevolge andere artikelen een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden:

a. voor vrachtauto's, autobussen en motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur;

b. (....)

c. (....)

d. (....)"

3.6. Blijkens de technische kentekengegevens die zich in het dossier bevinden is het betreffende voertuig een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van 7484 kg, ingericht als kampeerwagen.

3.7. Art. 1 van het RVV 1990 luidt, voor zover hier van belang als volgt:

"In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(....)

ao. vrachtauto: motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen,

waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg.

(....)

3.8. De bijzondere maximumsnelheid van art. 22, onder a RVV 1990, kan in casu slechts gelden, wanneer de kampeerauto valt onder de definitie van vrachtauto, als bedoeld in art. 1 RVV 1990. Nu de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg is nog slechts van belang de vraag of de kampeerauto heeft te gelden als "niet ingericht voor het vervoer van personen", zoals door de advocaat-generaal gesteld en door de betrokkene weersproken.

3.9. Noch de Wegenverkeerswet 1994, noch het RVV 1990 bevat een definitie van een kampeerauto.

Het Voertuigreglement (Vr) bevat als definitie in art. 1.1 onder y: "kampeerauto: personenauto of bedrijfsauto, waarvan de constructie woonaccommodatie bevat die ten minste bestaat uit de volgende uitrusting:

1°. zitplaatsen en een tafel,

2°. slaapaccommodatie die met behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd,

3°. kookgelegenheid en

4°. opbergfaciliteiten,

welke vast in de woonafdeling zijn bevestigd, met dien verstande dat de tafel zodanig mag zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd;".

3.10. Vóór het Besluit van 3 juni 2004 (Stb. 263), waarbij - aldus de Nota van toelichting - : "de definitie van kampeerauto (.....) in overeenstemming (is) gebracht met richtlijn 98/14/EG met dien verstande dat de mogelijkheid blijft bestaan dat het voertuig tot de categorie bedrijfsauto behoort." luidde deze definitie als volgt: "Kampeerauto: personenauto of bedrijfsauto, waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid.". Deze definitie stemt overeen met de definitie in art. 2 onder g van de Wet op de motorrijtuigenbelasting, zij het dat in de zin van deze wet een kampeerauto steeds is aangemerkt als personenauto. De wijziging van de definitie van kampeerauto in het Voertuigreglement geeft geen blijk van een ander inzicht van de Besluitwetgever ten aanzien van de inrichting van de binnenruimte van het voertuig.

3.11. De advocaat-generaal geeft aan, dat hem uit informatie bij het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie (BVOM) is gebleken, dat bij de initiële beoordeling van het beroep "kennelijk uit de MvT op het VR is opgemaakt dat (slechts) een autobus als een motorvoertuig ingericht voor het vervoer van personen (meer dan acht) gezien moet worden.". Het hof neemt aan dat daarmee wordt gedoeld op de navolgende passage uit de Nota van toelichting (NvT) bij het Besluit van 10 juni 1994, Stb 1994, 450 (Voertuigreglement, Algemeen, inhoud voertuigreglement, hoofdstuk 1): "Er is naar gestreefd om waar mogelijk de definities af te stemmen op andere delen van de wegenverkeerswetgeving. Echter, in een aantal gevallen is dit niet mogelijk. De reden hiervoor is gelegen in de specifieke achtergrond van de betrokken regelgeving. Ter illustratie volgt hier een tweetal voorbeelden.

(.....)

Iets vergelijkbaars doet zich voor bij de begrippen 'vrachtauto' (RVV 1990) en 'bedrijfsauto' (Voertuigreglement). Het begrip 'vrachtauto' wordt gebruikt om aan te geven dat het gaat om zware voertuigen waarvoor bijzondere gedragsregels gelden. 'Bedrijfsauto' geeft daarentegen aan dat het een categorie voertuigen betreft, waaronder zowel zware als lichte voertuigen vallen, waarvoor bepaalde technische eisen gelden.". Deze passage in de NvT van het Voertuigreglement geeft echter geen uitleg van de definitie in het RVV 1990.

3.12. Noch op grond van de tekst van art. 1 onder ao RVV 1990, noch op grond van de wetsgeschiedenis van dat artikel, noch op grond van eerder genoemde Nota van toelichting kan worden geconcludeerd, zoals de advocaat-generaal doet, dat in het RVV 1990 onder "Niet ingericht voor het vervoer van personen" slechts kan worden verstaan "niet ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen". Indien dat bedoeld zou zijn, zou het immers op die wijze geformuleerd zijn.

3.13. De advocaat-generaal voert voorts aan: "Gelet op het VR zou de onderhavige kampeerauto, met een toegestane massa van meer dan 3500 kg, voor toelating tot het verkeer op de weg moeten voldoen aan de gestelde eisen m.b.t. bedrijfsauto's (naar het hof aanneemt is bedoeld: bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg). Bedrijfsauto's ingevolge het VR kunnen (o.m.) motorrijtuigen zijn ingericht voor het vervoer van personen, maar het gaat dan om acht of meer zitplaatsen. In dat geval zou men ingevolge het RVV praten over een autobus.".

3.14. Indien met deze overweging bedoeld zou zijn dat bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, voor zover ze niet onder de definitie van bus (art. 1.1. onder n Vr) vallen, gelijk te stellen zijn met vrachtauto's als bedoeld in het RVV 1990 is deze opvatting onjuist. Illustratief hiervoor is de wetsgeschiedenis van art. 5.3.45a Vr. Immers, de bij Besluit van 9 oktober 2002 (Stb. 2002, 547) voor vrachtauto's ingevoerde verplichting tot het hebben van een gezichtsveldverbeterende voorziening werd in art. 5.3.45a Vr geformuleerd als volgt: "(...) voor het vervoer van goederen (curs. hof) bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, (dienen) te zijn voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden.". Bij Besluit van 24 augustus 2004 (Stb. 2004, 462) is de omschrijving "voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg" gewijzigd in: "bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen of kampeerauto's", om duidelijker tot uitdrukking te brengen, dat de verplichting ook geldt voor de trekkers van opleggers en kraanwagens en dergelijke voertuigen.

3.15. Noch op grond van het algemene spraakgebruik, noch op grond van de aard van het voertuig, noch bijvoorbeeld op grond van een met elkaar overeenkomende betekenis van "een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg" in het Voertuigreglement met "een vrachtauto", kan worden aangenomen dat een kampeerauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg een vrachtauto is in de zin van het RVV 1990.

3.16. Daaraan kan het navolgende niet afdoen. Ingevolge het Besluit van 3 november 2004 (Stb. 659) moeten bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, doch niet meer dan 12000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer, die moet zijn afgesteld op een zodanige snelheid dat de maximumsnelheid niet meer dan 90 km kan bedragen, en geldt met ingang van 1 januari 2006 dezelfde eis voor dezelfde categorie bedrijfsauto's met een dieselmotor, die in gebruik zijn genomen na 30 september 2001 en voor 1 januari 2005. Voor kampeerauto's is geen uitzondering gemaakt, zodat moet worden aangenomen, dat naar de bedoeling van de Besluitwetgever ook voor deze categorie voertuigen een maximumsnelheid dient te gelden die overeenkomt met die van vrachtauto's en autobussen, anders dan T100-bussen.

3.17. Naar het oordeel van het hof kan echter, gelet op het karakter van het RVV 1990 als stelsel van gedragsregels die voor de verkeersdeelnemer herkenbaar en uitvoerbaar moeten zijn, niet worden aanvaard, dat een gedragsregel voor bepaalde voertuigen is gebaseerd op een begripsbepaling die niet aansluit bij het spraakgebruik, noch bij de aard van de voertuigen, noch bij de begripsbepalingen van die voertuigen in andere (formele of materiële) wetten.

3.18. Nu op grond van art. 22 RVV 1990 voor kampeerauto's derhalve geen bijzondere maximumsnelheid geldt, is art. 21, aanhef en onder a RVV 1990 van toepassing, hetgeen betekent dat op autosnelwegen voor het onderhavige motorvoertuig een maximumsnelheid geldt van 120 km/u.

3.19. Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel, dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal die beslissing vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen.

3.20. De betrokkene is ter zitting van de kantonrechter verschenen. Nu hij in het gelijk zal worden gesteld, zijn er gronden om zijn reiskosten te vergoeden conform het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, hetgeen ten aanzien van de reiskosten inhoudt dat deze, overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, worden vergoed op basis van openbaar vervoer, laagste klasse. Dit betekent dat aan de betrokkene toekomt een bedrag van Euro 18,10 ([woonplaats] - Utrecht v.v.). Voor een verdere proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 6 november 2003, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 59065170753 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van

Euro 80,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van Euro 18,10.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.