Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AU1556

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2005
Datum publicatie
26-08-2005
Zaaknummer
WAHV 04-00644
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrouwbaarheid gebruik meetmiddel. Het betrokken voertuig haalde in, wisselde van rijstrook en reed tijdens het meten in een rechte lijn - zij het schuin over het wegdek -. Informatie ingewonnen bij het Politie Instituut Verkeer en Milieu. Een onjuiste meethoek hoeft niet te leiden tot een illegale meting, omdat - wanneer het voertuig in een rechte lijn rijdt - de meting op zichzelf niet onjuist is. In casu levert het meetresultaat als gevolg van de kleinere hoek waaronder is gemeten voor de betrokkene een negatiever resultaat op. Correctie toegepast op de afgelezen snelheid. Vervolgens wordt daarop een corrctie van 3% toegepast. Een ander leidt tot een lager sanctiebedrag.Hof wijzigt inleidende beschikking.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2005, 142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 04/00644

28 juni 2005

CJIB 39058933107

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Utrecht

van 13 april 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De inhoud van het arrest van het hof van 20 januari 2005 wordt hier overgenomen.

2. Het verdere procesverloop

Bij schrijven d.d. 17 maart 2005 heeft G.A. van Laere namens de Politieacademie te Apeldoorn het hof informatie verstrekt.

De betrokkene en de advocaat-generaal hebben hierop gereageerd.

3. Beoordeling

3.1. Bij schrijven d.d. 31 januari 2005 heeft het hof het Politie Instituut Verkeer en Milieu te Apeldoorn verzocht de volgende vragen te beantwoorden.

1. Is op grond van de foto van de gedraging met enige nauwkeurigheid vast te stellen hoeveel graden de auto van de betrokkene afwijkt ten opzichte van de rijrichting op de weg. Zo ja, hoe groot is die afwijking? Zo nee: is ten aanzien van een en ander een verantwoorde schatting te maken?

2. Is juist dat bij meting onder een kleinere hoek dan voorgeschreven de uitkomst een voor de betrokkene negatiever resultaat oplevert?

3. Uitgaande van de veronderstelling, dat de betrokkene niet tijdens de meting de inhaalmanoeuvre heeft ingezet, maar reeds bezig was in te halen, zodat hij tijdens het meten in een rechte lijn - zij het schuin over het wegdek - reed, is naar de opvatting van het hof de situatie ten aanzien van het concrete meetresultaat te vergelijken met die, waarbij de meetapparatuur zodanig staat opgesteld, dat onder een kleinere hoek wordt gemeten dan bij een juiste opstelling. De hoek waaronder in concreto is gemeten is gelijk aan die theoretische scheefstand. Is deze opvatting juist?

4. Is, - uitgaande van de vooronderstelling als in vraag 3 verwoord -, desondanks juist dat het wisselen van rijstrook niet meer verschil uitmaakt dan 0,2 km per uur?

3.2. Bij schrijven d.d. 17 maart 2005 heeft inspecteur G.A. van Laere van de Faculteit Bijzondere Politiekunde en Leiderschap van de Politieacademie te Apeldoorn bovenvermelde vragen beantwoord. Zakelijk weergegeven houden die antwoorden ten aanzien van de vragen 2, 3 en 4 het volgende in.

Onjuist is de opvatting, dat het wisselen van rijstrook niet meer verschil uit kan maken dan 0,2 km per uur. Het verschil wordt bepaald door het verschil in de hoek waaronder de meting plaatsvindt. Een onjuiste meethoek hoeft niet te leiden tot een illegale meting, omdat - wanneer het voertuig in een rechte lijn rijdt - de meting op zichzelf niet onjuist is. Doordat de meetapparatuur echter op het meetresultaat alleen de standaardcorrectie toepast, wordt een onjuiste waarde van de snelheid weergegeven. In de geschetste situatie is juist dat het meetresultaat als gevolg van de kleinere hoek waaronder is gemeten voor de betrokkene een negatiever resultaat oplevert.

3.3. Ten aanzien van vraag 1 wordt door de deskundige het volgende opgemerkt. Op grond van de bijgevoegde foto is niet met enige nauwkeurigheid vast te stellen hoeveel graden de auto van de betrokkene afwijkt ten opzichte van de weg-asrichting van de weg. Met behulp van een computersimulatieprogramma (PC-Crash) en een rekenprogramma is echter een redelijk nauwkeurige schatting gemaakt van de maximale hoek waaronder het voertuig, gelet op de situatie, op het moment van de meting ten opzichte van het verloop van de weg kan hebben gereden. De resultaten van de beide programma's waren duidelijk en in redelijke mate overeenkomend. Uitgaande van de rijstijl van een sportieve bestuurder, de vermoedelijk gereden snelheid, voldoende wegstroefheid en de mogelijkheden van het voertuig met kenteken [kenteken], een BMW Z3 cabrio, bedroeg de hoek volgens de gemaakte schatting minder dan 5,9 graden. Bij de berekening is uitgegaan van een hechtingscoëfficiënt van 0,5. Deze coëfficiënt geeft in feite aan welk deel van de beschikbare maximale hechting op de weg wordt gebruikt voor de beschreven bocht. Bij rijden met een "normaal" rijgedrag zullen bestuurders niet meer dan 0,4 aanwenden. Deze wijze van rijden noemt men nog net comfortabel, inzittenden hoeven zich niet schrap te zetten. Bij een sportieve wijze van rijden wordt de comfortgrens overschreden en wordt een iets hogere waarde aangewend. Een waarde van 0,5 is dan een "normale" waarde. De hieruit bepaalde aftrek voor deze afwijking zal voor de betrokkene zo gunstig mogelijk zijn. In een bijlage is in een tabel aangegeven welke aftrek, gegeven de feitelijke omstandigheden, bij welke rijsnelheid kan worden toegepast.

3.4. In reactie op de informatie van G.A. van Laere heeft de betrokkene primair gesteld dat de inleidende beschikking vernietigd moet worden omdat een verkeerde correctie is toegepast. Voorts heeft de betrokkene gesteld dat hij een specialistische rijopleiding van 3 weken heeft gevolgd, zodat de maximale hechtingscoëfficiënt van 0,8 in zijn geval van toepassing is. In de computersimulatie is uitgegaan van een standaardsnelheid van 150,1 km per uur. Wanneer men de door hem opgegeven snelheid als uitgangspunt had gebruikt zou de gecorrigeerde snelheid rond 130 km per uur komen te liggen.

3.5. Voor zover de betrokkene aanvoert, dat in zijn geval de maximaal bereikbare hechtingscoëfficiënt van 0,8 zou moeten worden toegepast, omdat hij een specialistische rijopleiding heeft gevolgd, refereert hij aan een zin in het rapport van de deskundige die inhoudt: "Bij de gegeven situatie kan er van worden uitgegaan dat een maximale waarde van 0,8 benut kan worden echter daarbij zal een bestuurder een gevorderde rijopleiding gevolgd moeten hebben om niet dwars over de weg schuivend met het voertuig in de vangrail te belanden.". Niet gesteld noch gebleken is dat door de betrokkene is ingehaald op een zodanige wijze, dat dit leidde tot een situatie waarin de betrokkene al zijn vaardigheden moest toepassen om de auto op de weg te houden. Het hof zal derhalve uitgaan van de hechtingscoëfficiënt van 0,5.

3.6. Het hof vindt in het door de betrokkene aangevoerde geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkeersmeetmiddel en aan de verklaring van de verbalisant omtrent het voorgeschreven gebruik ervan. Derhalve dient de geregistreerde, ongecorrigeerde snelheid van 151 km per uur als uitgangspunt te worden genomen voor de toe te passen correcties.

3.7. Ingevolge de bij het rapport van de deskundige behorende tabel is - uitgaande van een hechtingscoëfficiënt van 0,5 - de hoek ten opzichte van de wegas bij een snelheid van 153 km per uur 5,2 graden, bij 144 km per uur 5,5 graden en bij een snelheid van 135 km per uur 5,9 graden. Het hof zal bij de correctie ten gevolge van de scheefstand uitgaan van de maximaal aangegeven afwijking van 5,9 graden. Blijkens de tabel had in plaats van de standaardcorrectie bij een hoek van 22 graden, te weten 0,92718, een correctie moeten worden toegepast van 0,96060, hetgeen meebrengt, dat de afgelezen snelheid had moeten zijn 146 km per uur. Op deze gemeten snelheid dient een correctie van 3 % te worden toegepast om te komen tot de gecorrigeerde/werkelijke snelheid, derhalve een correctie van - naar boven afgerond - 5 km per uur.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene stelt het hof vast dat de gecorrigeerde snelheid van het voertuig op 141 km per uur moet worden gesteld. Dientengevolge bedraagt de snelheidsoverschrijding meer dan 20 km per uur en minder dan 25 km per uur en is op deze gedraging feitcode S300d van toepassing. De bijbehorende sanctie bedraagt Euro 80,-. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking in zoverre wijzigen. Anders dan de betrokkene meent is wijziging van de toegepaste correctie op de gemeten snelheid geen reden tot vernietiging van de inleidende beschikking. Ook overigens acht het hof het door de betrokkene aangevoerde geen omstandigheid die het opleggen van een sanctie niet zou billijken dan wel tot (verdere) matiging van het bedrag van de sanctie zou moeten leiden.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking voor zover betrekking hebbend op de feitcode en het bedrag van de sanctie, en wijzigt de feitcode in S300 d en het bedrag van de sanctie in Euro 80,-.

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene te veel aan zekerheid is gesteld, te weten Euro 24,-, aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.